Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:558

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-03-2016
Datum publicatie
02-03-2016
Zaaknummer
201504964/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juni 2015, kenmerk 2015/35890, heeft het college aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend voor het wijzigen, uitbreiden en exploiteren van een rundveehouderij aan de [locatie 1] te Heythuysen.

Wetsverwijzingen
Natuurbeschermingswet 1998
Natuurbeschermingswet 1998 19d
Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2016/37 met annotatie van H.E. Woldendorp
JM 2016/57 met annotatie van P.B. Bokelaar
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201504964/1/R2.

Datum uitspraak: 2 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Werkgroep Behoud de Peel (hierna: Werkgroep Behoud de Peel), gevestigd te Deurne,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2015, kenmerk 2015/35890, heeft het college aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend voor het wijzigen, uitbreiden en exploiteren van een rundveehouderij aan de [locatie 1] te Heythuysen.

Tegen dit besluit heeft Werkgroep Behoud de Peel beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 januari 2016, waar het college, vertegenwoordigd door W. Huntjens en A.C.H. Lahaije, beiden werkzaam bij de provincie, is verschenen.

Overwegingen

1. [vergunninghoudster] exploiteert een rundveehouderij aan de [locatie 1] in Heythuysen. Dit bedrijf ligt in de omgeving van de Natura 2000-gebieden Groote Peel, Sarsven en De Banen en Leudal. Het college heeft bij het bestreden besluit een vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Nbw 1998 verleend voor het wijzigen, uitbreiden en exploiteren van dit bedrijf. De vergunning heeft betrekking op een veebestand met een ammoniakemissie van 1.450,7 kg per jaar. Voor de exploitatie van het bedrijf is niet eerder een vergunning op grond van de Nbw 1998 of de Natuurbeschermingswet (oud) verleend. Uit het bestreden besluit blijkt dat op de relevante referentiedata 10 juni 1994 en 7 december 2004 voor de betrokken gebieden voor het bedrijf een toestemming bestond op grond van de melding van 3 augustus 1992 in het kader van het Besluit melkrundveehouderijen Hinderwet. Deze toestemming heeft betrekking op een veebestand met een ammoniakemissie van 749,6 kg per jaar. Het college heeft deze melding als uitgangspunt genomen bij de beoordeling van de vraag of de aangevraagde situatie leidt tot een toename van stikstofdepositie. Niet in geschil is dat het college deze situatie als uitgangspunt heeft mogen nemen. Voorts is niet in geschil dat de aangevraagde situatie leidt tot een toename van stikstofdepositie ten opzichte van de uitgangssituatie. In het bestreden besluit is vermeld dat de vergunning ondanks deze toename kan worden verleend, aangezien de depositietoename als gevolg van de uitbreiding en wijziging teniet wordt gedaan door de afname van stikstofdepositie die het gevolg is van gedeeltelijke beëindiging van de veehouderij aan de [locatie 2] in Heythuysen.

2. Werkgroep Behoud de Peel betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de toename van stikstofdepositie als gevolg van de uitbreiding en wijziging van het bedrijf geheel teniet wordt gedaan door de afname van stikstofdepositie die het gevolg is van gedeeltelijke beëindiging van de veehouderij aan de [locatie 2]. Hiertoe voert zij aan dat het college de ammoniakemissie van de veehouderij aan de [locatie 2] die voor saldering in aanmerking komt, onjuist heeft vastgesteld omdat het college geen rekening heeft gehouden met het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij (hierna: Besluit huisvesting). Volgens Werkgroep Behoud de Peel voldoet het saldo-gevende bedrijf niet aan de in het Besluit huisvesting voorgeschreven maximale emissiefactor. Dit geval verschilt volgens Werkgroep Behoud de Peel van de situatie die aan de orde was in de uitspraak van de Afdeling van 5 november 2014 in zaak nr. 201309729/1/R2, nu het in dit geval, anders dan in voornoemde uitspraak, gaat om het saldo-gevende bedrijf dat niet voldoet aan het Besluit huisvesting. In tegenstelling tot de in die uitspraak aan de orde zijnde situatie heeft het saldo-gevende bedrijf geen keuzemogelijkheid meer om het bestaande stalsysteem aan te passen of nieuwe stallen te bouwen om op bedrijfsniveau te kunnen voldoen aan de voorgeschreven maximale emissiefactor, omdat de milieuvergunning voor dit bedrijf reeds gedeeltelijk is ingetrokken. Gelet hierop handelt dit bedrijf in strijd met het Besluit huisvesting en kan het in het licht van de toepassing van artikel 19d van de Nbw 1998 niet geacht worden nog over toestemming voor het oorspronkelijke project te beschikken, aldus Werkgroep Behoud de Peel. Zij verbindt daaraan de conclusie dat de gedeeltelijke intrekking van de milieuvergunning voor het bedrijf aan de [locatie 2] slechts bij de vergunningverlening mag worden betrokken voor zover wat betreft de vleesvarkens wordt uitgegaan van een emissiefactor van 1,4 kg NH3 per dierplaats per jaar, zoals maximaal is toegestaan op grond van het Besluit huisvesting. Als in dit geval toch mag worden uitgegaan van de milieuvergunning kan het doel van het Besluit huisvesting, een landelijke daling van de ammoniakemissie, niet worden behaald en heeft dit bovendien tot gevolg dat er landelijk onvoldoende dierenrechten zijn.

