Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:630

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-03-2016
Datum publicatie
09-03-2016
Zaaknummer
201506829/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 april 2015 heeft het college ten behoeve van het bestemmingsplan "Leuskenhei" hogere waarden als bedoeld in artikel 110a van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) vastgesteld voor een aantal woningen.

Wetsverwijzingen
Wet geluidhinder
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2016/7523
JOM 2016/212
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201506829/1/R3.

Datum uitspraak: 9 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Veldhoven,

en

het college van burgemeester en wethouders van Veldhoven,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2015 heeft het college ten behoeve van het bestemmingsplan "Leuskenhei" hogere waarden als bedoeld in artikel 110a van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) vastgesteld voor een aantal woningen.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 februari 2016, waar [appellant] en anderen en de raad, vertegenwoordigd door M. Foederer-Roels en J. Coppens, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door ing. J.F.J.M. Leermakers, en de stichting "Woonstichting ‘thuis", vertegenwoordigd door D. Penders, als partij gehoord.

Overwegingen

1. Het bestemmingsplan Leuskenhei voorziet in 61 (zorg)woningen. Vanwege het wegverkeerslawaai van de wegen De Dom en Hertgang, die aan de westzijde van de nieuwe woningen liggen, zijn hogere waarden vastgesteld voor 53 van de te bouwen woningen. [appellant] en anderen wonen op een afstand van 50 tot 140 m ten noorden van het plangebied.

2. Het college stelt dat [appellant] en anderen geen belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit omdat voor hun woningen geen hogere waarde is vastgesteld. Om die reden moet hun beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.2. Het besluit tot vaststelling van hogere waarden is een noodzakelijke voorwaarde om de bouw van 53 van de 61 woningen mogelijk te maken. Volgens jurisprudentie van de Afdeling (uitspraken van 27 mei 2009, in zaak nr. 200805817/1/M2, en 11 september 2013, in zaak nr. 201211358/1/R3) zijn bij een dergelijk besluit rechtstreeks de belangen betrokken van iedere persoon die door de realisering van de voorgenomen activiteit rechtstreeks in zijn belangen wordt geraakt. Nu [appellant] en anderen op korte afstand van de voorziene woningen wonen, worden zij rechtstreeks in hun belangen geraakt door de realisering van de woningen en derhalve eveneens door de vaststelling van hogere waarden voor deze woningen. [appellant] en anderen zijn derhalve belanghebbenden als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij het besluit tot vaststelling van hogere waarden.

3. [appellant] en anderen kunnen zich niet verenigen met het besluit. Zij betogen dat in plaats van het vaststellen van hogere waarden andere bron- of overdrachtsmaatregelen te treffen zijn en dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom die niet getroffen worden.

3.1. Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of een ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

3.2. De hoofdstukken V en VI van de Wgh bevatten een regeling volgens welke bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden die behoren tot een zone rond een industrieterrein of een zone langs een weg, ter zake van de geluidbelasting vanwege het industrieterrein of de weg waarlangs die zone ligt, voor woningen gelegen binnen die zone de waarden in acht moeten worden genomen die als de ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt. Als beschermingsniveau geldt in beginsel de waarde die voor de betrokken woningen is vastgelegd in de regeling. Indien deze waarde niet wordt gehaald, is het mogelijk om voor de betrokken woningen een ander beschermingsniveau te bepalen door middel van het bij besluit vaststellen van een hogere waarde voor die woningen.

De regelingen in de Wgh strekken ertoe dat bij besluit wordt vastgesteld welke geluidbelasting - na het zo mogelijk treffen van maatregelen - bij de te bouwen woningen vanwege het industrieterrein of de weg maximaal mag optreden.

[appellant] en anderen wonen op afstanden tussen de 50 en 140 m van de te bouwen woningen. Zij zijn geen eigenaar van een van de woningen waarvoor hogere waarden zijn vastgesteld en niet is gebleken van concrete interesse in de koop en/of bewoning van een van de voorziene woningen. Onder de omstandigheden die zich hier voordoen strekt de regeling kennelijk niet tot bescherming van de belangen van [appellant] en anderen. De Afdeling wijst in dit verband op de uitspraak van 27 juni 2012 in zaak nr. 201111824/1/R4 en de uitspraak van 16 oktober 2013, nrs. 201300837/1/R1 en 201302394/1/R1. Gelet hierop kan hetgeen [appellant] en anderen aanvoeren over de maatregelen in het kader van de Wgh niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Daarom ziet de Afdeling af van een verdere inhoudelijke bespreking van hetgeen [appellant] en anderen hierover hebben aangevoerd.

4. Gelet op het voorgaande is het beroep tegen het besluit hogere waarden ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, griffier.

w.g. Van Sloten w.g. Van Helvoort

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2016

361.