Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:629

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-03-2016
Datum publicatie
09-03-2016
Zaaknummer
201503843/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2015:2009, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 januari 2013 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel West, rechtsvoorganger van het algemeen bestuur, aan [belanghebbende] een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan ten behoeve van het aanbrengen van een aantal bouwkundige veranderingen aan de woning aan de [locatie] te Amsterdam.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2016/88
JOM 2016/224
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503843/1/A4.

Datum uitspraak: 9 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 april 2015 in zaak

nr. 13/5876 in het geding tussen:

[appellant]

en

het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel West van de gemeente Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2013 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel West, rechtsvoorganger van het algemeen bestuur, aan [belanghebbende] een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan ten behoeve van het aanbrengen van een aantal bouwkundige veranderingen aan de woning aan de [locatie] te Amsterdam.

Bij besluit van 28 augustus 2013 heeft het algemeen bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 11 september 2013 heeft het algemeen bestuur een verzoek van [appellant] om de bij het besluit van 23 januari 2013 verleende omgevingsvergunning in te trekken, afgewezen.

Bij uitspraak van 1 april 2015 heeft de rechtbank de door [appellant] tegen de besluiten van 28 augustus 2013 en 11 september 2013 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het algemeen bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 december 2015, waar [appellant], vertegenwoordigd door M.J. [appellant], en het algemeen bestuur, vertegenwoordigd door mr. H. Nota en ing. R. Ezzoubaa, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. G.H. Schoorl, advocaat te Amsterdam, verschenen.

Overwegingen

1. De woning [locatie] bestaat uit een kelder, begane grond en een eerste verdieping. Het bouwplan voorziet onder meer in veranderingen in de kelder van de woning, het maken van een koekoek aan de achtergevel, het vergroten van twee bestaande koekoeken aan de voor- en achtergevel en het wijzigen van de balustrade op de begane grond. De woning blijft één zelfstandige woonruimte. Door het maken van een koekoek en het vergroten van de twee bestaande koekoeken wordt de bestemmingsgrens overschreden.

[appellant], eigenaar van de naastgelegen woning, kan zich niet verenigen met de verleende omgevingsvergunning. Hij vreest onder meer dat door de sloop van de balustrade de draagconstructie van zijn pand wordt aangetast.

2. [appellant] betoogt dat de uitspraak van de rechtbank ten onrechte is gedaan en ondertekend door een andere rechter dan de rechter die de zaak op de zitting heeft behandeld. Hij stelt dat hij de rechtbank slechts toestemming heeft gegeven voor het achterwege laten van een nadere zitting, maar niet voor het vervangen van de rechter.

2.1. Uit de artikelen 8:69, eerste lid, 8:77, eerste lid, onder d, en derde lid, en 8:11, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in hun onderlinge samenhang bezien, moet worden afgeleid dat de uitspraak van een enkelvoudige kamer wordt gedaan en ondertekend door de rechter die de behandeling ter zitting heeft geleid, tenzij in geval van vervanging van deze rechter door een andere rechter, partijen toestemming hebben gegeven af te zien van een nieuwe behandeling ter zitting. (Vergelijk de uitspraak van 16 november 2005 in zaak nr. 200505282/1)

De aangevallen uitspraak is gedaan en ondertekend door een lid van de enkelvoudige kamer van de rechtbank. Het beroep van [appellant] is op een zitting van 31 maart 2014 behandeld door een andere rechter, die het onderzoek ter zitting heeft geschorst. In de brief van de rechtbank van 9 december 2014, gericht aan de partijen, staat het volgende: "Ik verzoek u de rechtbank te laten weten of u toestemming geeft om zonder nadere zitting uitspraak te doen. Daarbij informeer ik u dat de uitspraak door een andere rechter wordt gedaan dan de rechter die de zaak op de eerdere zitting heeft behandeld." Vast staat dat [appellant] en ook de andere partijen de gevraagde toestemming hebben gegeven. Onder deze omstandigheden is de verdere behandeling van de zaak en het doen en ondertekenen van de uitspraak door een opvolgende rechter niet in strijd met de hiervoor genoemde bepalingen.

