Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:608

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-03-2016
Datum publicatie
09-03-2016
Zaaknummer
201308952/4/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juni 2013, kenmerk BM1301380, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Steenbergen" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2016/89 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201308952/4/R3.

Datum uitspraak: 9 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college),

2. [appellante sub 2], gevestigd te De Heen, gemeente Steenbergen,

3. [appellante sub 3], gevestigd te [plaats],

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Heense Hoeve B.V. (hierna: De Heense Hoeve), gevestigd te Reusel, gemeente Reusel-De Mierden,

en

de raad van de gemeente Steenbergen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2013, kenmerk BM1301380, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Steenbergen" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer het college, [appellante sub 2], [appellante sub 3] en De Heense Hoeve beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft nadere stukken ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [belanghebbende A] en [belanghebbende B] een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 januari 2015, waar onder meer het college, vertegenwoordigd door mr. A.J.J.M. Danen en A.J. Vos, beiden werkzaam bij de provincie, [appellante sub 2], bijgestaan door mr. M.J.C. Mol, [appellante sub 3], bijgestaan door mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis, De Heense Hoeve, vertegenwoordigd door mr. M.I.J. Toonders, advocaat te Middelharnis, en de raad, vertegenwoordigd door M. de Jong, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende A], vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.

Bij tussenuitspraak van 1 april 2015, in zaak nr. 201308952/1/R3 (hierna: de tussenuitspraak) heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 26 weken na de verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 20 juni 2013 te herstellen. De tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 24 september 2015, kenmerk BM1501571, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Steenbergen" gewijzigd vastgesteld om de gebreken die in de tussenuitspraak zijn genoemd te herstellen.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te brengen over de wijze waarop het gebrek is hersteld. Het college, [appellante sub 3] en De Heense Hoeve hebben hiervan gebruik gemaakt.

De Afdeling heeft de zaak opnieuw ter zitting behandeld op

16 februari 2016, waar [appellante sub 3], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, De Heense Hoeve, eveneens vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis en de raad, vertegenwoordigd door M. de Jong, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

De tussenuitspraak

1. Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling ten aanzien van de beroepen van het college, [appellante sub 2], [appellante sub 3] en De Heense Hoeve de raad opgedragen om binnen 26 weken de gebreken in het bestreden besluit, genoemd in 6.3, 11.3, 15.5 en 19.4 van de tussenuitspraak, te herstellen.

2. De raad heeft ter uitvoering van de opdracht bij besluit van 24 september 2015 het bestemmingsplan "Buitengebied Steenbergen" gewijzigd vastgesteld. Dit besluit is ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) mede onderwerp van het geding.

3. De Afdeling zal de beroepen van bovengenoemde partijen tegen het besluit van 20 juni 2013 en de van rechtswege ontstane beroepen tegen het besluit van 24 september 2015 per partij behandelen.

Het beroep van het college

Het besluit van 20 juni 2013

4. Het college heeft aangevoerd dat de plandelen met de bestemming "Wonen" aan de [locatie 1] te Kruisland en de [locatie 2] te Steenbergen niet voldoen aan artikel 11.1, vierde lid, aanhef en onder b, en artikel 2.2 van de Verordening ruimte 2012 van Noord-Brabant (hierna: Verordening 2012).

Deze plandelen voorzien in een burgerwoning op percelen die voorheen een agrarische bedrijfsbestemming hadden. De artikelen uit de Verordening 2012 bevatten regels die van toepassing zijn bij de omzetting van een voormalige agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning buiten bestaand stedelijk gebied.

5. Gelet op hetgeen in 6.3 van de tussenuitspraak is overwogen, is het beroep van het college tegen het besluit van 20 juni 2013 gegrond. Het besluit is, voor zover het betreft de vaststelling van de plandelen met de bestemming "Wonen" ter plaatse van de percelen [locatie 1] te Kruisland en [locatie 2] te Steenbergen, genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het besluit van 20 juni 2013 dient in zoverre te worden vernietigd.

