Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:555

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-03-2016
Datum publicatie
02-03-2016
Zaaknummer
201507439/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 juli 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Harnaschpolder 2015" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2016/6349
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201507439/1/R6.

Datum uitspraak: 2 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Rijswijk,

2. [appellant sub 2], wonend te Den Hoorn, gemeente Midden-Delfland,

3. [appellanten sub 3], wonend te Delft (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 3]),

4. [appellanten sub 4], wonend te Delft (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 4]),

5. [appellanten sub 5], wonend te Delft (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 5]),

6. [appellanten sub 6], wonend te Delft (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 6]),

7. [appellant sub 7], wonend te Den Hoorn, gemeente Midden-Delfland,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Delft,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Harnaschpolder 2015" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 7] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 januari 2016, waar [appellant sub 1], [appellant sub 2], bijgestaan door mr. G.J. Hingstman, werkzaam bij Univé Rechtshulp, [appellant sub 4], bijgestaan door mr. B.J.P.M. Zwinkels, advocaat te Honselersdijk, en ing. G.H. Wegkamp, werkzaam bij Dantuma Wegkamp, [appellant sub 5], bijgestaan door mr. B.J.P.M. Zwinkels en ing. G.H. Wegkamp, [appellant sub 6], bijgestaan door mr. B.J.P.M. Zwinkels en ing. G.H. Wegkamp, [appellant sub 7], vertegenwoordigd door mr. S. van der Eijk, en de raad, vertegenwoordigd door mr. D.J.T. van Rees, mr. P. Kramer, ing. R.D.A. Kuypers en ir. F. Bulut, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan

2. Het plan voorziet in een juridisch-planologische regeling voor het gebied Harnaschpolder in het noordwesten van Delft. Dit gebied was in het verleden grotendeels in gebruik als kassengebied en wordt nu getransformeerd tot woongebied van ruim 1000 woningen. In het plan is onder meer voorzien in een zogenoemde 'selectieve verkeersknip' op de Kristalweg. Dit is een inrijverbod voor het westelijke deel van de Kristalweg. Van dit verbod zal ontheffing worden verleend voor bewoners van de Harnaschpolder, hulpdiensten en overige hulpverlenende instanties. De raad heeft met deze regeling beoogd om sluipverkeer tussen de snelweg A4, de Provinciale weg en Den Hoorn tegen te gaan.

Behandeling

3. De appellanten richten zich in hun beroepen tegen de voorziene selectieve verkeersknip en tegen de bouwmogelijkheden in het gebied ter plaatse van de Kastanjewetering. Dit gebied wordt het Scharnier genoemd. Bij een aantal appellanten speelt de vraag of hun beroep ontvankelijk is. De Afdeling zal hier in de uitspraak als eerste op ingaan. Vervolgens zullen de procedurele beroepsgronden van de verschillende appellanten worden behandeld. Daarna komen de inhoudelijke beroepsgronden over de selectieve verkeersknip en de bouwmogelijkheden in het Scharnier aan de orde.

Ontvankelijkheid

[appellant sub 1]

4. [appellant sub 1] woont aan de [locatie 1] in Rijswijk. Hij richt zicht tegen de selectieve verkeersknip. Zijn perceel ligt op een afstand van ongeveer 2,8 km van deze verkeersknip. [appellant sub 1] stelt dat hij twee keer per week door de Harnaschpolder rijdt en dat hij vanwege de verkeersknip moet omrijden. Vast staat dat [appellant sub 1] geen zienswijze heeft ingediend tegen het ontwerpplan. [appellant sub 1] voert in dit kader aan dat de raad de kennisgeving van het ontwerpplan ten onrechte niet in Rijswijk heeft gepubliceerd waardoor hij niet op de hoogte was van de terinzagelegging en de mogelijkheid tot het indienen van een zienswijze.

4.1. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door een belanghebbende die over het ontwerpplan niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

4.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 24 juli 2013, in zaak nr. 201300843/1/R6 volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) (Kamerstukken II 2002/03, 28 916, nr. 3, blz. 28) dat de wetgever bij bestemmingsplannen, gelet op de aard en strekking daarvan, naast hetgeen ingevolge artikel 3:12 van de Awb is vereist, in artikel 3.8, eerste lid, van de Wro als aanvullende voorwaarde heeft gesteld dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 3:12, eerste lid, van de Awb eveneens in de Staatscourant moet worden geplaatst en voorts langs elektronische weg dient te geschieden.

