Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:600

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-03-2016
Datum publicatie
09-03-2016
Zaaknummer
201504819/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2015:2163, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 januari 2010 heeft het college geweigerd om vrijstelling te verlenen voor het aanleggen van een ontsluitingsweg ten behoeve van het perceel [locatie 1] te Havelterberg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201504819/1/A1.

Datum uitspraak: 9 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Havelterberg, gemeente Westerveld,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 7 mei 2015 in zaak nr. 13/57 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Westerveld.

Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2010 heeft het college geweigerd om vrijstelling te verlenen voor het aanleggen van een ontsluitingsweg ten behoeve van het perceel [locatie 1] te Havelterberg.

Bij besluit van 10 december 2012 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit heroverwogen en opnieuw geweigerd medewerking te verlenen aan het aanleggen van een ontsluitingsweg.

Bij uitspraak van 7 mei 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 januari 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. P.J.G.G. Sluyter, advocaat te Assen, is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant] heeft het college bij brief, bij het college ingekomen op 8 mei 2008, verzocht medewerking te verlenen aan een ontsluitingsweg ten behoeve van zijn perceel. De woning van [appellant] wordt thans met het recht van overpad ontsloten via een onverhard pad langs het perceel [locatie 2]. [appellant] en de eigenaar van het perceel [locatie 2] willen deze erfdienstbaarheid opheffen. Volgens hen voldoet de ontsluiting niet meer: het pad is te smal en is niet geschikt voor het gebruik met een jeep met trailer. [appellant] heeft het weilandperceel gekocht dat naast het perceel ligt waarop zijn woning staat. Hij wil op het weilandperceel een eigen ontsluitingsweg aanleggen met een breedte van vier meter. De afstand van het woonperceel van [appellant] tot aan de Ruiterweg, waarop de door hem gewenste weg het perceel in zuidelijke richting zou ontsluiten, bedraagt hemelsbreed ongeveer 320 meter.

Het perceel van [appellant] is volgens het college planologisch en feitelijk niet als agrarisch perceel aan te merken, zodat het bestemmingsplan "Buitengebied" niet voorziet in de mogelijkheid van de aanleg van de door [appellant] gewenste ontsluitingsweg. Het college is niet bereid vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan om de aanleg van de ontsluitingsweg mogelijk te maken.

Het wettelijk kader

2. Het perceel [locatie 1] te Havelterberg heeft op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied", zoals dat luidde ten tijde van belang, de bestemming "Wonen - Voormalige boerderijpanden". Op het weilandperceel rust de bestemming "Agrarisch - 2".

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a, g, h en r, van de planregels zijn de voor "Agrarisch - 2" aangewezen gronden onder meer bestemd voor het agrarisch grondgebruik, het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke, natuurlijke, geomorfologische en cultuurhistorische waarden en doeleinden van natuurontwikkeling en agrarisch natuurbeheer, en, daaraan ondergeschikt, voor wegen, paden en overige oppervlakteverhardingen.

Ingevolge het bepaalde in lid 4.5, aanhef en onder h, wordt tot strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met de bestemming "Agrarisch - 2" in ieder geval gerekend het aanbrengen van oppervlakteverhardingen en/of de aanleg van wegen en paden anders dan ten behoeve van agrarisch gebruik (buiten het bouwblok) of de bereikbaarheid van bebouwde agrarische percelen.

Ingevolge lid 4.7.1, aanhef en onder f, is een omgevingsvergunning vereist voor het aanleggen en/of verharden van paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, met uitzondering van het aanleggen en/of verharden van wegen ter ontsluiting van agrarische percelen, kuilvoerplaten en sleufsilo's.

Ingevolge lid 4.7.3 kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke waarden en de geomorfologische, cultuurhistorische en archeologische waarden, het Beeldkwaliteitsplan Gemeente Westerveld.

3. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals die luidde ten tijde van belang, kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan het college.

De beoordeling van het hoger beroep

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan. Daartoe voert hij aan dat de ontsluitingsweg in het bestemmingsplan past indien deze wordt aangelegd ten behoeve van agrarisch gebruik, zodat er in beginsel geen ruimtelijke bezwaren zijn tegen een ontsluitingsweg. Voorts stelt hij dat de bestaande ontsluitingsweg niet langer voldoet. Tevens stelt hij dat het landschappelijk aangezicht niet wordt verstoord door de aanleg van de weg vanwege het gebruik van groene kunststof grastegels. Ook stelt hij dat een alternatieve ontsluiting via de Haarweg feitelijk niet realiseerbaar is, omdat de eigenaren van de tussenliggende percelen daarvoor niet de benodigde toestemming geven. Verder doet [appellant] een beroep op het gelijkheidsbeginsel. In dat verband betoogt hij dat het college de bewoners van [locatie 3] soepeler behandelt dan hem. Voorts stelt [appellant] dat het college toestaat dat in de omgeving van zijn perceel ongeveer 2,5 hectare van het gebied aan het oog wordt onttrokken door het aanleggen van bosschages en een bomenrand.

