Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:561

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-03-2016
Datum publicatie
02-03-2016
Zaaknummer
201504368/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 april 2015, kenmerk 15-54, heeft de raad het bestemmingsplan "Zeeuws Evenementenpodium" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2016/95
JOM 2016/207
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201504368/1/R2.

Datum uitspraak: 2 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging Vereniging Ondernemers Middelburg en de vereniging Vereniging van Gebruikers Mortiereboulevard, beide gevestigd te Middelburg, en anderen (hierna: de Verenigingen en anderen),

appellanten,

en

1. de raad van de gemeente Middelburg,

2. het college van burgemeester en wethouders van Middelburg,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 20 april 2015, kenmerk 15-54, heeft de raad het bestemmingsplan "Zeeuws Evenementenpodium" vastgesteld.

Bij besluit van 21 april 2015, kenmerk 63366, heeft het college aan T.C.U.C. Consultancy B.V. op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een winkelgebouw op het perceel Podium 29 te Middelburg.

Tegen deze besluiten hebben de Verenigingen en anderen beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft Decathlon Netherlands B.V. een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De raad en het college hebben een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 november 2015, waar de Verenigingen en anderen, vertegenwoordigd door mr. J.A. de Waard, advocaat te Goes, en de raad en het college, beide vertegenwoordigd door P. Mondeel, J. Dooms, C.J. Helmendach en A.J.W. Kuiper, allen werkzaam bij de gemeente, en bijgestaan door R.G.M. Louwes, zijn verschenen.

Verder zijn T.C.U.C. Consultancy B.V., vertegenwoordigd door ir. J.N. van der Kraats, [bedrijf] (thans: Retail Park Netherlands B.V.), vertegenwoordigd door mr. P.M.L. Schilder Spel en mr. R.J.T. Vos, beiden advocaat te Utrecht, en Decathlon Netherlands B.V., vertegenwoordigd door mr. R.G. Wakelkamp, daar als partij gehoord.

Overwegingen

Het plan en de omgevingsvergunning

1. Het plan voorziet in een planologische regeling voor het terrein van het Zeeuws Evenementen Podium (het zogenoemde ZEP Vrijetijdspark) dat deel uitmaakt van de wijk Mortiere in de gemeente Middelburg (hierna: het plangebied). Aan de gronden van het plangebied zijn de bestemmingen "Gemengd - ZEP" en "Verkeer - Verblijfsgebied" toegekend. De voor "Gemengd - ZEP" aangewezen gronden zijn onder meer bestemd voor detailhandel met bijbehorende zogenoemde "try and buy"-voorzieningen, sportvoorzieningen en parkeervoorzieningen.

Het plangebied is gelegen aan een belangrijke entree van de gemeente Middelburg en grenst aan de west- en zuidzijde aan de Schroeweg en de afrit van de A58 en aan de oost- en noordzijde aan nog niet in gebruik zijnde gronden bestemd voor de vestiging van bedrijven.

De omgevingsvergunning is verleend voor het in het plangebied bouwen van een winkelgebouw met een expo, sportvelden en parkeervoorzieningen in de buitenruimte op de gronden van het perceel Podium 29.

Het besluit van 20 april 2015 tot vaststelling van het plan en het besluit van 21 april 2015 tot verlening van de omgevingsvergunning zijn met toepassing van artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt.

De binnen het plangebied reeds toegestane en benutte bouw- en gebruiksmogelijkheden

2. In het bestemmingsplan "Mortiere", door de raad vastgesteld op 7 juli 2003 en door het college van gedeputeerde staten van Zeeland goedgekeurd op 10 februari 2004, is aan de gronden van het thans aan de orde zijnde plangebied de bestemming "Bedrijfsdoeleinden II" toegekend. Ingevolge artikel 5, lid 5.1 en lid 5.2, van de voorschriften van dat bestemmingsplan zijn de gronden met deze bestemming bestemd voor bedrijven en bedrijfsactiviteiten en voor kantoorachtige bedrijven, voor zover deze nader zijn omschreven en voorkomen in de bij de voorschriften gevoegde bijlage 1. De bij dat bestemmingsplan behorende plankaart voorziet hiertoe in bouwvlakken waar op de gronden van het thans aan de orde zijnde plangebied voor een bebouwingspercentage van 50% gebouwen zijn toegestaan met een maximale bouwhoogte van 12 m.

Ingevolge lid 5.4 is onder meer detailhandel, met uitzondering van productie gebonden detailhandel, daarvan uitgezonderd.

Bij besluit van 28 maart 2008 heeft het college aan [bedrijf] voor het perceel kadastraal bekend als gemeente Middelburg, sectie P, nummers 1914, 1987 en 2230, plaatselijk bekend als Hoek A58 Schroeweg-Tromboneweg een bouwvergunning (thans: omgevingsvergunning voor bouwen) verleend voor het bouwen van een vrijetijdspark op de gronden van het thans aan de orde zijnde plangebied. Daarbij is met toepassing van het bepaalde in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (oud) vrijstelling verleend van het bestemmingsplan "Mortiere" (hierna: het vrijstellingsbesluit). Het vrijstellingsbesluit voorziet in de realisering van onder andere detailhandel, een museum, een muziek- en evenementenhal, een sportcentrum, een attractiepark, een kartbaan, horeca en een school.

Bij besluit van 17 december 2008 heeft het college aan [bedrijf] voor de percelen kadastraal bekend als gemeente Middelburg, sectie P, nummers 1914, 1987 en 2230, plaatselijk bekend als Podium 25, 27, 29 en 31, onder verwijzing naar het vrijstellingsbesluit een bouwvergunning verleend voor het bouwen van een horecavoorziening en sportvoorziening.

Bij besluit van 23 maart 2011 heeft het college aan Klimavontuur Nederland B.V. met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo met afwijking van het bestemmingsplan, en onder verwijzing naar het vrijstellingsbesluit, een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een klimpark inclusief klimtoren op het perceel kadastraal bekend als gemeente Middelburg, sectie P, nummer 2668, plaatselijk bekend als Podium 29.