Het besluit van 24 september 2015

6. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak ten aanzien van het beroep van het college de raad opgedragen met inachtneming van overweging 6.3 van de tussenuitspraak alsnog toereikend te motiveren dat de plandelen met de bestemming "Wonen" aan de [locatie 1] te Kruisland en de [locatie 2] te Steenbergen voldoen aan artikel 11.1, vierde lid, aanhef en onder b, en artikel 2.2 van de Verordening 2012, dan wel het besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling voor deze plandelen.

6.1. De raad heeft bij besluit van 24 september 2015 aan het perceel [locatie 1] te Kruisland wederom de bestemming "Wonen" toegekend. Bij het gewijzigde plan is een aanvullende toelichting met nadere onderbouwing voor dit perceel gevoegd. Op de verbeelding en in de regels is voor dit perceel de instandhouding van de gerealiseerde kwaliteitsverbetering van het landschap geborgd. Voor het perceel [locatie 2] te Steenbergen is de bestemming "Agrarisch" met een bouwvlak toegekend.

6.2. De Afdeling stelt vast dat het college belang heeft bij een beroep tegen het besluit van 24 september 2015, omdat daarmee niet geheel is tegemoetgekomen aan haar beroep tegen het besluit van 20 juni 2013. Daarbij is van belang dat aan één perceel opnieuw een woonbestemming is toegekend. Gelet op het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb is het beroep van het college van rechtswege mede gericht tegen het besluit van 24 september 2015.

6.3. Het college heeft bij brief van 1 december 2015 medegedeeld dat volgens haar de gebreken voldoende zijn hersteld en dat zij geen aanleiding ziet om zienswijzen in te dienen. Gelet hierop moet het van rechtswege ontstane beroep van het college geacht worden te zijn ingetrokken.

Proceskosten

7. Ten aanzien van het beroep van het college is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Het beroep van [appellante sub 2]

Het besluit van 20 juni 2013

8. [appellante sub 2] heeft onder meer aangevoerd dat artikel 41, lid 41.1.1, onder h, van de planregels, onnodig belastend en rechtsonzeker is.

Deze planregel bevat een omgevingsvergunningstelsel ter bescherming van archeologische waarden.

9. Gelet op hetgeen in 11.3 van de tussenuitspraak is overwogen, is het beroep van [appellante sub 2] tegen het besluit van 20 juni 2013 gegrond. Het besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb, voor zover het betreft artikel 41, lid 41.1.1, onder h, van de planregels, voor zover daarin niet is bepaald dat het in deze bepaling neergelegde verbod niet geldt indien blijkt dat geen archeologische waarden te verwachten zijn of kunnen worden geschaad. Het besluit van 20 juni 2013 dient in zoverre te worden vernietigd.

Het besluit van 24 september 2015

10. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak ten aanzien van het beroep van [appellante sub 2] de raad opgedragen met inachtneming van overweging 11.3, artikel 41, lid 41.1.1, onder h, van de planregels zodanig aan te passen dat het daarin neergelegde verbod niet geldt indien blijkt dat geen archeologische waarden te verwachten zijn of kunnen worden geschaad.

10.1. De raad heeft bij besluit van 24 september 2015 aan artikel 41.1.3 van de planregels een sub f toegevoegd. Ingevolge deze bepaling is het verbod als bedoeld onder 41.1.1 niet van toepassing op werken of werkzaamheden indien al dan niet uit onderzoek blijkt dat geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad.

10.2. De Afdeling stelt vast dat [appellante sub 2] belang heeft bij een beroep tegen het besluit van 24 september 2015, omdat daarmee niet geheel is tegemoetgekomen aan haar beroep tegen het besluit van 20 juni 2013. Daarbij is van belang dat het beroep van [appellante sub 2] ook tegen andere planonderdelen is gericht. Gelet op het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb is het beroep van [appellante sub 2] van rechtswege mede gericht tegen het besluit van 24 september 2015.

10.3. [appellante sub 2] heeft naar aanleiding van het besluit van 24 september 2015 geen zienswijze ingediend. De Afdeling leidt hieruit af dat [appellante sub 2] geen bezwaren heeft tegen het besluit. Het van rechtswege ontstane beroep is ongegrond.

