Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:584

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-02-2016
Datum publicatie
02-03-2016
Zaaknummer
201410563/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:14947, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 27 augustus 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen en tegen vreemdeling 4 een inreisverbod uitgevaardigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2016/100
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201410563/1/V1.

Datum uitspraak: 26 februari 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 5 december 2014 in zaak nr. 14/7765 in het geding tussen:

[vreemdeling 1, 2, 3, 4 onderscheidenlijk 5]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 27 augustus 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen en tegen vreemdeling 4 een inreisverbod uitgevaardigd.

Bij besluit van 7 maart 2014 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 5 december 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdelingen hebben een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 november 2015, waar de vreemdelingen, bijgestaan door mr. M.B.J. Strooij, advocaat te Amsterdam, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, vergezeld van drs. H. Heinink, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. De vreemdelingen hebben een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in het kader van de Regeling langdurig verblijvende kinderen. Zij hebben een beroep gedaan op de van die regeling deel uitmakende overgangsregeling (hierna: de overgangsregeling), ten tijde van de aanvraag neergelegd in paragraaf B22/3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000).

De vreemdelingen hebben bij hun aanvraag vreemdeling 1 als hoofdpersoon aangemerkt. Vreemdelingen 2, 3, 4 en 5 (de moeder, onderscheidenlijk de broers van vreemdeling 1) hebben zij aangemerkt als zijn gezinsleden.

De staatssecretaris heeft de aanvraag afgewezen omdat hij bij in rechte onaantastbaar besluit van 24 september 2001 de vader onderscheidenlijk echtgenoot van de vreemdelingen artikel 1(F) van het Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen (hierna: artikel 1(F)) heeft tegengeworpen.

3. Volgens paragraaf B1/4.4.1 van de Vc 2000 (hierna: het algemene openbare-ordebeleid), zoals luidend ten tijde van de inwerkingtreding van de overgangsregeling, wijst de staatssecretaris een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af indien ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat de desbetreffende vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1(F). Voor het beleid voor in Nederland verblijvende gezinsleden van die vreemdeling verwijst de staatssecretaris naar paragraaf C4/3.11.4. De termijn van vijf onderscheidenlijk tien of twintig jaren waarbinnen de staatssecretaris gepleegde misdrijven tegenwerpt is niet van toepassing in geval van ernstige redenen om te veronderstellen dat die vreemdeling of diens gezinslid zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1(F).

Volgens paragraaf C4/3.11.4.3 van de Vc 2000 (hierna: het tien-jarenbeleid), zoals luidend ten tijde van de inwerkingtreding van de overgangsregeling, werpt de staatssecretaris de contra-indicatie openbare orde niet langer tegen aan gezinsleden van een vreemdeling aan wie hij artikel 1(F) heeft tegengeworpen indien het desbetreffende gezinslid vanaf de datum van de eerste asielaanvraag ten minste tien jaren onafgebroken in Nederland heeft verbleven en hij het vertrekproces niet heeft gefrustreerd.

Volgens paragraaf B22/3.1 van de Vc 2000, zoals luidend ten tijde van de aanvraag, verleent de staatssecretaris een verblijfsvergunning aan een vreemdeling die in het kader van de overgangsregeling als hoofdpersoon wordt beschouwd en die voldoet aan de daarin weergegeven vereisten. De staatssecretaris verleent ook een verblijfsvergunning aan de gezinsleden van de hoofdpersoon, tenzij de feitelijke gezinsband inmiddels is verbroken.

Volgens paragraaf B22/3.2 van de Vc 2000, zoals luidend ten tijde van de aanvraag, verleent de staatssecretaris vorenbedoelde verblijfsvergunning niet als op de hoofdpersoon of een gezinslid één of meer van de onder (a) tot en met (e) weergegeven contra-indicaties van toepassing zijn. Contra-indicatie (a), voor zover hier van belang, houdt in dat de desbetreffende vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde. Dit is, voor zover hier van belang, het geval als de staatssecretaris die vreemdeling artikel 1(F) heeft tegengeworpen.