4.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren gebruik te maken van de aan hem toekomende bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan met toepassing artikel 19, eerste lid, van de WRO. De omstandigheid dat artikel 4 van de planregels voorziet in de mogelijkheid een verharding aan te leggen, mits ondergeschikt aan het agrarisch grondgebruik, maakt niet dat het college reeds daarom was gehouden met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling te verlenen voor een ontsluitingsweg ten behoeve van niet-agrarisch gebruik. Gelet op het in het bestemmingsplan neergelegde uitgangspunt dat geen medewerking wordt verleend aan de aanleg van verhardingen ten behoeve van ander dan agrarisch grondgebruik, heeft het college in redelijkheid tot zijn weigering kunnen komen. Daarbij wordt betrokken dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanleg van de gewenste ontsluitingsweg een onevenredige aantasting van de landschappelijke waarden zou betekenen. Bij dat standpunt heeft het college terecht betrokken dat de gronden waarop de ontsluitingsweg zou moeten worden aangelegd aan alle kanten zijn omgeven door open agrarisch gebied en dat de weg een aanzienlijke lengte heeft. Het college heeft daarbij voorts het "Beeldkwaliteitsplan Buitengebied Westerveld", vastgesteld door de raad van de gemeente Westerveld op 21 september 2010 en aansluitend openbaar gemaakt, kunnen betrekken, alsmede dat uit het bestemmingsplan volgt dat grote waarde wordt gehecht aan handhaving en bescherming van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden in de omgeving.

De omstandigheid dat, zoals het college erkent, de gebruiksmogelijkheden van de bestaande ontsluitingsweg beperkt zijn, heeft het college terecht betrokken bij zijn besluitvorming. Die omstandigheid maakt echter niet dat het college gehouden is af te wijken van het bestemmingsplan voor de gevraagde ontsluitingsweg. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de beperkingen van de bestaande ontsluitingsweg kunnen worden verzacht door het treffen van beheermaatregelen. Het college heeft zich voorts op het standpunt kunnen stellen dat het woonhuis van [appellant] bij calamiteiten in beginsel vanaf de Haarweg tot een afstand van tien meter te benaderen is, indien de afrastering wordt verwijderd. De beperkingen van de bestaande ontsluitingsweg heeft het college daarom niet doorslaggevend hoeven achten bij het besluit waarbij het heeft geweigerd medewerking te verlenen aan de gevraagde ontsluitingsweg.

4.2. Over het beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt als volgt overwogen.

Het perceel [locatie 3] ligt, anders dan dat van [appellant], aan de doorgaande weg en is ook vanaf die weg bereikbaar. Voorts is het niet gelegen in het open agrarisch gebied. Die situatie komt derhalve niet zodanig overeen met de situatie van [appellant], dat het college daarin aanleiding moest zien medewerking te verlenen aan de door hem gewenste ontsluitingsweg.

[appellant] heeft in zijn hogerberoepschrift geen adres genoemd bij de door hem genoemde situatie dat in de nabijheid van zijn perceel bosschages en een bomenrand zijn aangelegd. In het verweerschrift is het college, als reactie op het betoog van [appellant], ingegaan op de bosschages behorend bij een woning aan de [locatie 2]. Eerst ter zitting van de Afdeling heeft [appellant] toegelicht dat hij een andere situatie bedoelt dan die aan de [locatie 2]. Naar het oordeel van de Afdeling had [appellant] eerder dan ter zitting van de Afdeling kunnen toelichten op welke situatie hij doelde. Nu hij dit eerst ter zitting heeft gedaan en het college daarop niet heeft kunnen reageren, omdat het zich wegens ziekte van de behandeld ambtenaar heeft afgemeld voor de zitting, verzet de goede procesorde zich ertegen dat de door [appellant] bedoelde situatie bij het hoger beroep wordt betrokken. Die situatie wordt daarom buiten beschouwing gelaten.

4.3. Gelet op hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor vernietiging van het besluit van 10 december 2012.

Het betoog faalt.

Conclusie

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.C.M. Wijgerde, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Wijgerde

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2016

672.