Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:604

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-03-2016
Datum publicatie
09-03-2016
Zaaknummer
201409923/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 oktober 2014 heeft de raad besloten het bestemmingsplan "Albergen, [locatie]" niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201409923/1/R1.

Datum uitspraak: 9 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A], [appellant B] en [appellant C] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), allen wonend te Albergen, gemeente Tubbergen,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Tubbergen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 oktober 2014 heeft de raad besloten het bestemmingsplan "Albergen, [locatie]" niet vast te stellen.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 oktober 2015, waar [appellant B] en [appellant C], bijgestaan door mr. B. Oudenaarden, advocaat te Arnhem, en de raad, vertegenwoordigd door mr. E.P. Stekelenburg, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting als partij gehoord de omwonenden [partij A], [partij B], [partij C] en [partij D], allen vertegenwoordigd door mr. J.S. Haakmeester, advocaat te Baarn.

Overwegingen

1. Op 3 april 2014 is het ontwerpbestemmingsplan "Albergen, [locatie]" voor zes weken ter inzage gelegd. Volgens dit ontwerp zou de bestemming van het perceel [locatie] zodanig worden gewijzigd dat de op het perceel aanwezige woning wordt verplaatst van de westzijde naar de oostzijde van het perceel. De gronden waarop de bestaande woning is gesitueerd, krijgen volgens het ontwerp de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie", terwijl aan de gronden waarop de nieuwe woning is voorzien de bestemming "Wonen" zou worden toebedeeld. De overige gronden van het perceel zouden de bestemming "Groen" krijgen.

Met het ontwerp is beoogd tegemoet te komen aan het voornemen van [appellant B] en [appellant C] om met medewerking van [appellant A], eigenaar van het perceel, in de bestaande woning en de daarbij behorende bijgebouwen een recreatief groepsverblijf voor maximaal 20 personen te realiseren. Volgens het voornemen zou elders op het perceel een nieuwe woning worden gebouwd in de vorm van een insect.

Naar aanleiding van door omwonenden tegen het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijzen, heeft het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen de raad voorgesteld het ontwerp gewijzigd vast te stellen. De voorgestelde wijziging hield in dat ten opzichte van het ontwerp een artikel aan de planregels zou worden toegevoegd dat ertoe strekt dat de nieuwe woning niet in gebruik mag worden genomen voordat de bewoning van de bestaande woning is beëindigd.

De raad heeft op 6 oktober 2014 besloten het voorstel niet over te nemen en om het bestemmingplan niet vast te stellen. Daartoe heeft de raad overwogen dat het voorgestelde plan niet past in het gemeentelijke beleid zoals dat naar voren komt uit de notitie "Rood voor rood beleid 2011". Voorts acht de raad onvoldoende verzekerd dat de bestaande woning daadwerkelijk niet meer als woning zal worden gebruikt.

2. Bij het besluit omtrent de vaststelling van een bestemmingsplan komt de raad beleidsvrijheid toe. De Afdeling toetst dit besluit terughoudend. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de raad in redelijkheid heeft kunnen afzien van de vaststelling van het plan en voorts of bij het nemen van dat besluit anderszins niet is gehandeld in strijd met het recht.

3. [appellant] heeft aangevoerd dat het college op 18 maart 2014 een projectbesluit heeft genomen ten behoeve van de bouw van de nieuwe woning in de vorm van een insect. Op diezelfde datum heeft het college daarvoor een bouwvergunning verleend. Dit betekent volgens [appellant] dat hij geacht moet worden over bestaande rechten te beschikken wat de bouw van de nieuwe woning betreft. Nu de raad die rechten hoe dan ook diende te respecteren, had de raad zich naar zijn mening dienen te beperken tot het beoordelen van de aanvaardheid van het onttrekken aan de woonbestemming van de bestaande woning. Niet is echter gebleken dat de raad hiertegen bezwaar heeft, aldus [appellant].