Wanneer één van de gezinsleden een gevaar vormt voor de openbare orde dan onthoudt de staatssecretaris aan het gehele gezin een verblijfsvergunning, tenzij de gezinsband is verbroken. Indien de staatssecretaris artikel 1(F) heeft tegengeworpen, geldt geen verjaringstermijn. De termijn van vijf onderscheidenlijk tien jaren waarna de staatssecretaris gepleegde misdrijven niet langer tegenwerpt, is niet van toepassing indien ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat de hoofdpersoon of diens gezinslid zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1(F).

4. In de grieven klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij bij de beoordeling van de aanvraag van de vreemdelingen in strijd met artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) niet overeenkomstig het tien-jarenbeleid heeft gehandeld. Daartoe voert de staatssecretaris aan dat de rechtbank heeft miskend dat hij in de overgangsregeling heeft gekozen voor een zelfstandige, uitputtende regeling inzake openbare orde en daarbij het algemene openbare-ordebeleid noch het tien-jarenbeleid tot uitgangspunt heeft genomen.

4.1. De rechtbank heeft overwogen dat uit de overgangsregeling zelf niet volgt dat het tien-jarenbeleid niet van toepassing is. In dit verband heeft de rechtbank erop gewezen dat de staatssecretaris de passage in het algemene openbare-ordebeleid over het niet van toepassing zijn van de verjaringstermijnen bij tegenwerping van artikel 1(F) - waarop het tien-jarenbeleid een uitzondering maakt voor gezinsleden - op dezelfde wijze heeft geformuleerd als de passage in de overgangsregeling over het niet van toepassing zijn van de verjaringstermijnen bij tegenwerping van artikel 1(F). Dat het tien-jarenbeleid niet van toepassing is volgt volgens de rechtbank evenmin expliciet uit de door de staatssecretaris aangehaalde parlementaire debatten, nog daargelaten de vraag of een tijdens een debat gedane uiting een voor een belanghebbende gunstige beleidsregel terzijde kan schuiven. Voorts heeft de rechtbank betekenis gehecht aan de brief van de minister en staatssecretaris van Justitie aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 9 juni 2008 (Kamerstukken II 2007/08, 31 200 VI, nr. 160, blz. 6) waarin zij hebben uiteengezet waarom het niet zinvol is om na een termijn van ten minste tien jaren vreemdelingen nog langer rechtmatig verblijf te ontzeggen omdat aan hun gezinslid artikel 1(F) is tegengeworpen.

4.2. De staatssecretaris voert aan dat het algemene openbare-ordebeleid en de overgangsregeling weliswaar een vergelijkbare beleidsregel over het niet van toepassing zijn van de verjaringstermijnen bij tegenwerping van artikel 1(F) bevatten, maar dit niet betekent dat in beide gevallen deze beleidsregel opzij wordt gezet door het tien-jarenbeleid.

Uit de wijze waarop de overgangsregeling is opgesteld kan worden afgeleid dat niet is beoogd het algemene openbare-ordebeleid hierop van toepassing te laten zijn. Daartoe wijst de staatssecretaris er op dat in de overgangsregeling op verschillende punten een afwijkend regime wordt gehanteerd. Anders dan in het algemene openbare-ordebeleid geldt in de overgangsregeling een gekwalificeerde duur van de gevangenisstraf of vrijheidsbenemende maatregel van ten minste één maand en geldt een contra-indicatie van één gezinslid voor het hele gezin. Uitgangspunt van de overgangsregeling is de context van het gezin, niet de individuele aanspraken van de gezinsleden op een vergunning. Voorts verschilt de overgangsregeling, voor zover het de openbare orde betreft, ten opzichte van de andere materiehoofdstukken in deel B van de Vc 2000 (hoofdstukken B2 tot en met B9) zoals deze luidden ten tijde van de inwerkingtreding van de overgangsregeling. In die hoofdstukken zijn veelal geen bijzondere regels betreffende de openbare-orde opgenomen; in een enkel geval bevatten zij een expliciete uitzondering, zoals in paragraaf B9/2, onder c, aldus de staatssecretaris. Door te verwijzen naar de brief van de minister en staatssecretaris van Justitie aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 9 juni 2008 miskent de rechtbank dat deze voortvloeit uit de voormalige Regeling afwikkeling nalatenschap Vreemdelingenwet (oud), die ziet op een specifieke doelgroep, aldus de staatssecretaris.