Proceskosten

11. De raad dient ten aanzien van het beroep van [appellante sub 2] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellante sub 3]

Het besluit van 20 juni 2013

12. [appellante sub 3] heeft onder meer aangevoerd dat het aan haar perceel [locatie 3] te Kruisland toegekende agrarisch bouwvlak te klein is, omdat niet alle bestaande legale voorzieningen daarbinnen vallen en als zodanig zijn bestemd. Zij exploiteert ter plaatse een intensieve veehouderij.

13. Gelet op hetgeen in 15.5 van de tussenuitspraak is overwogen, is het beroep van [appellante sub 3] tegen het besluit van 20 juni 2013 gegrond. Het besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb, voor zover het betreft de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" rondom het bouwvlak op het perceel [locatie 3] te Kruisland, voor zover bestaande legale staldelen, erfverharding, silo's en mestopslag niet als zodanig zijn bestemd. Het besluit van 20 juni 2013 dient in zoverre te worden vernietigd.

Het besluit van 24 september 2015

14. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak ten aanzien van het beroep van [appellante sub 3] de raad opgedragen om met inachtneming van overweging 15.5 alsnog te onderzoeken welke voorzieningen op het perceel [locatie 3] te Kruisland buiten het bouwvlak legaal zijn en op grond van de uitkomsten van dat onderzoek alsnog een planregeling vast te stellen voor de aanwezige en legale staldelen, erfverharding, silo's en mestopslag.

14.1. De raad heeft bij besluit van 24 september 2015 het plan gewijzigd vastgesteld, waarbij op de verbeelding en in de planregels de legale onderdelen op het perceel [locatie 3] specifiek zijn bestemd. De raad heeft het agrarisch bouwvlak vergroot ten behoeve van de stallen, inclusief overstekken, en buiten het bouwvlak aanduidingen opgenomen voor bouwen buiten het bouwvlak, oppervlakteverharding, silo's, een gastank, een mestbassin en een spoelplaats met daarbij behorende planregels.

14.2. De Afdeling stelt vast dat [appellante sub 3] belang heeft bij een beroep tegen het besluit van 24 september 2015, omdat daarmee niet geheel is tegemoetgekomen aan haar beroep tegen het besluit van 20 juni 2013. Gelet op het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb is het beroep van [appellante sub 3] van rechtswege mede gericht tegen het besluit van 24 september 2015. [appellante sub 3] heeft in haar zienswijze gronden aangevoerd tegen dit besluit.

15. [appellante sub 3] voert aan dat het gewijzigd vastgestelde plan voor haar perceel een onevenredige beperking oplevert van het meest doelmatige gebruik. De enge manier van bestemmen volgt niet uit de tussenuitspraak. Hierdoor dient voor bijvoorbeeld het verplaatsen van de propaantank of voor het vervangen van het mestbassin door een mestsilo een nieuw plan te worden vastgesteld. Een dergelijk beperkte planregeling strookt niet met een goede ruimtelijke ordening. De planregeling is ook onnodig, nu de bedoeling is om te voorkomen dat de stallen worden uitgebreid. Dat kan ook reeds worden bereikt door het opnemen van een aanduiding met een regel dat ter plaatse geen stalruimte voor dieren mag worden opgericht. [appellante sub 3] heeft dit naar aanleiding van een aan haar voorgelegd conceptplan ook aan de raad voorgesteld, maar hiermee is onvoldoende rekening gehouden.

15.1. Aan het perceel van [appellante sub 3] zijn buiten het bouwvlak de volgende aanduidingen toegekend: "specifieke vorm van agrarisch - oppervlakteverharding", "specifieke vorm van agrarisch - spoelplaats", "specifieke vorm van agrarisch - mestbassin", "specifieke vorm van agrarisch - silo" en "specifieke vorm van agrarisch - propaantank". Ter plaatse van de laatste twee aanduidingen ligt ook de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - bouwen buiten het bouwvlak".

Op grond van artikel 3, lid 3.1, van de planregels mogen de gronden ter plaatse van de aanduidingen uitsluitend voor de betreffende voorzieningen worden gebruikt. Ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - bouwen buiten het bouwvlak" mag voorts op grond van artikel 3, lid 3.2.1, in uitzondering op de hoofdregel, buiten het bouwvlak worden gebouwd.