4.3. De kennisgeving van het ontwerpplan is in een gemeentelijk huis-aan-huisblad in Delft geplaatst. Daarnaast heeft de kennisgeving van het ontwerpplan langs elektronische weg plaatsgevonden en is deze op 3 december 2014 in de Staatscourant geplaatst. Aan de wettelijke vereisten voor het doen van kennisgeving van het ontwerpplan is daarmee voldaan. Niet uit enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel volgt de verplichting dat in dit geval eveneens een kennisgeving in een dag-, nieuws-, of huis-aan-huisblad in de gemeente Rijswijk had moeten plaatsvinden. Dat [appellant sub 1], omdat van het ontwerp geen kennisgeving is gedaan in een in Rijswijk verschijnend huis-aan-huisblad, niet op de hoogte was van de terinzagelegging van het ontwerpplan en de mogelijkheid tot het naar voren brengen van een zienswijze is een omstandigheid die voor zijn rekening moet worden gelaten. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het niet naar voren brengen van een zienswijze [appellant sub 1] redelijkerwijs niet kan worden verweten.

4.4. Het beroep van [appellant sub 1] is niet-ontvankelijk.

[appellant sub 7]

5. [appellant sub 7] woont aan het [locatie 2] 37 in Den Hoorn. Zij richt zich tegen de selectieve verkeersknip. Haar perceel ligt op een afstand van ongeveer 850 m van de verkeersknip. [appellant sub 7] stelt dat zij regelmatig over de Kristalweg rijdt naar haar hockeyclub. Vanwege de voorziene verkeersknip zal zij moeten omrijden.

5.1. Vast staat dat [appellant sub 7] vanaf haar perceel geen zicht heeft op de locatie waar de verkeersknip is voorzien. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die ter plaatse van de voorziene verkeersknip mogelijk worden gemaakt is de afstand van 850 m tot haar woning naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen.

[appellant sub 7] betoogt terecht, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 25 juni 2014, in zaak nr. 201305685/1/A4, ECLI:NL:RVS:2014:2263, dat de afstand tussen haar woning en de verkeersknip, alsmede de omstandigheid dat zij vanuit haar woning geen zicht zal hebben op de verkeersknip, niet zonder meer doorslaggevend is voor de vraag of zij als belanghebbende kan worden aangemerkt. Er kunnen immers feiten en omstandigheden zijn in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat desondanks een objectief en persoonlijk belang van haar rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. Dat is in deze zaak echter niet het geval. Dat [appellant sub 7] over de Kristalweg rijdt naar haar hockeyclub en als gevolg van de voorziene verkeersknip zal moeten omrijden, betreft geen persoonlijk belang van [appellant sub 7]. Het belang bij het gebruik van de Kristalweg is geen belang waarvan kan worden gezegd dat het aan een specifieke hoedanigheid van [appellant sub 7] is verbonden. [appellant sub 7] onderscheidt zich in onvoldoende mate van vele andere personen buiten de Harnaschpolder die na het realiseren van de selectieve verkeersknip niet meer over de Kristalweg kunnen rijden.

De conclusie is dat [appellant sub 7] geen belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat zij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep kan instellen.

5.2. Het beroep van [appellant sub 7] is niet-ontvankelijk.

[appellant sub 5]

6. [appellant sub 5] woont aan de [locatie 3]. Het beroep is onder meer gericht tegen het bouwvlak op dit perceel. [appellant sub 5] betoogt dat de raad dit bouwvlak onjuist heeft vastgesteld. Zij voert hiertoe aan dat een deel van haar woning buiten het bouwvlak is gelegen. Dit betreft een uitstekend deel van de woning waarin zich onder meer een studeerkamer bevindt. Volgens [appellant sub 5] heeft de raad niet onderkend dat dit een onlosmakelijk deel van de woning is en niet een aanbouw of bijbehorend bouwwerk.