4.3. De overgangsregeling vermeldt expliciet dat de staatssecretaris bij openbare-ordeaspecten aan het hele gezin een verblijfsvergunning onthoudt en dat bij tegenwerping van artikel 1(F) voor de desbetreffende vreemdeling noch diens gezinsleden een verjaringstermijn geldt. De toepasselijkheid van het tien-jarenbeleid, dat uitsluitend ziet op gezinsleden van een vreemdeling aan wie de staatssecretaris artikel 1(F) heeft tegengeworpen, is hiermee niet verenigbaar. De omstandigheid dat de passage in de overgangsregeling over het niet van toepassing zijn van de verjaringstermijnen bij tegenwerping van artikel 1(F) op dezelfde wijze is geformuleerd als de desbetreffende passage in het algemene openbare-ordebeleid laat het voorgaande onverlet.

Dat de overgangsregeling een zelfstandige, uitputtende regeling inzake de openbare orde behelst, blijkt onder meer uit de verschillen tussen de overgangsregeling, voor zover het de openbare orde betreft, en het algemene openbare-ordebeleid, bijvoorbeeld waar het gaat om niet aan artikel 1(F) gerelateerde misdrijven. In het algemene openbare-ordebeleid geldt voor die misdrijven immers niet dat sprake moet zijn van een gevangenisstraf van minstens één maand, maar volstaat ook bijvoorbeeld het aanvaarden van een transactieaanbod of een taakstraf, en treft de tegenwerping van een misdrijf niet het gehele gezin.

Dit blijkt ook uit de afwijkende formulering van de overgangsregeling, voor zover het de openbare orde betreft, ten opzichte van de andere hoofdstukken van deel B van de Vc 2000 over eerste toelating en het nationale openbare-ordebegrip, zoals deze luidden ten tijde van de inwerkingtreding van de overgangsregeling. In die hoofdstukken wordt hoofdzakelijk verwezen naar het algemene openbare-ordebeleid en/of de artikelen 7.77 en 3.78 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000), waarvan het algemene openbare-ordebeleid een uitwerking vormt.

Uit het vorenstaande volgt dat de staatssecretaris niet gehouden was het tien-jarenbeleid toe te passen.

De grieven slagen.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep van de vreemdelingen tegen het besluit van 7 maart 2014 worden getoetst in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

6. De vreemdelingen hebben, onder verwijzing naar een publicatie van C.J. Ullersma en J. Werner in Asiel & Migrantenrecht 2013, nr. 9, en een rapport van Defence for Children van 20 november 2014, betoogd dat de staatssecretaris, door het tien-jarenbeleid niet toe te passen bij de beoordeling van aanvragen in het kader van de overgangsregeling van kinderen die ten minste tien jaar in Nederland verblijven met een ouder aan wie de staatssecretaris artikel 1(F) heeft tegengeworpen, een ongerechtvaardigd onderscheid maakt omdat hij bij de beoordeling van andersoortige aanvragen van kinderen die in dezelfde positie verkeren wel het tien-jarenbeleid toepast. Dit onderscheid (hierna: het onderscheid) is volgens de vreemdelingen in strijd met de discriminatieverboden die zijn vervat in artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), artikel 1 van Protocol nr. 12 bij het EVRM en artikel 2, tweede lid, van het Verdrag inzake de rechten van het kind. Hiertoe hebben de vreemdelingen aangevoerd dat de staatssecretaris bij zijn rechtvaardiging van het onderscheid geen rekening heeft gehouden met de redenen die blijkens voornoemde brief van de minister en staatssecretaris van Justitie aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 9 juni 2008 ten grondslag liggen aan de totstandkoming van het tien-jarenbeleid beleid.