15.2. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling over het beroep van [appellante sub 3] in 15.5 onder meer overwogen:

"Uit de nota van uitgangspunten ten behoeve van het bestemmingsplan voor het buitengebied volgt dat de raad geen uitbreiding van bouwvlakken van intensieve veehouderijen heeft willen toestaan, omdat hij uitbreiding van intensieve veehouderijen onwenselijk acht. De Afdeling overweegt dat de raad daarbij evenwel rekening dient te houden met de bestaande legale situatie bij intensieve veehouderijen. Ter zitting heeft de raad te kennen gegeven dat indien de voorzieningen legaal zijn, deze als zodanig moeten worden bestemd, maar dat dit gelet op de nota van uitgangspunten niet mag leiden tot een uitbreiding van de intensieve veehouderij. De Afdeling acht dit uitgangspunt niet onredelijk. Daarbij is van belang dat een planregeling denkbaar is, waarbij is verzekerd dat delen van een bouwvlak uitsluitend mogen worden gebruikt voor de aanwezige voorzieningen, zoals erfverharding, en niet voor een uitbreiding van de stallen."

15.3. De raad heeft bij het vaststellen van een plan beleidsvrijheid ten aanzien van de wijze waarop hij bestemmingen en regels vaststelt. Dat geldt ook voor de wijze van bestemmen van deze bestaande legale voorzieningen. De raad heeft in het plan de bestaande legale situatie vastgelegd door toekenning van specifieke aanduidingen. Niet is in geschil dat de aanduidingen overeenkomen met de aanwezige voorzieningen. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid voor deze wijze van bestemmen heeft kunnen kiezen en dat dit in strijd zou zijn met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij is van belang dat de raad, zoals volgt uit de tussenuitspraak, een uitbreiding van intensieve veehouderijen onwenselijk acht. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat hij een wijziging van gebruik of de oprichting van andere dan de bestaande bouwwerken buiten het bouwvlak, ook als een uitbreiding ziet. Nu een dergelijke wijziging gepaard kan gaan met een uitbreiding dan wel intensivering van gebruik of bouwwerken, acht de Afdeling dit uitgangspunt niet onredelijk. Daarbij is ook van belang dat de ruimtelijke uitstraling van de verschillende voorzieningen, bijvoorbeeld de door [appellante sub 3] genoemde mestsilo ten opzichte van het bestaande mestbassin, verschilt. De Afdeling ziet ook geen aanleiding voor het oordeel dat de wijze van bestemmen een onevenredige beperking van de bedrijfsmogelijkheden met zich brengt. De bestaande voorzieningen zijn als zodanig bestemd en het gebruik daarvan kan worden voortgezet. Wat betreft eventuele toekomstige wensen om de voorzieningen te verplaatsen of uit te breiden, is van belang dat dit binnen het bouwvlak zelf is toegestaan. Verder is niet in geschil dat [appellante sub 3] geen concrete plannen heeft voor het verplaatsen of veranderen van voorzieningen, waarmee de raad bij de vaststelling van het plan rekening had moeten houden. Het betoog faalt.

15.4. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 3] tegen het besluit van 24 september 2015 ongegrond.

Proceskosten

16. De raad dient ten aanzien van het beroep van [appellante sub 3] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Proceskosten van De Wit

17. Voor zover De Wit, die als derde belanghebbende op grond van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb als partij bij het beroep van [appellante sub 3] is aangemerkt, om een proceskostenvergoeding heeft gevraagd, overweegt de Afdeling als volgt. Voor een proceskostenveroordeling ten laste van de raad bestaat geen aanleiding. Voor een veroordeling van [appellante sub 3] in die kosten bestaat evenmin aanleiding, reeds omdat door haar geen kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht is gemaakt.

Het beroep van De Heense Hoeve

Het besluit van 20 juni 2013

18. De Heense Hoeve heeft onder meer aangevoerd dat het agrarische bouwvlak op haar perceel Heensedijk 16b te De Heen te klein is, omdat ten onrechte enkele bestaande legale voorzieningen daarbuiten vallen. Op het perceel staan stallen ten behoeve van een intensieve veehouderij.