2.1. Ten tijde van de vaststelling van het thans voorliggende plan was het ZEP Vrijetijdspark met de bij genoemde bouwvergunningen vergunde gebouwen, bouwwerken en verdere voorzieningen volledig gerealiseerd. Het plan en de thans aan de orde zijnde omgevingsvergunning voorzien in de mogelijkheid op de gronden van het perceel Podium 29, waarvoor bij het genoemde besluit van 23 maart 2011 een omgevingsvergunning is verleend voor het realiseren van een klimpark inclusief klimtoren, een winkelgebouw met daarbij behorende voorzieningen te realiseren. Aangezien binnen het plangebied het in het vrijstellingsbesluit toegestane totaal oppervlak aan detailhandel nog niet volledig is benut, is er volgens de raad nog ruimte voor de realisering van een winkelgebouw binnen dit plandeel. De raad heeft daarmee als uitgangspunt voor het plan genomen dat het binnen het plangebied toegestane oppervlak aan detailhandel gelijk blijft aan het oppervlak waarvan is uitgegaan in de ruimtelijke onderbouwing die aan het vrijstellingsbesluit ten grondslag ligt.

Toetsingskader besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan

3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep

4. Het beroep is ingediend door winkelondernemingen die zich hebben georganiseerd in de Vereniging Ondernemers Middelburg en de Vereniging van Gebruikers Mortiereboulevard en door een aantal individuele ondernemers die in Middelburg een winkelvestiging hebben.

Ter zitting is het beroep ingetrokken, voor zover dit is ingediend door Brahema B.V. en Multi-Vlaai Goes.

4.1. Het beroep van de Verenigingen en anderen is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Gemengd - ZEP" en een bouwvlak betreffende de gronden aan Podium 29, voor zover daar voorzien is in detailhandel, sportvoorzieningen en parkeervoorzieningen.

4.2. Verder richt het beroep van de Verenigingen en anderen zich tegen de voor het perceel Podium 29 verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van een winkel met de daarbij behorende buitenruimte.

De Verenigingen en anderen hebben ter zitting verklaard dat ze ervan uitgaan dat de omgevingsvergunning in overeenstemming is met het plan. Voor zover de Afdeling in hun beroepsgronden tegen het plan aanleiding ziet het plan te vernietigen, dan dient de omgevingsvergunning volgens hen eveneens te worden vernietigd.

De beoogde invulling van het in de omgevingsvergunning vergunde winkelgebouw

5. Met het in de verleende omgevingsvergunning op de gronden van het perceel Podium 29 binnen het plangebied vergunde winkelgebouw is beoogd te voorzien in een winkelvestiging van Decathlon voor de verkoop van sportartikelen. In de winkel zullen voor veel artikelen testgebieden voor klanten worden ingericht en kunnen ook de gangpaden worden gebruikt om de aangeboden artikelen (gratis) te testen (de zogenoemde "try and buy"-voorzieningen). Het is volgens Decathlon de bedoeling dat de in de buitenruimte voorziene sportvelden openbaar toegankelijk zijn, ongeacht of iemand een artikel in de winkel koopt, en dat deze sportvelden kunnen worden gebruikt om aangeboden artikelen buiten te testen en dat zij worden gebruikt voor sportieve activiteiten en evenementen, georganiseerd door Decathlon of in samenwerking met scholen en sportverenigingen. In de buitenruimte zal verder worden voorzien in een expo, waarvan het de bedoeling van Decathlon is deze te gebruiken voor de presentatie van grotere artikelen, zoals tenten, tafeltennistafels, kajaks en dergelijke, die uitsluitend in het winkelgebouw worden verkocht. De op het expoterrein uitgestalde artikelen zijn nadrukkelijk niet bedoeld om ter plaatse door klanten te worden getest, aldus Decathlon.

Provinciaal beleid en regelgeving met betrekking tot detailhandel en de omvang van de in het plan toegestane detailhandel

6. De Verenigingen en anderen betogen dat het plan in strijd is met het provinciale detailhandelsbeleid, zoals dit is neergelegd in het Omgevingsplan Zeeland 2012-2018 (hierna: het Omgevingsplan), en met de Verordening Ruimte Provincie Zeeland (hierna: de Verordening).

Zij voeren hiertoe aan dat het ZEP Vrijetijdspark niet is aangewezen als kernwinkelgebied, waardoor de vestiging van nieuwe detailhandel ter plaatse in beginsel niet is toegestaan. Hoewel in de Verordening ten aanzien van het ZEP Vrijetijdspark hierop een uitzondering is gemaakt, wordt niet aan de daarbij gestelde voorwaarden voldaan. Deze voorwaarden zijn dat detailhandel ondersteunend dient te zijn aan dagrecreatieve voorzieningen en ten opzichte daarvan een ondergeschikte rol moet hebben en dat detailhandel maximaal 20% van het bruto vloeroppervlak mag bedragen.

Zij zijn van mening dat de op de gronden van het plandeel en in de omgevingsvergunning voorziene zogenoemde "try and buy"-voorzieningen, die beoogd zijn mede te worden gebruikt voor de uitstalling en het uittesten van producten door klanten en daarmee ten dienste staan van de verkoop van artikelen, als winkelruimte ten behoeve van detailhandel moeten worden aangemerkt. Dit betekent volgens hen dat de "try and buy"-voorzieningen die op de gronden buiten het bouwvlak en het voorziene hoofdgebouw mogelijk zijn wat de oppervlakte daarvan betreft meegeteld dienen te worden met de ingevolge de Verordening toegestane maximale omvang van het vloeroppervlak aan detailhandel.

6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in het plan het maximum bedrijfsvloeroppervlak en winkelvloeroppervlak aan detailhandel niet worden gewijzigd ten opzichte van het in het vrijstellingsbesluit toegestane maximum bruto vloeroppervlak van 6.612 m2 en het maximum winkelvloeroppervlak van 5.400 m2, waarvan voor zogenoemde "try and buy"-voorzieningen een bruto vloeroppervlak van 612 m2 en een maximum winkelvloeroppervlak van 500 m2. De in het plan toegestane "try and buy" is volgens de raad voorzien in het binnen het bouwvlak voorziene winkelgebouw in speciaal daarvoor aangelegde bredere gangpaden.

