Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:624

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-03-2016
Datum publicatie
09-03-2016
Zaaknummer
201504131/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:3034, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 september 2011 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van het woongedeelte op de begane grond aan de achterzijde van het pand aan de [locatie] te Reuver (hierna: de ruimte aan de achterzijde) in een caféruimte en toevoeging van deze ruimte aan de bestaande caféruimte aan de voorzijde van dat pand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2016/2739
Omgevingsvergunning in de praktijk 2016/7326
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201504131/1/A4.

Datum uitspraak: 9 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], [appellante B] en [appellant C], wonend te Reuver, gemeente Beesel, (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 14 april 2015 in zaak nr. 14/1347 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Beesel.

Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2011 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van het woongedeelte op de begane grond aan de achterzijde van het pand aan de [locatie] te Reuver (hierna: de ruimte aan de achterzijde) in een caféruimte en toevoeging van deze ruimte aan de bestaande caféruimte aan de voorzijde van dat pand.

Bij besluit van 17 februari 2012 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 december 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 januari 2014 in zaak nr. 201300854/1/A4 heeft de Afdeling het door [appellant] daartegen ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het door [appellant] tegen het besluit van 17 februari 2012 ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven voor zover het de verleende omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) betreft.

Bij besluit van 17 maart 2014 heeft het college een nieuw besluit op bezwaar genomen waarbij het heeft besloten een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo voor de activiteit bouwen te verlenen.

Bij uitspraak van 14 april 2015 heeft de rechtbank het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Hiertegen heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 november 2015, waar [appellant A] en ir. [appellant C], en het college, vertegenwoordigd door mr. A.G.J. van Loon, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [vergunninghouder] heeft een omgevingsvergunning aangevraagd om het woongedeelte op de begane grond aan de achterzijde van het pand dat naast de woning van [appellant] is gelegen te verbouwen om dit te kunnen gebruiken voor horeca-activiteiten. Ten tijde van de aanvraag om de vergunning hadden de bouwwerkzaamheden in de ruimte aan de achterzijde al plaatsgevonden en was deze ruimte reeds in gebruik genomen voor horeca-activiteiten. [appellant] stelt hinder te ondervinden van het gebruik van de ruimte aan de achterzijde voor horeca-activiteiten. Bij besluit van 26 september 2011 is een vergunning verleend voor het gebruik van de ruimte aan de achterzijde in strijd met het bestemmingsplan. Deze vergunning is thans onherroepelijk. In deze uitspraak staat de uitspraak van de rechtbank van 14 april 2015 ter beoordeling die ziet op het besluit 17 maart 2014 waarbij een vergunning is verleend voor de activiteit bouwen.

1.1. Anders dan het college stelt, betreft het ‘bouwwerk’ als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van bijlage II, behorende bij het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) in dit geval het pand gelegen aan de [locatie] te Reuver. In dit bouwwerk bevinden zich zowel de aan de voorzijde gelegen caféruimte als de ruimte die is gelegen aan de achterzijde waarin de bouwactiviteiten hebben plaatsgevonden. Ten tijde van de bouwwerkzaamheden in de ruimte aan de achterzijde was een gedeelte van het bouwwerk, de ruimte aan de achterzijde, in strijd met het bestemmingsplan in gebruik voor horeca-activiteiten. Dit betekent dat ten tijde van de bouwactiviteiten het bouwwerk waarin deze activiteiten plaatsvonden in strijd met artikel 2.1 van de Wabo in gebruik was. Gelet op het bepaalde in artikel 5, tweede lid, van bijlage II, behorende bij het Bor, is de in artikel 3, aanhef en onder 8, van deze bijlage opgenomen uitzondering op de vergunningplicht voor deze activiteiten daarom niet van toepassing, zodat voor de bouwactiviteiten een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is vereist.

Beoordeling van de beroepsgronden

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de vergunning wegens strijd met artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo geweigerd had dienen te worden, omdat het beoogde gebruik en het feitelijke gebruik van de ruimte aan de achterzijde in strijd is met de bij besluit van 26 september 2011 verleende vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo om in afwijking van het bestemmingsplan de ruimte aan de achterzijde te gebruiken voor horeca-activiteiten. In dit verband wijst [appellant] erop dat bij dit besluit vergunning is verleend voor nietgeluidbelastende activiteiten, terwijl het beoogde en feitelijke gebruik wel zien op geluidbelastende activiteiten.

2.1. Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo wordt de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wro, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12.