Het betoog faalt.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank buiten de omvang van het geschil is getreden door te oordelen dat het beroep ook is gericht tegen het besluit van 11 september 2013 tot afwijzing van zijn verzoek tot intrekking van de omgevingsvergunning. Hij stelt dat het beroep uitsluitend was gericht tegen het besluit van 28 augustus 2013 dat strekt tot ongegrondverklaring van zijn bezwaar tegen het verlenen van de omgevingsvergunning.

3.1. De rechtbank heeft het beroepschrift tegen het besluit van 28 augustus 2013, gelet op de aanhef ervan, mede opgevat als bezwaarschrift tegen het besluit van 11 september 2013 met een verzoek om instemming met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter, als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Awb. Nu het algemeen bestuur ter zitting heeft ingestemd met dit verzoek, wordt [appellant] geacht rechtstreeks beroep te hebben ingesteld tegen het besluit van 11 september 2013, aldus de rechtbank.

3.2. De aanhef van het beroepschrift luidt: "Beroep tegen de beslissing van het DB van het Stadsdeel West tot het in stand houden van een omgevingsvergunning (...)." Uit de inhoud van het beroepschrift, in het bijzonder de eerste alinea, blijkt dat het alleen is gericht tegen het besluit van 28 augustus 2013. Het beroepschrift kan, anders dan de rechtbank heeft gedaan, dan ook niet worden opgevat als een bezwaarschrift tegen het besluit van 11 september 2013 met een verzoek om instemming met een rechtstreeks beroep. Nu het besluit evenmin kan worden aangemerkt als een besluit waarop het beroep op de voet van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege betrekking heeft, is de rechtbank, door te oordelen over het besluit van 11 september 2013, buiten de omvang van het geding getreden.

Het betoog slaagt.

4. [appellant] betoogt, zo heeft hij ter zitting toegelicht, dat onduidelijk is waar de vergunning precies betrekking op heeft. In de overwegingen van het besluit van 23 januari 2013 is alleen een digitale aanvraag van 24 oktober 2012 genoemd, terwijl op een later tijdstip ook een handmatig ingevuld aanvraagformulier is ingediend.

4.1. In het besluit van 23 januari 2013 is vermeld dat de volgende gegevens bij het besluit behoren:

"Gemerkt:

- Aanvraagformulier;

- T-01, Bouwkundige tekeningen bestaande- en nieuwe toestand"

Het gewaarmerkte aanvraagformulier is het handmatig ingevulde aanvraagformulier. De gewaarmerkte bouwtekeningen zijn de tekeningen ba1 tot en met ba8 van de bestaande en nieuwe situatie van 11 december 2012, zoals op ondergeschikte punten gewijzigd op 16 januari 2013. Op basis van deze aanvraag en tekeningen is de omgevingsvergunning verleend. Aan de digitale aanvraag (die niet is gewaarmerkt als behorende bij de vergunning) komt in dit kader geen betekenis toe. Er is op dit punt geen sprake van een onduidelijkheid of rechtsonzekerheid.

Het betoog faalt.

4.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het algemeen bestuur de sloop van de balustrade op de begane grond en de daarmee gepaard gaande wijziging van de draagconstructie van de balustrade niet heeft beoordeeld. De desbetreffende activiteiten zijn volgens hem niet vermeld in de vergunningaanvraag. Hij stelt dat de wijziging van de draagconstructie van de balustrade er toe leidt dat de draagconstructie van zijn woning wordt aangetast.