[appellant] heeft verder naar voren gebracht dat nu het plan niet voorziet in de toevoeging van een nieuwe woning, voor dit plan geen beroep behoeft te worden gedaan op het zogenoemde Rood voor rood-beleid. In dat verband heeft hij benadrukt dat in het voorstel dat het college aan de raad heeft voorgelegd, was voorzien in een regeling volgens welke de nieuwe woning pas in gebruik zou mogen worden genomen nadat de bewoning van de bestaande woning is beëindigd.

3.1. De Afdeling merkt op dat het projectbesluit en de bouwvergunning ten behoeve van de bouw van de nieuwe woning ten tijde van het besluit van de raad van 6 oktober 2014 niet onherroepelijk waren, aangezien een aantal omwonenden daartegen beroep had ingesteld bij de rechtbank Overijssel en de rechtbank nog niet op die beroepen had beslist. Bovendien heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank de desbetreffende besluiten bij uitspraak van 1 juli 2014, nr. 14/1153, geschorst, zodat de besluiten op het moment van het besluit van de raad niet in werking waren. De raad heeft zich derhalve terecht niet beperkt tot het beoordelen van de aanvaardbaarheid van het onttrekken aan de woonbestemming van de bestaande woning.

[appellant] heeft met juistheid gesteld dat het zogenoemde Rood voor rood-beleid als zodanig niet van toepassing is, nu dit beleid ziet op het vrijkomen van agrarische bedrijfsbebouwing en het in verband daarmee realiseren van nieuwe woningen. Een dergelijke situatie is in dit geval, waarin [appellant] het gebruik van de bestaande woning als woning wil staken en in ruil daarvoor een nieuwe woning wil bouwen en in gebruik nemen, niet aan de orde. Dat neemt niet weg dat de raad de strekking van het Rood voor rood-beleid, te weten het voorkomen van bouw van nieuwe woningen in het buitengebied zonder dat daarvoor compensatie wordt geboden, mede bij zijn besluitvorming heeft mogen betrekken.

In de notitie "Rood voor rood beleid 2011" is tot uitgangspunt genomen dat het terugbouwen plaatsvindt op dezelfde locatie als waar bestaande bebouwing wordt verwijderd. Het voorstel van het college voorzag in het verplaatsen van de bestaande woning naar een locatie op ongeveer 200 meter afstand aan de andere zijde van het perceel. Daardoor zou de nieuw te bouwen woning tevens worden ontsloten via een andere weg dan de bestaande woning. Het terugbouwen vindt in dit geval derhalve niet plaats op dezelfde locatie, nog daargelaten dat het niet de bedoeling van [appellant] is om de bestaande woning af te breken maar om deze voor een ander doel te gebruiken. De notitie "Rood voor rood beleid 2011" vermeldt verder dat als terugbouwen op dezelfde locatie niet mogelijk is, de compensatiewoning moet aansluiten bij bestaande bebouwing. Het kan dan gaan om kernen, dorpsranden, buurtschappen, lintbebouwing en bestaande erfstructuren, aldus de notitie. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat ook aan dat uitgangspunt niet wordt voldaan, nu de nieuwe woning volgens de plannen van [appellant] solitair zou komen te liggen aan de desbetreffende ontsluitingsweg langs een kanaal.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad gelet op het vorenstaande in redelijkheid kunnen besluiten het bestemmingsplan "Albergen, [locatie]" niet vast te stellen. Dit betekent dat het betoog van [appellant] dat met een planregel als voorgesteld door het college kan worden bereikt dat de bestaande en de nieuwe woning tegelijkertijd worden bewoond, wat daar op zichzelf ook van zij, hem niet kan baten. De voorgestelde planregel zou immers onverlet laten dat de nieuwe woning, in weerwil van de bezwaren van de raad, mag worden gerealiseerd aan de oostzijde van het perceel en dat de bebouwing die thans als woning dient, gehandhaafd blijft.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. J.W. van de Gronden en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.

w.g. Van der Spoel w.g. Sparreboom

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2016

195.