De raad staat op het standpunt dat met het plan aan de voorwaarden van de Verordening en het Omgevingsplan wordt voldaan. Hij acht hiertoe van belang dat het toegestane maximale bedrijfsvloeroppervlak voor detailhandel en "try and buy" in de planregels is vastgelegd, dat dit wat de omvang betreft maximaal 20% van het bruto vloeroppervlak van het bebouwde oppervlak van het plangebied bedraagt en dat de in het plangebied toegestane detailhandel wat de branchering betreft inhoudelijk is gerelateerd aan de binnen het plangebied voorziene grootschalige dagrecreatieve voorzieningen.

De voorzieningen die buiten het bouwvlak zijn beoogd - de sportvelden en de expo - behoren volgens de raad niet tot het vloeroppervlak van de bebouwing en de oppervlakte daarvan behoeft derhalve voor het maximaal toegestane vloeroppervlak aan detailhandel niet te worden meegeteld. De aanwezigheid van een hek met een hoogte van 2 meter, dat in de omgevingsvergunning als afscheiding van de expo is beoogd, maakt volgens de raad niet dat deze buitenruimte alsnog tot het bedrijfsvloeroppervlak of het winkelvloeroppervlak moet worden gerekend. De raad merkt in dit verband verder op dat het beoogde gebruik van de voorzieningen in de buitenruimte in het plan niet wordt gerekend tot "try and buy" en dat de voorgenomen activiteiten ter plaatse geen verkoop van artikelen betreffen.

Ter onderbouwing van zijn standpunt dat met het plan aan de voorwaarden van de Verordening en het Omgevingsplan wordt voldaan verwijst de raad naar de brief van het college van gedeputeerde staten van Zeeland van 22 oktober 2015. Hierin onderschrijft het college van gedeputeerde staten dat de door de raad in het plan gehanteerde interpretatie en berekening van de toegestane oppervlakte aan ondersteunende detailhandel op het ZEP Vrijetijdspark voldoet aan de kaders van de Verordening en het Omgevingsplan en dat de invulling van het plangebied met de voorziene winkelvestiging van Decathlon aansluit op de huidige en beoogde sport- en spelvoorzieningen van het ZEP Vrijetijdspark.

Relevante bepalingen van de Verordening

6.2. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder r, van de Verordening wordt in de verordening en de daarop berustende bepalingen onder detailhandel verstaan het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, verkopen en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor eigen gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

Ingevolge artikel 2.2, achtste lid, worden in een bestemmingsplan nieuwe detailhandelsvoorzieningen, daaronder mede verstaan de uitbreiding van bestaande detailhandelsvoorzieningen, primair toegelaten in bestaande kernwinkelgebieden. In de toelichting bij een bestemmingsplan waarin nieuwe detailhandelsvoorzieningen, met inbegrip van de uitbreiding van bestaande -voorzieningen, worden toegelaten wordt inzicht gegeven in de wijze waarop het plan bijdraagt aan het beleidsdoel van bundeling en concentratie in bestaande kernwinkelgebieden.

Ingevolge het negende lid is het achtste lid niet van toepassing op de in bijlage 2 bij deze verordening genoemde categorieën.

In bijlage 2 wordt onder categorie C als uitzondering benoemd dat in een bestemmingsplan detailhandelsvoorzieningen kunnen worden toegelaten ter ondersteuning van dagrecreatieve voorzieningen indien de detailhandel inhoudelijk gerelateerd is aan de dagrecreatieve voorziening en wat de omvang betreft daaraan ondergeschikt is in die zin dat voor het Zeeuws Evenementenpodium te Middelburg detailhandel is toegestaan tot een maximum van 20% van het bruto vloeroppervlak. In een bestemmingsplan worden nieuwe detailhandelsvoorzieningen niet toegelaten buiten de in artikel 2.2 en deze bijlage geboden mogelijkheden.

Relevante passages uit het Omgevingsplan

6.3. In het Omgevingsplan is met betrekking tot de vestiging van detailhandel, voor zover hier van belang, het volgende opgemerkt. Als voorzieningen regionaal of zelfs voor heel Zeeland van belang zijn, is afstemming op hoger niveau nodig. Het Stedennetwerk Z4, bestaande uit de vier grotere Zeeuwse steden Goes, Middelburg, Vlissingen en Terneuzen, heeft hierin een bijzondere rol en verantwoordelijkheid. Hier zijn grote en gespecialiseerde voorzieningen voor alle Zeeuwen gebundeld. Een goede afstemming binnen het stedennetwerk biedt kansen voor het aantrekken van voorzieningen die nu nog in Zeeland ontbreken. Grootschalige (leisure)voorzieningen worden bij voorkeur in een van de vier stedelijke gebieden gevestigd. Ten aanzien van detailhandel wordt opgemerkt dat de duurzaamheidsladder voor stedelijke ontwikkeling hierop van toepassing is. Vanuit zorgvuldig ruimtegebruik, bundeling van functies en versterking van attractieve steden ziet de provincie (binnenstedelijke) kernwinkelgebieden als primaire vestigingsplaats voor detailhandel. Kernwinkelgebieden vervullen een belangrijke economische functie voor bewoners en toeristen en verdienen bescherming. In kernen zonder kernwinkelgebied is ruimte voor lokale detailhandel en buiten bestaand bebouwd gebied zijn kleinschalige en aan het buitengebied gebonden vormen van detailhandel mogelijk. Detailhandel ter ondersteuning van grootschalige dagrecreatieve voorzieningen ("leisure" zoals Zeelandhallen Goes, ZEP Middelburg en Skihal Terneuzen) is als kostendrager voor ontwikkeling toegestaan, mits inhoudelijk gerelateerd aan de voorziening en ondergeschikt qua omvang van het totale concept (regulier 5% van het bebouwde oppervlak en als uitzondering maximaal 20% bij ZEP Middelburg en Skihal Terneuzen).

Relevante planregels

6.4. Ingevolge artikel 1, lid 1.13, van de planregels wordt in het plan onder bedrijfsvloeroppervlak verstaan de totale vloeroppervlakte van een kantoor, winkel of bedrijf met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten in een gebouw.

