Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:628

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-03-2016
Datum publicatie
09-03-2016
Zaaknummer
201505412/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2015:3242, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 januari 2013 heeft het college een aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505412/1/A3.

Datum uitspraak: 9 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 mei 2015 in zaak nr. 13/7361 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2013 heeft het college een aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen.

Bij besluit van 2 oktober 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 mei 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 2 oktober 2013 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 februari 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. B.C.F. Kramer, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door W.H. Voogd, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] heeft om een urgentieverklaring verzocht in verband met sociale en medische omstandigheden. Sinds het verbreken van zijn relatie in juni 2012 woont hij in bij zijn broer en diens gezin. [appellant] slaapt in de woonkamer en ondervindt daardoor veel last. Daarnaast heeft hij chronische psychische en fysieke problemen.

2. Het college heeft bij het besluit van 21 januari 2013 overeenkomstig het advies van de GGD-arts G. Knispel van 17 januari 2013 de aanvraag afgewezen. Het daartegen gerichte bezwaarschrift van [appellant] heeft het college aan de GGD-arts J.L.J. Timmerman voorgelegd. Deze arts heeft in zijn advies van 5 april 2013 gesteld dat voor het indiceren van een verhuisurgentie bij psychische klachten eerst een medische behandeling en begeleiding dienen plaats te vinden en dat uit informatie van de behandelend psychiater, D. Postma, van 14 december 2012 is gebleken dat weinig of geen behandeling van [appellant] heeft plaatsgevonden en hij geregeld niet op afspraken is verschenen. Timmerman heeft geconcludeerd dat geen aanleiding bestaat om het advies van Knispel te herzien. Het college heeft zich bij het besluit van 2 oktober 2013 op grond hiervan op het standpunt gesteld dat de aanvraag van [appellant] terecht is afgewezen. [appellant] heeft geen medische informatie overgelegd op grond waarvan aan het advies van Timmerman moet worden getwijfeld, aldus het college.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank met het oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat hij niet op grond van medische omstandigheden voor een urgentieverklaring in aanmerking komt, heeft miskend dat hij om medische en sociale redenen dringend zelfstandige woonruimte nodig heeft. Volgens [appellant] blijkt uit het advies van de GGD-arts Knispel van 17 januari 2013 dat de medische redenen ernstig zijn.

[appellant] verwijst voorts naar de brief van zijn huisarts van 19 juni 2014, waarin is vermeld dat hij door zijn situatie geregeld verergering van zijn psychische klachten ondervindt. [appellant] woont in bij het gezin van zijn broer. De woning is overbezet en er is geen adequate woonruimte voor de kinderen van het gezin. Deze situatie kan alleen met zijn zelfstandige huisvesting worden opgelost, aldus [appellant].

3.1. Ingevolge artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2010 kan een urgentieverklaring worden verleend indien de aanvrager op grond van medische of sociale redenen dringend woonruimte nodig heeft.

Volgens paragraaf 2 van de Uitvoeringsinstructie 5 Urgentie en bemiddeling (hierna: de Uitvoeringsinstructie) is een urgentieverklaring bedoeld voor mensen die door een levensbedreigende of levensontwrichtende woonsituatie, buiten hun schuld, dringend een (andere) woning nodig hebben, er alles aan gedaan hebben om het huisvestingsprobleem op te lossen en zelf niet de mogelijkheid hebben een woning binnen redelijke termijn te vinden.

Volgens paragraaf 4.2 kan een urgentieverklaring om medische of sociale redenen worden verleend, indien sprake is van een levensbedreigende of levensontwrichtende woonsituatie die alleen opgelost kan worden met (andere) zelfstandige huisvesting op zeer korte termijn. De aanvrager dient zijn levensbedreigende of levensontwrichtende woonsituatie aan te tonen en te zorgen voor bewijsmateriaal.

Volgens paragraaf 4.2.1 dient bij psychische problemen de aanvrager of één van de gezinsleden langer dan zes maanden onder behandeling van een GGZ-instelling of vrijgevestigde psychiater te staan.

(Psychische) problemen als gevolg van de slechte inwoonsituatie, echtscheiding of te klein wonen worden buiten beschouwing gelaten.

3.2. Zoals het college heeft uiteengezet, kan een urgentieverklaring in verband met overbezetting van een woning op grond van de Uitvoeringsinstructie slechts ten behoeve van een elders inwonend gezin met schoolgaande kinderen worden verleend. Die situatie speelt hier niet.

In het rapport van de GGD-arts Knispel wordt vermeld dat [appellant] onder meer bekend is met chronische psychische en psychosociale problemen, maar daarvoor niet wordt behandeld en begeleid. Knispel heeft evenals de GGD-arts Timmerman wegens het ontbreken van die behandeling en begeleiding tot afwijzing van de aanvraag geadviseerd.

Naar aanleiding van het in beroep door [appellant] aangevoerde, heeft het college Timmerman om een reactie hierop gevraagd. Timmerman heeft bij nadere adviezen van 3 oktober 2014 en 17 maart 2015 opnieuw geconcludeerd dat een verhuisurgentie op medische gronden niet is geïndiceerd en dat voor het indiceren van die urgentie bij psychische klachten een actuele behandeling en een behandelplan een eerste vereiste is. In zijn adviezen heeft Timmerman uiteengezet dat bij [appellant] na relatieproblemen psychische klachten zijn ontstaan. De huisarts vermeldt dat bij [appellant] door de situatie waarin hij zich bevindt, te weten dat hij inwonend is bij zijn broer en geen werk heeft, geregeld verergering van de klachten plaatsvindt.

Voor deze klachten vindt echter geen specialistische behandeling plaats.

Deze behandeling wordt dus kennelijk niet nodig of wenselijk geacht.

De oorzaak van de klachten is mogelijk niet uitsluitend de relatieproblemen en de daarop volgende behuizingsproblemen van [appellant], hoewel deze problemen daarop wel een duidelijke invloed hebben gehad.

Exacte informatie hierover ontbreekt bij gebrek aan een actueel en recent behandelplan van een psycholoog of psychiater. Behandeling van de psychische problematiek dient plaats te vinden alvorens de noodzaak van een urgentieverklaring kan worden ingeschat, aldus Timmerman.

De rechtbank heeft terecht onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 9 november 2011 in zaak nr. 201102869/1/H3 overwogen dat, in aanmerking genomen het grote aantal aanvragen voor een urgentieverklaring en het in verhouding daarmee geringe aantal woningen dat voor toewijzing beschikbaar is, het restrictieve beleid dat het college voert niet onredelijk is. Gelet op het bepaalde in paragraaf 4.2.1 van de Uitvoeringsinstructie heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college [appellant] heeft mogen tegenwerpen dat behandeling van de psychische problematiek dient plaats te vinden alvorens de noodzaak voor een urgentieverklaring kan worden ingeschat.

Het betoog faalt.

4. Voor het overige heeft [appellant] in het hogerberoepschrift verzocht de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden als herhaald en ingelast te beschouwen.

4.1. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van de bezwaar- en beroepsgronden volgt niet waarom [appellant] van oordeel is dat de aangevallen uitspraak onjuist is. Derhalve ziet de Afdeling hierin geen aanleiding deze uitspraak te vernietigen.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.C.J. de Wilde, griffier.

w.g. Kranenburg w.g. De Wilde

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2016

598.