Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:573

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-02-2016
Datum publicatie
02-03-2016
Zaaknummer
201505895/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:8579, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 april 2014 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505895/1/V2.

Datum uitspraak: 24 februari 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 26 juni 2015 in zaak nr. 14/10159 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2014 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 26 juni 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M. Terpstra, advocaat te Amsterdam, heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De vreemdeling is afkomstig uit Somalië. Zij heeft aan haar aanvraag ten grondslag gelegd dat zij een alleenstaande vrouw is en dat haar herkomstgebied, gelegen 15 kilometer ten oosten van Afgoye, onder controle staat van Al-Shabaab. Zij vreest dat zij bij terugkeer door Al-Shabaab als terugkeerder zal worden herkend en om die reden een reëel risico zal lopen op een onmenselijke behandeling. Zij heeft daarbij verwezen naar het algemeen ambtsbericht inzake Somalië van de minister van Buitenlandse Zaken van december 2014 (hierna: het ambtsbericht van december 2014), het beleid over Somalië en het Zweedse rapport "Säkerhetssituationen i södra och centrala Somalia" van Lifos van 20 januari 2014 (hierna: het rapport van januari 2014). Volgens de rechtbank heeft de staatssecretaris het besluit van 25 april 2014 ondeugdelijk gemotiveerd. Zij heeft om die reden dat besluit vernietigd. De staatssecretaris komt hier tegen op.

2. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat juist zij zal worden geconfronteerd met Al-Shabaab. De staatssecretaris voert hiertoe aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat, gelet op de geringe aanwezigheid van Al-Shabaab in het herkomstgebied van de vreemdeling, de enkele omstandigheden dat de vreemdeling behoort tot een minderheidsclan en enige tijd in het westen heeft verbleven onvoldoende zijn om aannemelijk te achten dat juist zij vanwege de verdenking van spionage zal worden geconfronteerd met Al-Shabaab.

3. De rechtbank heeft onbestreden overwogen dat het herkomstgebied van de vreemdeling niet onder volledige controle van Al-Shabaab staat. Voorts heeft zij onbestreden overwogen dat de vreemdeling, gelet op het Besluit van 11 mei 2015, nummer WBV 2015/7, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, daarom aannemelijk dient te maken dat juist zij zal worden geconfronteerd met Al-Shabaab.

3.1. In de eerdere procedures is, zoals de staatssecretaris terecht heeft aangevoerd, in rechte komen vaststaan dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een alleenstaande vrouw is en dat er in het geheel geen clanleden meer aanwezig zijn. Zoals de staatssecretaris terecht heeft aangevoerd, kan uit het ambtsbericht van december 2014 noch uit het rapport van januari 2014 worden afgeleid dat voor een vrouw die behoort tot een minderheidsclan in een gebied dat niet onder volledige controle van Al-Shabaab staat, een reëel risico op een met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) strijdige behandeling zonder meer dient te worden aangenomen. De staatssecretaris heeft zich daarnaast terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling haar stelling dat zij als gevolg van haar activiteiten in Nederland in de negatieve belangstelling van Al-Shabaab is komen te staan op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt. Hiermee heeft de staatssecretaris zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat juist de vreemdeling bij terugkeer naar haar herkomstgebied zal worden geconfronteerd met Al-Shabaab en om die reden een reëel risico zal lopen op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. De grief slaagt.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 25 april 2014 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

5. De vreemdeling heeft in beroep aangevoerd dat zich in Zuid- en Centraal-Somalië een uitzonderlijke situatie voordoet waartegen artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) bescherming biedt (hierna ook: een uitzonderlijke situatie). Zij heeft daarbij verwezen naar het ambtsbericht van december 2014, het rapport van de United Nations High Commissioner for Refugees 'International Protection Considerations with Regard to People fleeing Southern and Central Somalia' van januari 2014, het rapport 'Country Report on Human Rights Practices' van het U.S. Department of State van februari 2014 en het rapport 'Operational guidance note Somalia' van het UK Home Office van september 2013.

5.1 In het besluit van 25 april 2014 en het voornemen daartoe heeft de staatssecretaris zich, zoals toegelicht in beroep, op het standpunt gesteld dat zich in Zuid- en Centraal-Somalië niet een uitzonderlijke situatie voordoet. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat uit de door de vreemdeling overgelegde rapporten noch uit het algemeen ambtsbericht inzake Somalië van de minister van Buitenlandse Zaken van december 2013 (hierna: het ambtsbericht van december 2013) kan worden afgeleid dat zich in Zuid- en Centraal-Somalië de uitzonderlijke situatie voordoet. Uit het ambtsbericht van december 2014 kan dit evenmin worden afgeleid, aldus de staatssecretaris.

5.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraken van 27 februari 2015 in zaak nr. 201408987/1/V2 onderscheidenlijk 201409480/1/V2 beoogt artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw 2000 bescherming te bieden in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt op de in dat artikelonderdeel bedoelde bedreiging.

Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (uitspraken van 25 mei 2009 in zaak nr. 200702174/2/V2 en 22 maart 2012 in zaak nr. 201107996/1/V1) valt deze uitzonderlijke situatie onder de 'most extreme case of general violence', bedoeld in het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 17 juli 2008, nr. 25904/07, NA. tegen het Verenigd Koninkrijk (www.echr.coe.int).

Zoals verder volgt uit voormelde uitspraken van de Afdeling van 27 februari 2015, is bij de beoordeling of zich een dergelijke situatie voordoet, onder meer van belang of de bij het gewapend conflict betrokken partijen zich richten tegen burgers dan wel vechten op een manier die het risico op willekeurige burgerslachtoffers vergroot, het gebruik van dergelijke middelen van geweldpleging wijdverspreid is, het gewapend conflict al dan niet beperkt is tot bepaalde gebieden, het al dan niet aanwezig zijn van een veiligheidsstructuur alsmede het aantal burgers dat slachtoffer is geworden van het geweld dan wel als gevolg daarvan ontheemd is geraakt.

5.3. Hoewel uit de ambtsberichten van december 2013 en december 2014 en de door de vreemdelingen aangehaalde stukken, die bij totstandkoming van voormelde ambtsberichten zijn betrokken, blijkt dat de veiligheidssituatie in Zuid- en Centraal-Somalië nog steeds onvoorspelbaar en complex is en daaruit niet kan worden opgemaakt dat alle daarin vermelde slachtoffers deelnemers waren aan de gewapende strijd, dan wel slachtoffers waren van gerichte acties, komt daaruit wel het beeld naar voren dat het geweld voornamelijk gericht is en niet willekeurig van aard. Hoewel nog steeds aanslagen plaatsvinden waarbij burgers slachtoffer worden en gevechtsmethoden worden gebruikt, zoals hit-en-run aanslagen en guerrilla-technieken, waarbij burgers risico's lopen, is het geweld van Al-Shabaab met name gericht tegen de Somalische autoriteiten. Voorts kan uit die stukken niet worden opgemaakt dat de veiligheidssituatie in wezenlijke mate is verslechterd ten opzichte van de situatie ten tijde van de uitspraak van de Afdeling van 30 september 2013 in zaak nr. 201206376/1/V2. Zoals de staatssecretaris immers terecht heeft aangevoerd, blijkt uit onder meer het ambtsbericht van december 2014 dat Al-Shabaab in 2014 verzwakt is geraakt. Bovenstaande in aanmerking genomen heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat geen zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar Zuid- en Centraal-Somalië, louter door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt op de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw 2000 bedoelde bedreiging. De beroepsgrond faalt.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 26 juni 2015 in zaak nr. 14/10159;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Yildiz

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2016

594.