Ingevolge lid 1.34, wordt in het plan onder detailhandel verstaan het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen, die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, alsmede anders dan voor gebruik ter plaatse.

Ingevolge lid 1.69 wordt in het plan onder try en buy verstaan vloeroppervlak verbonden met de detailhandel waar de aangeboden artikelen ter plaatse (gratis) kunnen worden geprobeerd op specifiek daarvoor ingericht vloeroppervlak.

Ingevolge lid 1.78 wordt in het plan onder winkelvloeroppervlak verstaan de vloeroppervlakte van voor het publiek toegankelijke ruimten in een winkel.

Ingevolge artikel 2, lid 2.9, wordt in het plan onder vloeroppervlakte verstaan de gebruiksvloeroppervlakte volgens NEN 2580.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, voor zover hier van belang, zijn de voor "Gemengd - ZEP" (GD - ZEP) aangewezen gronden bestemd voor:

a. dagrecreatie;

b. sportvoorzieningen;

c. cultuur en ontspanning;

d. detailhandel;

e. verkeer en verblijfsgebied;

f. verblijf in openbare ruimte;

g. attractiepark;

h. horeca uit ten hoogste categorie 2 van de Staat van Horeca-activiteiten;

i. onderwijs en kinderopvang;

j. muziek- en evenementenhal met bijbehorende horeca uit ten hoogste categorie 3 van de Staat van Horeca-activiteiten;

k. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water, nutsvoorzieningen, terrassen, interne ontsluitingswegen en parkeervoorzieningen.

Ingevolge lid 3.2.1, voor zover hier van belang, gelden voor het bouwen de regels dat op deze gronden ter plaatse van het bouwvlak mogen worden gebouwd hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bijgebouwen in de vorm van kiosken.

Ingevolge lid 3.4 gelden met betrekking tot het gebruik, voor zover hier van belang, de volgende regels:

a. voor detailhandel en "try and buy" is niet meer bedrijfsvloeroppervlak dan 6.612 m2 toegestaan;

b. voor detailhandel en "try and buy" is niet meer winkelvloeroppervlak dan 5.400 m2 toegestaan;

c. van detailhandel als bedoeld onder b is uitsluitend de volgende detailhandel toegestaan en niet meer winkelvloeroppervlak dan:

1. voor ‘sport’ 2.700 m2;

2. voor ‘spel’ 2.700 m2;

3. voor ‘multimedia’ 1.350 m2;

4. voor ‘autoaccessoires en fiets’ 900 m2;

5. voor ‘overige niet-dagelijkse goederen’ 675 m2;

6. voor ‘dagelijkse goederen’ niet meer dan 450 m2;

d. van de muziek- en evenementenhal is niet meer bedrijfsvloeroppervlak dan 5.000 m2 toegestaan;

(….).

Het Omgevingsplan

6.5. De Afdeling overweegt dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet aan provinciaal beleid is gebonden. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken. In de plantoelichting is de raad ingegaan op het provinciaal beleid, zoals dit is neergelegd in het Omgevingsplan. Hieruit blijkt dat de raad bij de vaststelling van het plan het provinciaal beleid in zoverre in zijn belangenafweging heeft betrokken.

De Verordening

6.6. Bij de vaststelling van het plan is de raad aan de Verordening gebonden. Uit de toelichting van de Verordening, voor zover relevant, blijkt dat de onderwerpen die in de Verordening worden geregeld reeds onderdeel zijn van het Omgevingsplan. Bij het ‘vertalen’ van de beleidsdoelen uit het Omgevingsplan in de Verordening is getracht zoveel mogelijk ‘beleidsneutraal’ te werken. Daarmee wordt bedoeld dat niet is beoogd beleidswijzigingen ten opzichte van het Omgevingsplan door te voeren. Voor de motivering van de in de Verordening geregelde onderwerpen wordt in de toelichting van de Verordening verwezen naar het Omgevingsplan.

Omvang van het bruto vloeroppervlak aan detailhandel

6.7. Voor de beantwoording van de vraag of de in het plan toegestane omvang aan bedrijfsvloeroppervlak detailhandel in overeenstemming is met de daarvoor geldende voorwaarden van de Verordening is allereerst van belang wat de totale omvang is van het in het plan begrepen maximale bedrijfsvloeroppervlak. Volgens de Verordening geldt voor het plangebied ZEP Vrijetijdspark te Middelburg dat detailhandel is toegestaan tot een maximum van 20% van het bruto vloeroppervlak. In het Omgevingsplan is dit aangeduid als maximaal 20% van het bebouwde oppervlak. De Afdeling stelt vast dat de Verordening geen definitie geeft van het begrip bruto vloeroppervlak.

In het plan is voor de wijze van meten van de in het plan toegestane detailhandel en "try and buy" het begrip bedrijfsvloeroppervlak gehanteerd. Het begrip bruto vloeroppervlak wordt in het plan niet gehanteerd.

Ter zitting heeft de raad voor de uitleg van het in de Verordening gehanteerde begrip bruto vloeroppervlak gewezen op de hiervoor gangbare definitie dat hieronder wordt verstaan de vloeroppervlakte van de ruimten binnen een gebouw. Voor dit begrip kan volgens de raad aansluiting worden gezocht bij de definiëring hiervan in NEN 2580. Verder heeft de raad hierbij in aanmerking genomen dat het Omgevingsplan het als maximum toegestane percentage aan detailhandel aanduidt als het bebouwde oppervlak. Dit betekent volgens de raad dat het in de planregels gehanteerde begrip bedrijfsvloeroppervlak, gelet op de hiervan in artikel 1, lid 1.13, van de planregels gegeven definitie, overeenkomt met het maximum bruto vloeroppervlak als bedoeld in de Verordening.