19. Gelet op hetgeen in 19.4 van de tussenuitspraak is overwogen, is het beroep van De Heense Hoeve tegen het besluit van 20 juni 2013 gegrond. Het besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb, voor zover het betreft de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" rondom het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en een bouwvlak aan de Heensedijk 16b te De Heen, voor zover de bestaande legale erfverharding en voorzieningen niet als zodanig zijn bestemd. Het besluit van 20 juni 2013 dient in zoverre te worden vernietigd.

Het besluit van 24 september 2015

20. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak ten aanzien van het beroep van De Heense Hoeve de raad opgedragen om met inachtneming van overweging 19.4 alsnog te onderzoeken welke voorzieningen rondom het bouwvlak nabij de Heensedijk 16 te De Heen legaal zijn en op grond van de uitkomsten van dat onderzoek alsnog een planregeling vast te stellen voor de aanwezige en legale erfverharding en voorzieningen.

20.1. De raad heeft bij besluit van 24 september 2015 het plan gewijzigd vastgesteld, waarbij op de verbeelding en in de planregels de legale onderdelen ter plaatse als zodanig zijn bestemd. Daartoe is aansluitend aan het bouwvlak een aanduiding opgenomen voor erfverharding, een gastank en een stroomhuisje. Ook zijn bij de aanduidingen behorende planregels toegevoegd.

20.2. De Afdeling stelt vast dat De Heense Hoeve belang heeft bij een beroep tegen het besluit van 24 september 2015, omdat daarmee niet geheel is tegemoetgekomen aan haar beroep tegen het besluit van 20 juni 2013. Gelet op het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb is het beroep van De Heense Hoeve van rechtswege mede gericht tegen het besluit van 24 september 2015. De Heense Hoeve heeft in haar zienswijze gronden aangevoerd tegen dit besluit.

21. De Heense Hoeve voert aan dat het gewijzigd vastgestelde plan voor haar perceel een onevenredige beperking oplevert van het meest doelmatige gebruik. De enge manier van bestemmen volgt niet uit de tussenuitspraak. Hierdoor dient voor bijvoorbeeld het verplaatsen van de propaantank een nieuw plan te worden vastgesteld. Een dergelijk beperkte planregeling strookt niet met een goede ruimtelijke ordening. De planregeling is ook onnodig, nu de bedoeling blijkens de tussenuitspraak is om te voorkomen dat de stallen worden uitgebreid. Dat kan ook reeds worden bereikt door het opnemen van een aanduiding met een regel dat ter plaatse geen stalruimte voor dieren mag worden opgericht. De Heense Hoeve heeft dit naar aanleiding van het aan haar voorgelegde conceptplan ook voorgesteld, maar de raad heeft hier onvoldoende rekening mee gehouden.

21.1. Aan het perceel van De Heense Hoeve zijn buiten het bouwvlak de aanduidingen "specifieke vorm van agrarisch - oppervlakteverharding", "specifieke vorm van agrarisch - spoelplaats", "specifieke vorm van agrarisch - propaantank" en "specifieke vorm van agrarisch - stroomhuisje" toegekend. Ter plaatse van de laatste twee aanduidingen ligt ook de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - bouwen buiten het bouwvlak".

Op grond van artikel 3, lid 3.1, van de planregels mogen de gronden ter plaatse van de aanduidingen uitsluitend voor de betreffende voorzieningen worden gebruikt. Ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - bouwen buiten het bouwvlak" mag voorts op grond van artikel 3, lid 3.2.1, in uitzondering op de hoofdregel, buiten het bouwvlak worden gebouwd.

21.2. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling over het beroep van De Heense Hoeve in 19.4 onder meer overwogen:

"De raad heeft in het plan beoogd aan te sluiten bij de bestaande rechten. Dat betekent dat in beginsel is uitgegaan van de bouwblokken uit het voorheen geldende plan. Ter plaatse van het bestreden plandeel lag in het vorige plan echter geen bouwblok, zodat de raad aansluiting heeft gezocht bij de vergunde bebouwing. De Afdeling acht dit niet onredelijk. […] De raad heeft ter zitting erkend dat voor zover de voorzieningen legaal zijn deze als zodanig dienen te worden bestemd. Voor zover de raad heeft gesteld dat dit echter niet mag leiden tot een uitbreiding van de intensieve veehouderij, acht de Afdeling dat niet onredelijk. Daarbij is van belang dat, zoals eerder is overwogen in 15.4, een planregeling denkbaar is, waarbij is verzekerd dat delen van een bouwvlak uitsluitend mogen worden gebruikt voor de aanwezige voorzieningen, zoals erfverharding, en niet voor een uitbreiding van de stallen."