3. Het college stelt zich op het standpunt dat de omstandigheid dat de bedrijfsvoering van het bedrijf aan de [locatie 2] niet voldoet aan het Besluit huisvesting, niet betekent dat voor het bepalen van de hoogte van ammoniakemissie die voor saldering in aanmerking komt, rekening moet worden gehouden met de emissiewaarden van dat Besluit. In dit verband wijst het college op de uitspraken van de Afdeling van 15 juli 2015 in zaak nrs. 201408129/1/R2 en 201410391/1/R2 en van 5 augustus 2015 in zaak nr. 201500495/1/R2.

4. Ten behoeve van de uitbreiding en wijziging van het bedrijf aan de [locatie 1] heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leudal bij besluit van 1 juli 2014 de milieuvergunning voor de veehouderij aan [locatie 2] gedeeltelijk ingetrokken. Blijkens dat besluit ziet de intrekking op de beëindiging van het bedrijf voor zover het betreft het houden van 237 vleesvarkens in stalsysteem D. 3.100.2 met een ammoniakemissie van 829,5 kg per jaar.

5. Het college heeft bij de beoordeling van de effecten van de aangevraagde situatie voor de veehouderij aan de [locatie 1] de gedeeltelijke intrekking van de milieuvergunning van het bedrijf aan de [locatie 2] betrokken. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van 15 juli 2015 in zaak nrs. 201408129/1/R2 en 201410391/1/R2, 5 augustus 2015 in zaak nr. 201500495/1/R2 vervalt de milieutoestemming waarmee wordt gesaldeerd niet geheel of gedeeltelijk door de inwerkingtreding van het Besluit huisvesting, de niet tijdige aanpassing van de bedrijfsvoering aan de emissie-eisen uit het Besluit huisvesting of de mogelijkheid tot handhavend optreden vanwege het niet voldoen aan het Besluit huisvesting. Hierbij is van belang dat het Besluit huisvesting niet verplicht tot een reductie van ammoniakemissie op bedrijfsniveau, maar erop is gericht dat bedrijven hun bedrijfsvoering zodanig inrichten dat gemiddeld wordt voldaan aan de maximale emissiefactor die voor een diersoort is vastgesteld. Daarbij bestaat voor de veehouder de mogelijkheid van het verbouwen van bestaande stallen, maar hij kan ook overgaan op intern salderen waarbij bestaande stallen met een hoge emissie onder voorwaarden kunnen worden gehandhaafd. Niet valt in te zien waarom de veehouderij aan de [locatie 2], zoals Werkgroep Behoud de Peel betoogt, niet van deze keuzevrijheid gebruik zou kunnen maken. De door de Werkgroep Behoud de Peel genoemde omstandigheid dat de milieuvergunning reeds gedeeltelijk is ingetrokken, doet hier niet aan af, nu de intrekking van de milieuvergunning direct samenhangt met de externe saldering ten behoeve van de verlening van de Nbw-vergunning. Aan de milieuvergunning die relevant is voor de berekening van de ammoniakemissie die voor saldering kan worden gebruikt, komt derhalve nog steeds betekenis toe.

Voorts heeft de Afdeling in voornoemde uitspraken overwogen dat het Besluit huisvesting en de daarin opgenomen maximale emissiewaarden voor dieren geen aanleiding geven voor aanpassing van de berekeningswijze van de hoogte van de ammoniakemissie in het geval een bestaand stalsysteem een hogere emissiefactor heeft dan de emissiewaarde die in het Besluit huisvesting is bepaald. Het Besluit huisvesting staat er bovendien niet aan in de weg dat een bestaand stalsysteem met een hogere emissiefactor dan de emissiewaarde uit het Besluit huisvesting wordt gehandhaafd. De omstandigheid dat de bedrijfsvoering van een saldo-gevend bedrijf als geheel niet voldoet aan de eisen van het Besluit huisvesting is geen reden om de ammoniakemissie te berekenen op grond van de emissiewaarde uit dat Besluit. Een bedrijf heeft nog steeds de keuze om zijn bedrijfsvoering aan te passen aan de eisen van het Besluit huisvesting door aanpassing van de bestaande stallen of door de bouw van nieuwe stallen. Voor zover Werkgroep Behoud de Peel heeft beoogd te betogen dat hierdoor het doel van het Besluit huisvesting om de landelijke ammoniakemissie terug te brengen niet wordt gehaald en dat hierdoor onvoldoende dierenrechten beschikbaar zijn voor het totaal aantal dieren, maakt, wat daar ook van zij, niet dat hierdoor het betrokken individuele bedrijf niet langer deze keuze heeft.

Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat voor het bepalen van de hoogte van ammoniakemissie die voor saldering in aanmerking komt, in het geval die emissie ontleend wordt aan een milieuvergunning voor een bedrijfsvoering die niet voldoet aan het Besluit huisvesting, rekening moet worden gehouden met de emissiewaarden van dat Besluit.

Het betoog faalt.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, griffier.

w.g. Helder w.g. Broekman

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2016

579-772.