In NEN 2580 wordt onder bruto vloeroppervlak verstaan, de vloeroppervlakte van de ruimte, dan wel van meerdere ruimten van een vastgoedobject gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de (buitenste) opgaande scheidingsconstructie, die de desbetreffende ruimte(n) omhullen. Uit de toelichting bij NEN 2580 blijkt dat indien wordt gesproken over bruto vloeroppervlak normaliter het bruto vloeroppervlak van een gebouw wordt bedoeld. Nu onder bedrijfsvloeroppervlak in het plan wordt verstaan de totale vloeroppervlakte van een winkel met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten in een gebouw, acht de Afdeling de door de raad gegeven uitleg van het begrip bruto vloeroppervlak in de Verordening niet onjuist.

6.8. Blijkens de plantoelichting beslaan de in het plangebied toegestane bouwvlakken waarop gebouwen mogen worden gerealiseerd een oppervlak van 33.060 m2. Volgens de Verordening mag maximaal 20% daarvan worden toegelaten voor detailhandelsvoorzieningen ter ondersteuning. Dit betekent dat ingevolge de Verordening in het plan maximaal een bruto vloeroppervlak van 6.612 m2 voor detailhandel mag worden bestemd. Dit is in het plan vastgelegd door in artikel 3, lid 3.4, van de planregels te bepalen dat voor detailhandel en "try and buy" niet meer bedrijfsvloeroppervlak dan 6.612 m2 is toegestaan.

Niet in geschil is dat van dat totaal bedrijfsvloeroppervlak op de thans niet in geding zijnde plandelen van het plangebied al een oppervlakte van 4.063,5 m2 is benut met de realisering van gebouwen ten behoeve van detailhandelsvoorzieningen. Dit betekent dat het plan voorziet in een uitbreiding van detailhandelsvoorzieningen met een maximum bedrijfsvloeroppervlak van 2.548,5 m2. Uit de tekening behorend bij de omgevingsvergunning blijkt dat de vergunning is verleend voor de oprichting van een gebouw op het perceel Podium 29 met een bedrijfsvloeroppervlak van 2.508 m2, hetgeen overeenkomt met een winkelvloeroppervlak van 2.045 m2.

Uit het vorenstaande blijkt dat met de aan de gronden van het plandeel toegekende bestemming "Gemengd - ZEP" en het bouwvlak en de daarbij toegestane detailhandel wordt gebleven binnen de totale omvang van het binnen het plangebied voor detailhandel en "try and buy" toegestane bedrijfsvloeroppervlak van 6.612 m2.

6.9. Uit de begripsbepaling van "try and buy" in artikel 1, lid 1.69, van de planregels volgt dat het daarbij gaat om vloeroppervlak verbonden met de detailhandel waar de aangeboden artikelen ter plaatse (gratis) kunnen worden geprobeerd op specifiek daarvoor ingericht vloeroppervlak en uit de begripsbepaling van bedrijfsvloeroppervlak, waarbinnen ingevolge artikel 3, lid 3.4, detailhandel en "try and buy" is toegestaan, volgt dat daaronder wordt verstaan de totale vloeroppervlakte van een winkel met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten in een gebouw. Uit dit samenstel van planregels volgt naar het oordeel van de Afdeling dat de "try and buy"-voorzieningen uitsluitend zijn toegestaan binnen een gebouw en uit artikel 3, lid 3.2.1, van de planregels volgt dat hoofdgebouwen, bouwwerken en bijgebouwen in de vorm van kiosken uitsluitend ter plaatse van het bouwvlak mogen worden gebouwd. Dit betekent dat ingevolge het plan het gebruik van de buitenruimte ten behoeve van "try and buy" niet is toegestaan.

Voor zover de gronden van het plandeel waaraan de bestemming "Gemengd - ZEP" is toegekend buiten het bouwvlak liggen en deze blijkens de bij de omgevingsvergunning behorende tekening zijn beoogd te worden gebruikt als sportvelden en een expo, is de Afdeling met de raad van oordeel dat deze gronden niet kunnen worden gerekend tot het bedrijfsvloeroppervlak waarop volgens de planregels detailhandel en "try and buy" is toegestaan. Gelet hierop is de omvang van deze gronden niet van belang voor de beantwoording van de door de Verenigingen en anderen opgeworpen vraag of daarmee de ingevolge de Verordening voor het plangebied toegestane totale omvang aan detailhandel van 6.612 m2 wordt overschreden.

6.10. Gelet op het vorenstaande bestaan geen aanknopingspunten voor het oordeel dat met het in het plan toestaan van een bedrijfsvloeroppervlak van maximaal 6.612 m2 voor detailhandel en "try and buy" niet wordt voldaan aan de voorwaarde van de Verordening dat voor het Zeeuws Evenementenpodium te Middelburg detailhandel is toegestaan tot een maximum van 20% van het bruto vloeroppervlak.

Ondersteuning en inhoudelijke relatie van detailhandel aan de dagrecreatieve voorziening

6.11. Verder dient het plan te voldoen aan de voorwaarde van de Verordening dat detailhandelsvoorzieningen kunnen worden toegelaten ter ondersteuning van dagrecreatieve voorzieningen indien de detailhandel inhoudelijk gerelateerd is aan de dagrecreatieve voorziening. In het Omgevingsplan is een soortgelijke bepaling opgenomen.

Voor het op de gronden van het plangebied mogelijk maken van de dagrecreatieve voorzieningen en de detailhandel voorziet het plan in artikel 3, lid 3.1, van de planregels daartoe in een bestemmingsregeling.

Ter regulering van de beoogde specifieke vormen van detailhandel is in lid 3.4 voorzien in een branchering, als bedoeld in artikel 3.1.2, tweede lid, van het Bro, die zich beperkt tot de branches sport en spel, fiets en autoaccessoires en multimedia en in beperkte omvang tot overige (niet) dagelijkse goederen.

6.12. Uit de plantoelichting en de ruimtelijke onderbouwing die deel uitmaakt van het vrijstellingsbesluit, waarnaar in de plantoelichting wordt verwezen, blijkt dat de doelstelling van de in het plangebied voorziene invulling van de gronden met het zogenoemde ZEP Vrijetijdspark bestaat uit het mogelijk maken van dagrecreatieve voorzieningen, bestaande uit vrijetijdsvoorzieningen op het gebied van ontspanning en vermaak, toerisme, kunst, cultuur en sport. Uit de stukken blijkt dat de in het plangebied voorziene dagrecreatieve voorzieningen zijn ingevuld met een minigolf, twee sportscholen, een schoonheidsinstituut, een familiepretpark, een beurs- en evenementenlocatie, verschillende horecagelegenheden en een klimpark met een klimtoren. De raad heeft ter zitting verklaard dat de minigolf en het familiepretpark daadwerkelijk dagrecreatieve voorzieningen zijn en dat de overige aanwezige voorzieningen vrijetijdsvoorzieningen op het gebied van ontspanning en vermaak, toerisme, kunst, cultuur en sport betreffen.