Ingevolge het tweede lid wordt de aanvraag in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

2.2. Uit het bepaalde in het tweede lid van artikel 2.10, aanhef en onder c, van de Wabo volgt dat er alleen aanleiding is om een aanvraag voor een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo te weigeren wegens strijd met het bestemmingsplan wanneer voor de aangevraagde activiteit geen vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo. Vaststaat dat deze omstandigheid zich niet voordoet, omdat bij besluit van 26 september 2011 voor de aangevraagde activiteit met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, van de Wabo een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo en deze vergunning thans onherroepelijk is. Dat zoals [appellant] stelt, door vergunninghouder in strijd met deze vergunning wordt gehandeld, betekent niet dat de vergunning voor de bouwactiviteiten had dienen te worden geweigerd. De rechtbank is er daarom terecht vanuit gegaan dat er in zoverre geen aanleiding bestond voor het college om de vergunning te weigeren.

Het betoog faalt.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college er ten onrechte van is uitgegaan dat wordt voldaan aan de in het Bouwbesluit 2012 dan wel het Bouwbesluit 2003 gestelde isolatie-eisen voor contact- en luchtgeluid. [appellant] stelt zich hiertoe op het standpunt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college er ten onrechte van is uitgegaan dat nietgeluidbelastende activiteiten zullen plaatsvinden in de ruimte aan de achterzijde. [appellant] wijst er in dit verband op dat geluidbelastende activiteiten zoals het kijken van voetbalwedstrijden en thema-avonden waaronder een ‘Metalnight’ voor hardrockliefhebbers in de ruimte aan de achterzijde zijn beoogd. Ook wijst [appellant] erop dat de deur tussen de caféruimte aan de voorzijde waar ook geluidbelastende activiteiten plaatsvinden en de ruimte aan de achterzijde vaak open zal staan ten gevolge waarvan een hogere geluidbelasting op zijn woning zal optreden. Volgens [appellant] dienen aan de vergunning voorschriften te worden verbonden, waarin is bepaald dat de reeds in het akoestisch rapport van adviesburo Grouls van 24 juli 2008 geadviseerde geluidbeperkende maatregelen, ter voorkoming van geluidhinder vanwege het gebruik van de achterruimte voor horeca-activiteiten, dienen te worden toegepast, en dat de deur tussen de ruimte aan de achterzijde en de caféruimte aan de voorzijde gesloten dient te worden gehouden.

3.1. Ingevolge artikel 9.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 blijven op een aanvraag om vergunning voor het bouwen, ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, alsmede op enig bezwaar of beroep, ingesteld tegen een beslissing over een dergelijke aanvraag, de voorschriften van het Bouwbesluit 2003 van toepassing, zoals deze luidden op het tijdstip waarop de aanvraag werd ingediend.

Ingevolge artikel 3.17, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003 biedt een te bouwen bouwwerk bescherming tegen onderlinge geluidsoverlast tussen gebruiksfuncties.

Ingevolge het tweede lid wordt voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.17 voorschriften zijn aangewezen, voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

In tabel 3.17 zijn onder meer eisen gesteld voor een ‘bijeenkomstfunctie voor geluidbelastende activiteiten’ en een ‘andere bijeenkomstfunctie’.

3.2. [vergunninghouder] heeft op 23 juni 2011, dus voor inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012, een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend. Gelet op het bepaalde in artikel 9.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 is de rechtbank er daarom terecht vanuit gegaan dat de voorschriften van het Bouwbesluit 2003 (hierna: het Bouwbesluit) op de aanvraag van toepassing zijn.

3.3. [appellant] stelt zich op het standpunt dat het college ten onrechte heeft getoetst of wordt voldaan aan de isolatie-eisen die gelden voor een ‘andere bijeenkomstfunctie’ in plaats van aan de isolatie-eisen die gelden voor een ‘bijeenkomstfunctie voor geluidbelastende activiteiten’.

3.4. In de aanvraag om de vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is aangegeven dat het beoogd gebruik ziet op een andere bijeenkomstfunctie: vergaderingen, feestjes en dartruimte. Het college heeft om te waarborgen dat de ruimte aan de achterzijde alleen voor nietgeluidbelastende activiteiten wordt gebruikt, aan de bij besluit van 26 september 2011 verleende vergunning het voorschrift verbonden waarin is bepaald dat deze ruimte uitsluitend gebruikt mag worden voor horecadoeleinden als behorend tot de categorie "Horeacbedrijf I" van het vigerende bestemmingsplan, met dien verstande dat alleen een gebruik als bijeenkomstfunctie met andere (nietgeluidbelastende) activiteiten is toegestaan en het in de ruimte te produceren geluid beperkt blijft tot geluid afkomstig van een vergader-, dart-, en kleinschalige receptieruimte met achtergrondmuziek. Het college is er bij de verlening van de vergunning aan de hand van de aanvraag van uitgegaan dat in de ruimte aan de achterzijde geen geluidbelastende activiteiten plaats zullen vinden. Voorts is het college er op basis van het akoestisch rapport van adviesbureau DHV van 16 augustus 2011 vanuit gegaan dat wordt voldaan aan de normen voor luchtgeluidisolatie en contactgeluidisolatie die in tabel 3.17, onder 2b, zijn opgenomen voor de gebruiksfunctie ‘andere bijeenkomstfunctie’.