6.1. [appellant sub 5] heeft zich in haar zienswijze gericht tegen de bouwmogelijkheden op de percelen tussen de Kastanjewetering en de Laan van Bentvelsen. [appellant sub 5] heeft niet aangevoerd dat het bouwvlak op het perceel [locatie 3] onjuist is. Het beroep van [appellant sub 5] steunt in zoverre derhalve niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Dit zou het geval kunnen zijn indien het definitieve plan ten nadele is gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan.

6.2. [appellant sub 5] stelt dat het plan is gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan. Zij stelt dat in het definitieve plan in artikel 12, lid 12.2.1, onder f, van de planregels een eis is opgenomen op grond waarvan de afstand van een nieuw op te richten woning (hoofdgebouw) tot de achtergevel van een bestaand hoofdgebouw minimaal tweemaal de hoogte van het nieuwe hoofdgebouw dient te bedragen. Eerst door het opnemen van deze planregel is de ligging van haar woning relevant geworden, aldus [appellant sub 5].

6.3. Anders dan [appellant sub 5] betoogt, is in deze omstandigheid geen rechtvaardiging gelegen voor het niet naar voren brengen van een zienswijze over het bouwvlak op het perceel [locatie 3]. Vast staat dat in het definitieve plan dit bouwvlak niet is gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan. [appellant sub 5] had derhalve in haar zienswijze kunnen aanvoeren dat het bouwvlak op onjuiste wijze op de verbeelding was weergegeven. De afstandseis in artikel 12, lid 12.2.1, onder f, van de planregels is opgenomen als waarborg om te voorkomen dat de nieuwe woningen te dicht op de bestaande woningen worden gebouwd. Deze wijziging ten opzichte van het ontwerpplan is niet ten nadele van [appellant sub 5]. Daarbij geldt verder dat bij de toepassing van de afstandseis in artikel 12, lid 12.2.1, onder f, van de planregels wordt gemeten tot de achtergevel van het hoofdgebouw op het perceel van [appellant sub 5]. De raad heeft ter zitting toegelicht dat de ligging van het bouwvlak voor de toepassing van deze afstandseis niet relevant is.

6.4. Het beroep van [appellant sub 5], voor zover gericht tegen plandeel voor het perceel [locatie 3], is niet-ontvankelijk.

Procedurele beroepsgronden

Crisis- en herstelwet

7. [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] betogen dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) op het plan van toepassing is. Zij voeren hiertoe aan dat het bestemmingsplan conserverend van aard is, omdat het voorgaande bestemmingsplan in dezelfde woningbouwmogelijkheden voorzag. [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] betogen voorts dat de raad de toepasselijkheid van de Chw niet heeft aangekondigd. Zij voeren aan dat zij hierdoor in hun procespositie zijn geschaad.

7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het voorgaande uitwerkingsplan "Harnaschpolder Delft, deelgebied 2, Voordijkshoorn" ook voorzag in woningbouwmogelijkheden, maar dat een deel hiervan nog niet is gerealiseerd. Op dit moment zijn ongeveer 500 woningen gebouwd en 300 woningen in aanbouw. De overige woningen die met het plan mogelijk worden gemaakt moeten nog worden gebouwd. De raad stelt zich voorts op het standpunt dat de woningbouwmogelijkheden onder het voorgaande plan niet identiek zijn. In dit plan is voorzien in ruimere bouwmogelijkheden dan in het voorgaande plan. De woningen waarin dit plan voorziet konden onder het voorgaande plan niet worden gebouwd, aldus de raad.

7.2. Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder a, in samenhang bezien met categorie 3, onder 3.1, van bijlage 1 van de Chw is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van toepassing op de ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden ten behoeve van de bouw van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied.