6.1. Bij de beoordeling of het onderscheid in strijd is met voormelde discriminatieverboden, moet de vraag worden beantwoord of daarvoor in vergelijkbare gevallen redelijke en objectieve gronden bestaan in het licht van de doelen van de overgangsregeling. Daartoe moet worden beoordeeld of dat onderscheid een gerechtvaardigd doel dient, het een geschikt middel is voor het bereiken van dat doel en of tussen middel en doel evenredigheid bestaat. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 9 januari 2015 in zaak nr. 201406527/1/V1.

6.2. De staatssecretaris heeft zijn standpunt dat geen sprake is van een ongerechtvaardigd onderscheid als volgt toegelicht. Toepassing van het tien-jarenbeleid ligt niet in de rede gezien de aard van de overgangsregeling. Een aanvraag om verlening van een vergunning krachtens de overgangsregeling beoordeelt de staatssecretaris immers met inachtneming van de gezinsbanden en in de context van het gezin. Daarom verleent hij in beginsel ook een verblijfsvergunning aan de gezinsleden van het kind dat hoofdpersoon is en aan wie hij een verblijfsvergunning verleent. Met de overgangsregeling heeft de staatssecretaris niet beoogd dit ook te laten gelden voor het gezinslid aan wie hij artikel 1(F) heeft tegengeworpen. De eigen aard van de overgangsregeling is er in gelegen dat een kind hoofdpersoon is en dat het gehele in Nederland verblijvende gezin deelt in de eventuele verblijfsaanvaarding van het kind, tenzij de feitelijke gezinsband is verbroken. Moeilijk voorstelbaar en overigens praktisch ook moeilijk uitvoerbaar is een beleid dat zou inhouden dat de staatssecretaris een kind toelaat en dat de ouders Nederland moeten verlaten. Verder heeft de staatssecretaris met het toestaan van verblijf aan ook andere gezinsleden, ook als zij meerderjarig zijn, beoogd verder procederen door gezinsleden te voorkomen. Feitelijk is het dus een gezinsregeling, waarbij de staatssecretaris aan alle leden of aan geen enkel lid van het gezin een verblijfsvergunning verleent. Het tien-jarenbeleid ziet op andere situaties, namelijk de gevallen waarin een gezinslid van een persoon aan wie de staatssecretaris artikel 1(F) heeft tegengeworpen, zelfstandig voldoet aan de vereisten van een specifiek verblijfsdoel in het algemene vreemdelingenbeleid. Dan verleent hij de vergunning in beginsel ook uitsluitend aan degene die voldoet aan die specifieke vereisten, aldus de staatssecretaris.

6.3. In voornoemde uitspraak van 9 januari 2015 heeft de Afdeling overwogen dat het in de overgangsregeling gemaakte onderscheid tussen hoofdpersonen met dan wel zonder een gezinslid aan wie de staatssecretaris artikel 1(F) heeft tegengeworpen een gerechtvaardigd doel dient, dat de staatssecretaris dat onderscheid in redelijkheid een geschikt middel heeft kunnen achten om dat doel te bereiken en dat hij dat onderscheid in redelijkheid evenredig heeft kunnen achten ten opzichte van dat doel.

Dit oordeel gaat evenzeer op voor het door de vreemdelingen bedoelde onderscheid.