De raad betoogt dat deze voorzieningen passend zijn binnen het aan het ZEP Vrijetijdspark ten grondslag liggende concept, hetgeen de provincie Zeeland voor ogen stond bij de hiervoor in de Verordening en het Omgevingsplan voor de vestiging van detailhandel op het Zeeuws Evenementenpodium Middelburg (ZEP Vrijetijdspark) gemaakte uitzondering voor de vestiging van detailhandel. Dit is door de Verenigingen en anderen op zichzelf niet betwist.

Blijkens de plantoelichting is de in het plangebied voorziene detailhandel bedoeld om detailhandel die passend is binnen het concept van het ZEP Vrijetijdspark en gerelateerd is aan de thema’s sport, gezondheid en persoonlijke verzorging, vakantie en ontspanning, spel en vermaak, ter ondersteuning van de voorziene vrijetijdsvoorzieningen op het gebied van ontspanning en vermaak, toe te staan.

6.13. De in het plangebied voorziene detailhandel is ingevuld met winkelvestigingen van Toys XL, Lego Experience (beide behorend tot de branche ‘spel’) en BCC (behorend tot de branches ‘multimedia’ en ‘overige niet-dagelijks goederen’). Binnen het plangebied is op de gronden met de bestemming "Gemengd - ZEP" uitsluitend nog ruimte voor detailhandel die behoort tot de branche ‘sport’ en de branche ‘fiets’. Met de aan de gronden van het plandeel gegeven bestemming is voorzien in de mogelijkheid om een winkelgebouw met daarbij behorende "try and buy"-voorzieningen en sportvelden te realiseren, waar detailhandel die tot de branche ‘sport’ en de branche ‘fiets’ moet worden gerekend en sportvoorzieningen mogelijk zijn.

In aanmerking genomen de in artikel 3, lid 3.4, onder c, van de planregels opgenomen branchering, waarbij geldt dat de toegestane detailhandel ter plaatse behoort tot de branches voor ‘sport’ en ‘fiets’, acht de Afdeling deze vormen van detailhandel inhoudelijk voldoende gerelateerd aan de in het plangebied toegestane dagrecreatieve voorzieningen. Gezien de aard van de in het plan toegestane bestemmingen, waarvan een deel kan worden aangemerkt als dagrecreatieve voorzieningen, en de wijze waarop dit

- in navolging van het aan het ZEP Vrijetijdspark ten grondslag liggende concept - in het plangebied verder is ingevuld met onder andere gebruiksfuncties van sportbeoefening en vormen van vrijetijdsbesteding, heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan detailhandelsvoorzieningen toelaat die inhoudelijk gerelateerd zijn aan dagrecreatieve voorzieningen en dienen ter ondersteuning van deze dagrecreatieve voorzieningen.

De raad stelt zich op het standpunt dat het begrip ondersteuning geen afzonderlijke voorwaarde is waaraan de op het ZEP Vrijetijdspark toegestane detailhandel dient te voldoen, maar dat hiermee is bedoeld duidelijk te maken dat de toegestane detailhandel is bedoeld om als kostendrager te dienen voor de verwezenlijking van de dagrecreatieve voorzieningen. De Afdeling acht deze door de raad gegeven uitleg van de Verordening niet onjuist. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit de Verordening en de daarbij behorende toelichting niet blijkt dat aan het begrip ondersteuning afzonderlijke betekenis toekomt naast de voorwaarde dat de aanwezigheid van detailhandel inhoudelijk gerelateerd moet zijn aan de aanwezige dagrecreatieve voorzieningen. Verder is in het Omgevingsplan dienaangaande vermeld dat de bedoelde detailhandel ter ondersteuning van grootschalige dagrecreatieve voorzieningen ("leisure" zoals Zeelandhallen Goes, ZEP Middelburg en Skihal Terneuzen) als kostendrager voor de ontwikkeling daarvan is toegestaan.

De door de Verenigingen en anderen genoemde omstandigheid dat het op de gronden van het plandeel voorziene winkelgebouw in de plaats komt van het op deze gronden aanwezige klimpark met een klimtoren en dat daarmee een dagrecreatieve voorziening binnen het plangebied verdwijnt maakt dit niet anders. Het verdwijnen van deze dagrecreatieve voorziening heeft immers geen consequentie voor het maximum toegestane bruto vloeroppervlak aan detailhandel in het plangebied.

6.14. Gelet op het vorenstaande bestaan geen aanknopingspunten voor het oordeel dat met het aan de gronden van het plandeel toekennen van de bestemming "Gemengd - ZEP" en het hierbij toestaan van detailhandel niet wordt voldaan aan de voorwaarde van de Verordening dat in het plangebied detailhandelsvoorzieningen kunnen worden toegelaten ter ondersteuning van dagrecreatieve voorzieningen indien de detailhandel inhoudelijk gerelateerd is aan de dagrecreatieve voorziening.

Conclusie met betrekking tot de beroepsgronden gericht tegen de provinciale regelgeving en de omvang van de toegestane detailhandel

6.15. Gelet op hetgeen hiervoor onder 6.10 en 6.14 is overwogen, concludeert de Afdeling dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het plan waarin met het toekennen van de bestemming "Gemengd - ZEP" in detailhandel is voorzien, in zoverre in overeenstemming is met de in de Verordening daaraan gestelde voorwaarden.

De betogen falen.

Nieuwe stedelijke ontwikkeling

7. De Verenigingen en anderen achten het plan in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, omdat met het plan een stedelijke ontwikkeling wordt beoogd die detailhandel mogelijk maakt.