3.5. Hetgeen [appellant] aanvoert geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college er gelet op hetgeen in de aanvraag is aangegeven en het aan de bij besluit van 26 september 2011 verleende vergunning verbonden voorschrift, ten onrechte van is uitgegaan dat de ruimte aan de achterzijde wordt gebruikt voor nietgeluidbelastende activiteiten. Wanneer toch geluidbelastende activiteiten plaatsvinden in de achterruimte betreft dit een kwestie van handhaving. Daarnaast betekent het gegeven, dat zoals [appellant] stelt, de deur tussen de ruimte aan de achterzijde en de ruimte aan de voorzijde regelmatig open zal staan, waardoor een hogere geluidbelasting op zijn woning zal optreden, niet, dat ervan uit dient te worden gegaan dat in de ruimte aan de achterzijde geluidbelastende activiteiten plaatsvinden. Nu hetgeen [appellant] aanvoert geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college er ten onrechte van is uitgegaan dat de achterruimte wordt gebruikt voor nietgeluidbelastende activiteiten, is er voorts geen aanleiding voor het oordeel dat het college ten onrechte heeft getoetst aan de isolatie-eisen die gelden voor een ‘andere bijeenkomstfunctie’ in de zin van tabel 3.17, onder 2b, van het Bouwbesluit. [appellant] heeft niet aangevoerd dat niet aan deze isolatie-eisen kan worden voldaan. Gelet hierop is de rechtbank er terecht van uitgegaan dat hetgeen [appellant] aanvoert geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college niet aannemelijk kon achten dat aan de op grond van het Bouwbesluit voor de aan de achterzijde gelegen ruimte geldende isolatie-eisen voor contact- en luchtgeluid wordt voldaan. Dit leidt daarnaast tot het oordeel dat de rechtbank er terecht van is uitgegaan dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen voorschriften ter beperking van de geluidbelasting op de woning van [appellant] aan de vergunning te verbinden.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat niet vaststaat dat wat betreft de ventilatie van de ruimte aan de achterzijde aan de geldende normen uit het Bouwbesluit voor ventilatie wordt voldaan. Volgens [appellant] staat niet vast dat daadwerkelijk mechanisch wordt geventileerd. [appellant] wijst er in dit verband op dat het controlerapport betreffende de mechanische luchtventilatie slechts een los ‘kladje’ betreft met een berekening van de ventilatiecapaciteit van de mechanische ventilatie en dat deze niet ter plaatse van de achterruimte is gemeten. Volgens [appellant] blijkt uit het gegeven dat veel hinder wordt ondervonden van de open verbindingen met de buitenlucht via de zogenaamde ‘paddestoelen’ die op het dak zijn geplaatst dat thans niet mechanisch wordt geventileerd. Daarnaast is volgens [appellant] ten onrechte niet getoetst aan de luchtverversingsnormen die gelden voor een ruimte voor activiteiten die de binnenlucht verontreinigen. In dit verband wijst [appellant] erop dat uit op 19 oktober 2013 en 23 november 2013 uitgevoerde controles van het café aan de [locatie] door de gemeente Beessel is gebleken dat in de ruimte aan de achterzijde wordt gerookt.

4.1. Ingevolge artikel 3.46, eerste lid, van het Bouwbesluit heeft een te bouwen bouwwerk een zodanige voorziening voor luchtverversing van een verblijfsgebied, een verblijfsruimte, een toiletruimte en een badruimte, dat het ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht voldoende wordt beperkt.

Ingevolge het tweede lid, wordt voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.46.1 en tabel 3.46.2 voorschriften zijn aangewezen, voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

In tabel 3.46.1 zijn onder andere eisen gesteld voor een ‘andere bijeenkomstfunctie’ waaronder wordt begrepen ruimten voor alcoholgebruik, voor activiteiten die de binnenlucht verontreinigen en het aanschouwen van sport en andere ruimten.