De toepassing van het tien-jarenbeleid op aanvragen om verlening van een vergunning in het kader van de overgangsregeling zou, gelet op de door de staatssecretaris geschetste aard van de overgangsregeling, meebrengen dat hij ook aan het gezinslid aan wie hij artikel 1(F) heeft tegengeworpen een vergunning in het kader van de overgangsregeling moet verlenen. Het onderscheid dient reeds hierom, ook wanneer één of meer gezinsleden van het gezinslid aan wie de staatssecretaris artikel 1(F) heeft tegengeworpen ten minste tien jaar onafgebroken in Nederland hebben verbleven, een gerechtvaardigd doel. Om dezelfde reden heeft de staatssecretaris, ook wanneer één of meer gezinsleden van het gezinslid aan wie de staatssecretaris artikel 1(F) heeft tegengeworpen ten minste tien jaar onafgebroken in Nederland hebben verbleven, het onderscheid in redelijkheid een geschikt en evenredig middel kunnen achten om dat doel te bereiken.

De door de vreemdelingen aangevoerde omstandigheden dat zij geworteld zijn in de Nederlandse samenleving en voor de goede voortgang van hun ontwikkeling afhankelijk zijn van hun verblijf in Nederland brengen - mede gelet op het overwogene onder 8.1. tot en met 8.4. en de in voorkomend geval voor hen bestaande mogelijkheid om een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning te doen voor een specifiek verblijfsdoel onder inroeping van het tien-jarenbeleid - niet met zich dat in het voorliggende geval de gevolgen van het niet verlenen van de gevraagde verblijfsvergunning onevenredig zijn aan het daarmee te dienen doel.

Deze beroepsgrond faalt.

7. De vreemdelingen hebben voorts betoogd dat hun situatie schrijnend is en dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat een beroep op schrijnende omstandigheden niet in deze procedure aan de orde kan komen.

7.1. Uit de uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2014 in zaak nr. 201404129/1/V1 volgt dat geen rechtsregel meebrengt dat de staatssecretaris een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in het kader van de overgangsregeling tevens als een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wegens bijzondere individuele omstandigheden moet behandelen. Dat de staatssecretaris in sommige gevallen aanleiding heeft gezien om ambtshalve een zodanige verblijfsvergunning te verlenen, laat onverlet dat geen rechtsregel hem daartoe verplicht en dat de vreemdelingen een daartoe strekkende aanvraag kunnen indienen indien zij van mening zijn aanspraak te hebben op een zodanige vergunning.

Deze beroepsgrond faalt.

8. De vreemdelingen hebben verder betoogd dat de staatssecretaris het recht op eerbiediging van het privéleven van vreemdelingen 1, 3, 4 en 5 heeft geschonden. Daartoe hebben zij voornoemd rapport van Defence for Children van 20 november 2014 overgelegd (hierna: het rapport).

In het rapport heeft Defence for Children zich op het standpunt gesteld dat de staatssecretaris te oppervlakkig naar de belangen van vreemdelingen 1, 3, 4 en 5 heeft gekeken en daaraan onvoldoende gewicht heeft toegekend, gelet op de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 6 juli 2010, Neulinger en Shuruk tegen Zwitserland, nr. 41615/07 (hierna: het arrest Neulinger), onderscheidenlijk van 3 oktober 2014, Jeunesse tegen Nederland, nr. 12738/10 (hierna: het arrest Jeunesse; vindplaats van deze en de hierna te noemen arresten: www.echr.coe.int). Het privéleven van vreemdelingen 1, 3, 4 en 5 is volgens het rapport geheel verbonden met de Nederlandse samenleving. Vreemdelingen 1, 3 en 4 zijn op jeugdige leeftijd naar Nederland gekomen - ten tijde van de inreis in 1999 waren zij 3, 4 onderscheidenlijk 9 jaar oud - en vreemdeling 5 is in 2007 in Nederland geboren. Vreemdelingen 3 en 4 volgen hoger beroepsonderwijs en vreemdeling 1 heeft hoger algemeen voortgezet onderwijs gevolgd. Voorts vermeldt het rapport dat terugkeer in Afghanistan vreemdelingen 1, 3, 4 en 5 in een samenleving brengt waarop zij niet zijn voorbereid en waarin zij niet snel zullen kunnen functioneren. Zij zullen een grote taalachterstand hebben die zij niet meer snel zullen kunnen inhalen. Aannemelijk is dat, gelet op hetgeen zij in Nederland aan banden en kansen op ontwikkeling achterlaten, dit een schending van artikel 8 van het EVRM oplevert, aldus het rapport.