7.1. De raad heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet op het plan van toepassing is, omdat de in het plan toegestane bebouwings- en gebruiksmogelijkheden een bestaande situatie betreft die als zodanig eerder is bestemd. Er is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Ter onderbouwing van dit standpunt wijst de raad op het vorige voor het plangebied geldende bestemmingsplan "Mortiere" van 7 juli 2003 en het vrijstellingsbesluit en de daarop gebaseerde bouwvergunningen van 28 maart 2008 en 17 december 2008 en de omgevingsvergunning van 23 maart 2011.

7.2. Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro wordt in het Bro en de daarop berustende bepalingen onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid, voldoet de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

[…].

7.3. Aan de gronden van het plangebied is in het vorige bestemmingsplan "Mortiere" de bestemming "Bedrijfsdoeleinden II" toegekend met bouwvlakken met een maximum bebouwingspercentage van 50% en een maximale bouwhoogte van 12 m. Tevens is op basis van het vrijstellingsbesluit en de daarop gebaseerde bouwvergunningen van 28 maart 2008 en 17 december 2008 en de omgevingsvergunning van 23 maart 2011 voor het gehele plangebied de realisering van gebouwen, bouwwerken en verdere voorzieningen toegestaan. Het vrijstellingsbesluit en de verleende vergunningen voorzien in de realisering van detailhandel, een museum, een muziek- en evenementenhal, een sportcentrum, een attractiepark, een kartbaan, horeca, een school en bijbehorende voorzieningen en een klimpark inclusief klimtoren. Deze vergunningen zijn in rechte onaantastbaar en met de feitelijke realisering van de vergunde gebouwen, bouwwerken en overige voorzieningen heeft voor alle gronden van het plangebied ten behoeve van verschillende stedelijke functies ruimtebeslag van de gronden plaatsgevonden.

7.4. Het thans voorliggende plan brengt geen verandering in de ter plaatse toegelaten gebruiksfuncties. Wat de omvang van de toegestane detailhandel betreft vindt er met het plan ten opzichte van het vrijstellingsbesluit geen uitbreiding plaats van het totaal binnen het plangebied toegestane bedrijfsvloeroppervlak van 6.612 m2. Dit betekent dat, anders dan de Verenigingen en anderen menen, de ontwikkelmogelijkheid van detailhandel niet wordt uitgebreid ten opzichte van hetgeen voor het plangebied reeds planologisch is toegestaan. Van de binnen het plangebied toegestane omvang aan detailhandelsvoorzieningen is op de thans niet in geding zijnde plandelen al een oppervlakte van 4.063,5 m2 benut. De enkele wijziging die het thans voorliggende plan teweegbrengt is dat de nog onbenutte planologische ruimte aan detailhandel met een omvang aan bedrijfsvloeroppervlak van 2.508 m2 wordt voorzien binnen het bouwvlak van het bestreden plandeel. In plaats van het op de gronden van het plandeel vergunde klimpark met klimtoren, dat op gronden is gerealiseerd die de bestemming "Gemengd" en de nadere aanduiding "vrijetijdsvoorzieningen" hebben, wordt er thans voorzien in de mogelijkheid van een gebouw ter plaatse van het daarvoor nader begrensde bouwvlak. In het thans voorliggende plan is aan de gronden van het bestreden plandeel een vergelijkbare bestemming "Gemengd - ZEP", met vergelijkbare gebruiksmogelijkheden, zoals dagrecreatie, sportvoorzieningen, cultuur en ontspanning, detailhandel en attractiepark met de bij deze bestemming behorende voorzieningen toegekend, als in het eerder ten behoeve van deze gronden verleende vrijstellingsbesluit en de met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo verleende omgevingsvergunning aan deze gronden is toegekend. Op grond van het vrijstellingsbesluit en deze verleende omgevingsvergunning heeft het ruimtebeslag van de gronden van het plandeel volledig plaatsgevonden.

Verder is aan deze gronden ook in het vorige bestemmingsplan "Mortiere" een bouwvlak toegekend waar gebouwen zijn toegestaan met een maximale bouwhoogte van 12 m. Blijkens de omgevingsvergunning is voor de klimtoren een bouwhoogte van 18,5 m en een oppervlakte van 25 m2 toegestaan met daar omheen touwen en andere survivalattributen (ballenvangers/netten en ‘survival trackpalen’) met een hoogte van maximaal 12 m en parkeervoorzieningen. Het thans bestreden plandeel voorziet in een bouwvlak met een maximale bouwhoogte van 9 m met een gedeelte waarvoor een maximale bouwhoogte geldt van 17 m en parkeervoorzieningen. Gezien de ter plaatse aanwezige en de planologisch toegestane bebouwing en het gebruik, betekenen de in het plan toegestane bouw- en gebruiksmogelijkheden en het daarvoor nader begrensde bouwvlak slechts een beperkte verandering ten opzichte van de mogelijkheden die op deze gronden reeds eerder planologisch zijn toegestaan. Het plan legt in zoverre dan ook geen nieuw beslag op de beschikbare ruimte.

7.5. Onder de genoemde omstandigheden bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro.

Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is dan ook niet van toepassing.

Reeds hierom faalt het betoog.

Parkeren

8. De Verenigingen en anderen betogen dat het plan ten behoeve van de ter plaatse voorziene detailhandel niet in voldoende parkeerplaatsen voorziet, aangezien bij de beoordeling van de parkeerbehoefte ten onrechte geen rekening is gehouden met de toegestane "try and buy"-voorzieningen. De "try and buy"-voorzieningen, die volgens hen zijn bedoeld om de verkoop van artikelen te stimuleren, leiden mogelijk tot het aantrekken van meer publiek en een langer verblijf van het publiek. Bij het betrekken van de "try and buy"-voorzieningen bij het toegestane bedrijfsvloeroppervlak aan winkelruimte zal volgens het in de door de raad gemaakte berekening gehanteerde parkeerkencijfer van 7 parkeerplaatsen per 100 m2 bedrijfsvloeroppervlak het benodigde aantal parkeerplaatsen 238 bedragen. Aangezien deze parkeerbehoefte volgens hen niet binnen het plandeel kan worden gerealiseerd, zal de parkeerdruk op het overige deel van het ZEP Vrijetijdspark toenemen en kan daardoor een parkeerprobleem ontstaan.