21.3. De Afdeling overweegt, onder verwijzing naar hetgeen is overwogen in 15.3, dat de raad beleidsvrijheid heeft bij de wijze waarop hij de bestaande legale voorzieningen bestemd. Uit de tussenuitspraak volgt niet hoe dit moet gebeuren. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid voor deze wijze van bestemmen heeft kunnen kiezen en dat dit in strijd zou zijn met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij is van belang dat de raad, zoals volgt uit de tussenuitspraak, een uitbreiding van intensieve veehouderijen onwenselijk acht. Zoals de Afdeling ook heeft overwogen in 15.3 heeft de raad in redelijkheid een wijziging van gebruik of de oprichting van andere dan de bestaande bouwwerken buiten het bouwvlak, als een onwenselijke uitbreiding kunnen aanmerken. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de wijze van bestemmen een onevenredige beperking van de bedrijfsmogelijkheden met zich brengt. Niet is in geschil dat de aanduidingen overeenkomen met de locatie van de aanwezige legale voorzieningen. De bestaande voorzieningen zijn derhalve als zodanig bestemd en het gebruik daarvan kan worden voortgezet. Wat betreft eventuele toekomstige wensen om de voorzieningen te verplaatsen of uit te breiden, is van belang dat binnen het bouwvlak alle voorzieningen zijn toegestaan. Verder is niet in geschil dat De Heense Hoeve geen concrete plannen heeft voor het verplaatsen of veranderen van voorzieningen, waarmee de raad bij de vaststelling van het plan rekening had moeten houden. Het betoog faalt.

21.4. Gelet op het voorgaande is het beroep van De Heense Hoeve tegen het besluit van 24 september 2015 ongegrond.

Proceskosten

22. De raad dient ten aanzien van het beroep van De Heense Hoeve op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Betekenis van de uitspraak

23. Het voorgaande betekent dat voor de genoemde percelen [locatie 1] te Kruisland, [locatie 2] te Steenbergen, [locatie 4] te De Heen, [locatie 3] te Steenbergen en Heensedijk 16b te De Heen het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Steenbergen", zoals vastgesteld op 24 september 2015, het geldende planologisch regime is.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, [appellante sub 2], [appellante sub 3] en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Heense Hoeve B.V. tegen het besluit van 20 juni 2013 gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Steenbergen van 20 juni 2013, kenmerk BM1301380, voor zover het betreft de vaststelling van:

a. de plandelen met de bestemming "Wonen" op de percelen [locatie 1] te Kruisland en [locatie 2] te Steenbergen;

b. artikel 41, lid 41.1.1, onder h, van de planregels, voor zover daarin niet is bepaald dat het in deze bepaling neergelegde verbod niet geldt indien blijkt dat geen archeologische waarden te verwachten zijn of kunnen worden geschaad;

c. het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" rondom het bouwvlak op het perceel [locatie 3] te Kruisland, voor zover bestaande legale staldelen, erfverharding, silo's en mestopslag niet als zodanig zijn bestemd;

d. het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" rondom het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en een bouwvlak aan de Heensedijk 16b te De Heen, voor zover de bestaande legale erfverharding en voorzieningen niet als zodanig zijn bestemd;

III. verklaart de beroepen van [appellante sub 2], [appellante sub 3] en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Heense Hoeve B.V. tegen het besluit van 24 september 2015 ongegrond;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Steenbergen tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van:

a. € 992,00 (zegge: negenhonderdtweeëntwintig euro) voor [appellante sub 2], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. € 1736,00 (zegge: zeventienhonderdzesendertig euro) voor [appellante sub 3], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

c. € 1736,00 (zegge: zeventienhonderdzesendertig euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Heense Hoeve B.V., geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat de raad van de gemeente Steenbergen aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:

a. € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant;

b. € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor [appellante sub 2];

c. € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor [appellante sub 3];

d. € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Heense Hoeve B.V.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. ten Wolde, griffier.

w.g. Hagen w.g. Ten Wolde

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2016

715.