8.1. Uit de jurisprudentie van het EHRM - onder meer de arresten Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006, nr. 50435/99, Osman tegen Denemarken van 14 juni 2011, nr. 38058/09, Nunez tegen Noorwegen van 28 juni 2011, nr. 55597/09, en Butt tegen Noorwegen van 4 december 2012, nr. 47017/09, (hierna: het arrest Butt) - en de jurisprudentie van de Afdeling - bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juli 2009 in zaak nr. 200903237/1/V2 - volgt dat bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van het privéleven onderscheidenlijk het familie- en gezinsleven een 'fair balance' moet worden gevonden tussen het belang van de betrokken vreemdeling en diens familie enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken.

Uit het arrest Butt kan voorts worden afgeleid dat zwaarwegende redenen van migratiebeleid in beginsel aanleiding zijn het gedrag van de ouders van een vreemdeling aan de desbetreffende vreemdeling toe te rekenen, in verband met het risico dat ouders gebruik maken van de positie van hun kinderen om een verblijfsrecht te verkrijgen. Indien de desbetreffende vreemdeling dan wel diens ouders konden - althans hadden moeten - weten dat het verblijfsrecht van die vreemdeling onzeker was, bestaat slechts onder bijzondere omstandigheden reden voor de conclusie dat op grond van artikel 8 van het EVRM een verplichting bestaat tot het laten voortzetten van het privéleven onderscheidenlijk familie- en gezinsleven.

8.2. De vreemdelingen hebben eerder aanvragen tot het verlenen van verblijfsvergunningen ingediend die de staatssecretaris alle heeft afgewezen, zodat zij konden weten dat hun verblijfspositie onzeker was. Doordat vreemdeling 2 niet over een verblijfsvergunning beschikt bestaat het risico dat zij gebruik maakt van de positie van vreemdeling 1 om een verblijfsrecht te verkrijgen. Daarom bestaat slechts onder bijzondere omstandigheden reden voor de conclusie dat artikel 8 van het EVRM de staatssecretaris ertoe verplicht het privéleven te laten voortzetten in Nederland.

8.3. De staatssecretaris heeft aan zijn standpunt dat hij artikel 8 van het EVRM niet heeft geschonden, ten grondslag gelegd dat de omstandigheid dat een minderjarige vreemdeling in Nederland is geboren waardoor hij in Nederland geworteld is geraakt, als zodanig geen bijzondere omstandigheid is, nu het inherent is aan langdurig verblijf van minderjarigen dat zij een schoolopleiding genieten en zij, naast familiebanden, ook sociale en culturele banden opbouwen. Voorts heeft de staatssecretaris van belang geacht dat de vreemdelingen gezamenlijk zullen kunnen terugkeren naar Afghanistan en dat vreemdeling 2 en haar echtgenoot beiden in Afghanistan zijn geboren en daar een groot deel van hun leven hebben doorgebracht, zodat in redelijkheid mag worden verwacht dat zij geen onoverkomelijke aanpassingsproblemen zullen ondervinden. Verder valt niet in te zien dat vreemdelingen 1, 3, 4 en 5 in Afghanistan geen nieuwe sociale banden zouden kunnen aangaan, te meer omdat zij in wisselende mate Afghaans spreken dan wel verstaan en vreemdeling 2 en haar echtgenoot hen kunnen helpen de taal verder te ontwikkelen en zich aan te passen aan de cultuur en samenleving in Afghanistan, aldus de staatssecretaris.