Ter zitting hebben de Verenigingen en anderen hun bezwaren nader toegelicht door te betogen dat zij vrezen dat bij onvoldoende parkeerplaatsen binnen het plangebied bezoekers van de in het plandeel voorziene detailhandel en andere op het ZEP Vrijetijdspark gevestigde voorzieningen hun auto’s gaan parkeren op parkeerplaatsen bij de in de nabijheid gelegen winkels op de Mortiere Boulevard.

8.1. De raad heeft bij de vaststelling van het plan voor het benodigde aantal parkeerplaatsen voor de ter plaatse voorziene detailhandel aansluiting gezocht bij de CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Met de aan de gronden toegekende bestemming is voorzien in de mogelijkheid van parkeren en uit de tekening behorend bij de omgevingsvergunning blijkt dat op deze gronden wordt voorzien in 160 parkeerplaatsen. Aangezien voor de beoogde vorm van detailhandel geen specifieke parkeernorm bestaat, heeft de raad gekozen voor een vorm van detailhandel die ligt tussen een winkelboulevard (4,0 parkeerplaatsen per 100 m2 bruto vloeroppervlak) en een outletcentrum (9,0 parkeerplaatsen per 100 m2 bruto vloeroppervlak). Het aantal te realiseren parkeerplaatsen volgens de gemiddelde parkeernormering van 7,0 bedraagt volgens de raad 175 parkeerplaatsen, waarbij is uitgegaan van een bedrijfsvloeroppervlak van 2.508 m2. Volgens de raad kunnen de 15 benodigde parkeerplaatsen die niet op de gronden van het plandeel worden voorzien binnen de in het plangebied aanwezige 705 parkeerplaatsen op het ZEP Vrijetijdspark worden opgevangen.

8.2. De Verenigingen en anderen hebben het door de raad gehanteerde parkeerkencijfer van 7 parkeerplaatsen per 100 m2 bedrijfsvloeroppervlak op zichzelf niet betwist. Nu het plan ter plaatse voorziet in de mogelijkheid van een winkelgebouw voor detailhandel met een bedrijfsvloeroppervlak van 2.508 m2, heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat voor het voorzien in de parkeerbehoefte een aantal van 175 parkeerplaatsen toereikend moet worden geacht. Daarbij heeft de raad terecht betrokken dat de gronden die buiten het bouwvlak zijn gelegen geen deel uitmaken van het bedrijfsvloeroppervlak.

Op grond van de toegekende bestemming "Gemengd - ZEP" is ter plaatse de realisering van parkeerplaatsen mogelijk en uit de tekening behorend bij de omgevingsvergunning blijkt dat is beoogd te voorzien in 160 parkeerplaatsen. De raad heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat om in de resterende behoefte aan parkeerplaatsen te kunnen voorzien binnen het plangebied op het ZEP Vrijetijdspark voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn. Voor zover de Verenigingen en anderen betogen dat het gebruik van "try and buy"-voorzieningen en de ter plaatse voorziene sportvelden en expo mogelijk leiden tot het aantrekken van meer publiek en een langer verblijf van het publiek, waardoor een grotere parkeerbehoefte bestaat, hebben zij niet aannemelijk gemaakt dat een dergelijke eventuele grotere parkeerbehoefte niet binnen het plangebied kan worden opgevangen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad onweersproken heeft gesteld dat vanwege de verschillende pieksituaties en de relatief lage bezettingsgraad als gevolg van de overige op het ZEP Vrijetijdspark aanwezige functies, er binnen het plangebied ruim voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn.

Onder de genoemde omstandigheden heeft de raad er in redelijkheid vanuit kunnen gaan dat het plan in voldoende parkeerplaatsen voorziet.

Voor zover de Verenigingen en anderen betogen dat de ondernemers die hun winkel op de Mortiere Boulevard hebben kunnen worden geconfronteerd met parkeeroverlast ter plaatse van hun parkeerplaatsen als gevolg van een eventueel tekort aan parkeerruimte binnen het plandeel of het ZEP Vrijetijdspark, stelt de Afdeling vast dat de afstand tussen het plandeel en het ZEP Vrijetijdspark en de parkeerplaatsen bij de Mortiere Boulevard respectievelijk 570 m en 400 m bedraagt.

De winkels van de overige leden van de Verenigingen en de individuele ondernemers zijn op grotere afstand van het plangebied gevestigd. Gelet op deze afstanden en de ligging van de parkeerterreinen van het ZEP Vrijetijdspark ten opzichte van de parkeerplaatsen waarvan bezoekers van de winkels van de leden van de Verenigingen en anderen gebruik maken, is het niet aannemelijk dat ter plaatse van de winkels van de leden van de Verenigingen en de individuele ondernemers gevolgen van parkeren en daarmee een aantasting van hun ondernemersklimaat door de in het plandeel voorziene ontwikkeling zullen worden ondervonden. Hun vrees hiervoor is dan ook ongegrond.

Het betoog faalt.

Conclusie met betrekking tot het beroep tegen het plan

9. Het beroep van de Verenigingen en anderen tegen het plan is ongegrond.

Conclusie met betrekking tot het beroep tegen de omgevingsvergunning

10. Nu het beroep van de Verenigingen en anderen tegen het plan ongegrond is, bestaat er in het licht van de onder 4.2 weergegeven beroepsgrond van de Verenigingen en anderen tegen de omgevingsvergunning geen aanleiding het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning wegens strijdigheid met het plan te vernietigen. Dit betekent dat het beroep van de Verenigingen en anderen voor zover dit is gericht tegen de omgevingsvergunning eveneens ongegrond is.

Conclusie met betrekking tot het relativiteitsvereiste

11. Voor zover in deze uitspraak is geoordeeld dat de beroepsgronden falen, heeft de Afdeling zich niet uitgesproken over de vraag of artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht op deze punten aan vernietiging van de bestreden besluiten in de weg zou hebben gestaan.

Proceskosten

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, griffier.

w.g. Hagen w.g. Plambeck

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2016

159.