4.2. Het college gaat er in het besluit van 17 maart 2014 op basis van een door een medewerker van de gemeente opgestelde berekening vanuit dat het bouwplan voldoet aan de eisen die in het Bouwbesluit zijn gesteld ten aanzien van luchtverversing. Daarbij is het college ervan uitgegaan dat de ventilatiecapaciteit volgens het Bouwbesluit in de ruimte aan de achterzijde tenminste 4,8 dm3/s per m2 dient te bedragen. Gelet op de norm die het college heeft gehanteerd is het ervan uitgegaan dat de ruimte aan de achterzijde de gebruiksfunctie ‘andere bijeenkomstfunctie’ heeft als bedoeld in tabel 3.46.1, onder 2b, van het Bouwbesluit en in deze ruimte geen activiteiten plaatsvinden die de binnenlucht verontreinigen. [appellant] heeft niet betwist dat de berekening van de ventilatiecapaciteit juist is. Er bestaat daarnaast geen verplichting voor het college om de ventilatiecapaciteit van een ventilatiesysteem ter plaatse te meten, wanneer dit systeem ten tijde van de verlening van een vergunning reeds is aangesloten. Hetgeen [appellant] aanvoert geeft daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet aannemelijk kon achten dat voldaan kan worden aan de op grond van het Bouwbesluit geldende norm voor de ventilatiecapaciteit in een ruimte voor een ‘andere bijeenkomstfunctie’, niet zijnde een ruimte waar activiteiten plaatsvinden die de binnenlucht verontreinigen. Mocht de mechanische ventilatie niet deugdelijk worden aangesloten, dan betreft dit een kwestie van handhaving. Daarnaast blijkt uit de aanvraag niet dat vergunning is gevraagd voor activiteiten die de binnenlucht verontreinigen. Daargelaten of roken een activiteit is die de binnenlucht verontreinigt, heeft het college daarom terecht niet aan de hiervoor geldende norm getoetst. Hetgeen [appellant] aanvoert geeft daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat het college er ten onrechte van is uitgegaan dat aannemelijk is dat aan de eisen van het Bouwbesluit voor luchtverversing wordt voldaan.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt dat verlening van de vergunning in strijd is met de artikelen 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (hierna: het EVRM), 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR), 10 van de Grondwet en 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Volgens [appellant] leidt het gebruik van de achterruimte als horeca-bedrijfsruimte tot een grote inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer, gezinsleven en privéleven.

5.1. De Afdeling heeft in de uitspraak van 29 januari 2014 overwogen dat er wat betreft de verlening van de vergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo geen reden is om aan te nemen dat er strijd is met de artikelen 2, 3, 8 van het EVRM en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Daarbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat niet aannemelijk is geworden dat ter plaatse van de woning van [appellant] geen goed woon- en leefklimaat is gegarandeerd. Hetgeen [appellant] aanvoert geeft geen aanleiding voor het oordeel dat er wat betreft de verlening van de vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo voor dezelfde activiteit wel reden is dat in strijd wordt gehandeld met de artikelen 8 van het EVRM en artikel 1 van het Eerste protocol van het EVRM dan wel dat in strijd wordt gehandeld met de artikelen 17 van het IVBPR en 10 van de Grondwet, die net als artikel 8 van het EVRM ook onder meer zien op het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven.

Het betoog faalt.

6. [appellant] verzoekt om het toekennen van een schadevergoeding, omdat de procedure voor de vergunningverlening al loopt sinds 19 februari 2008. Van het binnen een redelijke termijn vaststellen van rechten en verplichtingen, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is volgens [appellant] in onderhavige situatie dan ook geen sprake meer.

6.1. Het primaire besluit, dit betreft het besluit van 26 september 2011, is bekend gemaakt vóór 1 februari 2014. Uit de uitspraak van 29 januari 2014 in zaak nr. 201302106/1/A2 volgt dat dit ertoe leidt dat de redelijke termijn in dit geval in beginsel vijf jaar voor de gehele procedure bedraagt. Daarnaast volgt onder meer uit de hiervoor genoemde uitspraak dat de redelijke termijn gaat lopen vanaf het moment van ontvangst van het college van het bezwaarschrift. Deze datum betreft 1 november 2011. Vanaf deze datum zijn nog geen vijf jaar verstreken, zodat de redelijke termijn niet is overschreden.

Het betoog faalt.

Conclusie

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. G.T.J.M. Jurgens en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.H. Schoppers, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Schoppers

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2016

578.