8.4. Gelet op hetgeen de vreemdelingen hebben aangevoerd heeft de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het nadeel van de vreemdelingen uitvalt. Uit de enkele, in het rapport genoemde omstandigheid dat de staatssecretaris in het besluit van 7 maart 2014 een aantal keren de vreemdelingen 1, 3, 4 en 5 heeft aangeduid als "hij/zij" terwijl het vier broers betreft, kan niet worden afgeleid dat de staatssecretaris te oppervlakkig naar de belangen van die vreemdelingen heeft gekeken en daaraan onvoldoende gewicht heeft toegekend. De door de vreemdelingen genoemde arresten van het EHRM geven evenmin aanleiding voor dat oordeel aangezien de omstandigheden van de zaken waarop deze arresten zien niet zodanige overeenkomsten met die van de voorliggende zaak vertonen, dat daaruit moet worden afgeleid dat de staatssecretaris ook in deze zaak artikel 8 van het EHRM heeft geschonden.

Deze beroepsgrond faalt.

9. De vreemdelingen hebben vervolgens betoogd dat de staatssecretaris vreemdelingen 1, 2, 4 en 5 ten onrechte een vertrektermijn heeft onthouden en tegen vreemdeling 4 ten onrechte een inreisverbod voor de duur van twee jaren heeft uitgevaardigd. Daartoe hebben zij aangevoerd dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat een risico bestaat dat zij zich aan het toezicht zullen onttrekken.

9.1. De staatssecretaris heeft zijn standpunt doen steunen op de grond dat vreemdelingen 2 en 4 zich in het verleden niet hebben gehouden aan hun vertrekplicht, verscheidene aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning hebben ingediend die alle zijn afgewezen en niet beschikken over voldoende middelen van bestaan, waardoor ingevolge artikel 6.1, in samenhang met artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb 2000 een risico kan worden aangenomen dat de vreemdelingen zich aan het toezicht zullen onttrekken. Ten aanzien van vreemdelingen 1 en 5 heeft de staatssecretaris wegens hun afhankelijkheid van vreemdeling 2 voornoemd risico eveneens aanwezig geacht. In de door de vreemdelingen aangevoerde omstandigheden heeft de staatssecretaris geen aanleiding gezien voor een ander oordeel.

9.2. De vreemdelingen hebben aangevoerd dat zij sinds hun komst naar Nederland in beeld zijn bij de vreemdelingendienst, zich altijd hebben gehouden aan de hun opgelegde meldplicht en staan ingeschreven in de Basisregistratie personen, dat alle kinderen schoolgaand zijn en dat uit de indiening van de verblijfsaanvragen blijkt dat zij zich niet aan het toezicht wensen te onttrekken. Voorts ligt het volgens de vreemdelingen op de weg van de staatssecretaris om aan te tonen dat zij niet zouden beschikken over voldoende middelen van bestaan.

9.3. Vreemdeling 2 en haar echtgenoot hebben, mede namens hun ten tijde van belang minderjarige kinderen, sedert 1999 vier maal een asielaanvraag ingediend, welke aanvragen alle zijn afgewezen. Aan hun plicht om Nederland te verlaten hebben zij niet voldaan. Gelet hierop en in aanmerking genomen hetgeen de vreemdelingen thans hebben aangevoerd, heeft de staatssecretaris aannemelijk kunnen achten dat vreemdeling 2 en in het voetspoor hiervan vreemdelingen 1, 4 en 5 ook nu niet aan hun vertrekplicht zullen voldoen, in verband waarmee het risico bestaat dat zij zich aan het toezicht zullen onttrekken.

Deze beroepsgrond faalt.

10. De vreemdelingen hebben ten slotte betoogd dat zij ten onrechte niet zijn gehoord.

10.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 5 december 2008 in zaak nr. 200802115/1 mag de staatssecretaris krachtens artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van horen afzien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de motivering van de besluiten van 27 augustus 2013 en hetgeen de vreemdelingen daartegen in bezwaar hebben aangevoerd, mede bezien in het licht van hetgeen onder 4. tot en met 9.3. is overwogen, is aan deze maatstaf voldaan.

Deze beroepsgrond faalt.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 5 december 2014 in zaak nr. 14/7765;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. De Groot

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2016

210-588.