4.3. Zoals de rechtbank heeft overwogen, blijkt uit een vergelijking van de op tekening ba3 weergegeven bestaande situatie van de begane grond en de situatie na uitvoering van het bouwplan, dat de balustrade aan de achterzijde wordt verwijderd, maar dat de draagconstructie, bestaande uit een I-profiel ondersteund door metselwerk, gehandhaafd blijft. Deze tekening maakt deel uit van de aanvraag, zodat voor de sloop van de balustrade ook vergunning is verleend. Bij het besluit op bezwaar heeft het algemeen bestuur deze activiteit ook beoordeeld. [appellant] heeft de conclusie van de rechtbank dat de beoordeling van het college op dit punt toereikend was en er geen aanleiding was de vergunning vanwege aantasting van de draagconstructie te weigeren, niet of onvoldoende bestreden.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan, wat de afvoer van hemelwater betreft, niet voldoet aan het Bouwbesluit 2012. Het hemelwater dat in de koekoeken terecht komt, wordt volgens de tekeningen afgewaterd op het riool. Aangezien het riool hoger ligt dan de afvoerput, kan het hemelwater niet worden afgevoerd, aldus [appellant].

5.1. De afwatering van het hemelwater is aangegeven op de tekening ba8 en maakt als zodanig deel uit van de vergunningaanvraag. Het algemeen bestuur heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat, gezien de situering van de afvoerput in de koekoek en de dikte van de afvoerpijp, de afwatervoorziening toereikend is. Daarbij is het aan vergunninghouder om er voor te zorgen dat het hemelwater daadwerkelijk op het riool wordt afgevoerd. Gelet hierop bestaat in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat niet aannemelijk is dat niet aan het Bouwbesluit 2012 kan worden voldaan. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen.

Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt dat de commissie voor Welstand en Monumenten Amsterdam (hierna: de welstandscommissie) de vergroting van de kozijnen aan de achterzijde van de woning had moeten toetsen aan redelijke eisen van welstand, omdat een aantal kamers in de woning in strijd met het bestemmingsplan wordt gebruikt als onzelfstandige woonruimten. De rechtbank heeft voorts ten onrechte overwogen dat hij geen tegenadvies heeft overgelegd waaruit zou moeten volgen dat het welstandsadvies ondeugdelijk is, aldus [appellant].

6.1. Het vergroten van de kozijnen die onderdeel zijn van de koekoeken, is vermeld op het aanvraagformulier en weergegeven op de tekeningen. Het advies van de welstandscommissie luidt dat geen bezwaar bestaat tegen het bouwplan mits de koekoek in de breedte niet groter wordt uitgevoerd dan het bovenliggende raam. De koekoeken aan de achtergevel zijn akkoord, aldus het advies. De commissie heeft het vergroten van de kozijnen aan de achtergevel dus wel betrokken bij de welstandstoetsing. Het betoog mist in zoverre feitelijke grondslag.

Overigens is een mogelijk met het bestemmingsplan strijdig gebruik van de woning niet relevant voor de inhoudelijke toetsing aan eisen van welstand. [appellant] heeft verder geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het algemeen bestuur het advies van de welstandscommissie niet aan het besluit tot vergunningverlening ten grondslag had mogen leggen. Het betoog faalt in zoverre.

7. [appellant] heeft in zijn hogerberoepschrift voor het overige verwezen naar de ingebrachte zienswijze over de vergunningaanvraag, het bezwaarschrift tegen het primaire besluit, het beroepschrift tegen het besluit op bezwaar en de correspondentie over de zaak. Hiermee heeft hij echter niet gemotiveerd waarom de uitspraak van de rechtbank onjuist is. De enkele verwijzing naar die stukken kan dan ook niet leiden tot vernietiging van de uitspraak.

8. Het hoger beroep is, gelet op hetgeen onder 3.2 is overwogen, gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 11 september 2013 ongegrond is verklaard. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

9. Het algemeen bestuur dient op na te melden tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 april 2015 in zaak nr. 13/5876, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel West van de gemeente Amsterdam van 11 september 2013 ongegrond is verklaard;

III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IV. veroordeelt het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel West van de gemeente Amsterdam tot vergoeding van bij [appellant] opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 496,00 (zegge: vierhonderdzesennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel West van de gemeente Amsterdam aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 248,00 (zegge: tweehonderdachtenveertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. N.S.J. Koeman en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Van der Maesen de Sombreff

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2016

190-784.