7.3. Het bestemmingsplan voorziet ingevolge artikel 18, lid 18.1, aanhef en onder b, van de planregels in maximaal 1094 woningen. Anders dan [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] betogen, heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder a, van de Chw afdeling 2 van hoofdstuk 1 op het bestreden besluit van toepassing is. Dat het voorgaande plan reeds voorzag in woningbouwmogelijkheden, leidt niet tot een ander oordeel. Niet in geschil is immers dat een deel hiervan nog niet is gebouwd, waaronder de woningen in het Scharnier. Voorts voorziet dit plan in ruimere bouwmogelijkheden dan het voorgaande plan. Voor de woningen in het Scharnier is voorzien in een hogere bouwhoogte. Dit plan voorziet daarnaast in een ander bouwvlak en niet in een minimum aantal toegestane woningen. Dit heeft tot gevolg dat onder dit plan woningbouw mogelijk is waar het voorgaande plan niet in voorzag. Gelet hierop is de totstandkoming van het plan vereist voor de verwezenlijking van het woongebied. In de publicatie van het besluit staat voorts dat de Chw van toepassing is. Derhalve bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de toepasselijkheid van deze wet niet heeft aangekondigd.

Het betoog faalt.

Terinzagelegging

8. [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] betogen dat de raad ten onrechte een aantal op de zaak betrekking hebbende stukken niet met het ontwerpplan ter inzage heeft gelegd. Zij wijzen hierbij op een bezonningsstudie en makelaarsrapporten die inzage bieden in de verkoopbaarheid van de voorziene woningen.

8.1. De raad wijst erop dat de rapporten waar [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] naar verwijzen pas na afloop van de terinzagelegging van het ontwerpplan zijn opgesteld. Gelet hierop konden deze stukken niet met het ontwerpplan ter inzage worden gelegd.

8.2. Niet in geschil is dat de stukken waarnaar [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] verwijzen pas na afloop van de terinzagelegging van het ontwerpplan zijn opgesteld. De raad stelt derhalve terecht dat het niet mogelijk was deze stukken met het ontwerpplan ter inzage te leggen. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in strijd met artikel 3:11 van de Awb niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken met het ontwerpplan ter inzage heeft gelegd. De raad heeft voorts toegelicht dat hij de stukken voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan aan [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] heeft verstrekt. Gelet hierop waren zij in de gelegenheid om in beroep op deze stukken te reageren en valt niet in te zien dat zij in hun belangen zijn geschaad.

Het betoog faalt.

Publicatie

9. [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] betogen dat de raad ten onrechte de bekendmaking van de vaststelling van het plan niet op de website www.ruimtelijkeplannen.nl heeft geplaatst. Zij voeren hiertoe aan dat het als gevolg hiervan voor hen niet duidelijk was wanneer de beroepstermijn eindigde.

9.1. Ingevolge artikel 3:42, tweede lid, eerste volzin, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten van een niet tot de centrale overheid behorend bestuursorgaan die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door kennisgeving van het besluit of de zakelijke inhoud ervan in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze.

9.2. Vast staat dat de bekendmaking van de vaststelling van het bestemmingsplan is verricht in overeenstemming met artikel 3:42, tweede lid, van de Awb. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het voor [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] niet duidelijk had kunnen zijn wanneer de beroepstermijn afliep. Anders dan [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] betogen, is de raad niet gehouden de bekendmaking eveneens te publiceren op de website www.ruimtelijkeplannen.nl.

Het betoog faalt.

9.3. [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] hebben ter zitting aangevoerd dat het vastgestelde plan met een onjuiste publicatiedatum op www.ruimtelijkeplannen.nl is gezet, waardoor dit plan moeilijk te vinden was op deze website. Deze beroepsgrond heeft betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

Het betoog faalt.

Selectieve knip

10. [appellant sub 3] richt zich tegen de voorziene selectieve verkeersknip op de Kristalweg. [appellant sub 3] woont op het perceel aan de [locatie 4] op een afstand van ongeveer 60 m van de verkeersknip. Hij vreest dat door de gekozen selectieve knip sprake zal zijn van een toename van geluidoverlast, verkeershinder en aantasting van de luchtkwaliteit bij zijn perceel. Hij voert hiertoe aan dat de raad bij het voorgaande bestemmingsplan heeft gekozen voor een volledige knip. Volgens [appellant sub 3] is geen sprake van nieuwe feiten en omstandigheden die de raad aanleiding voor een andere keuze had kunnen geven.

10.1. De raad stelt dat het voorgaande uitwerkingsplan "Harnaschpolder Delft, deelgebied 2, Voordijkshoorn" uit ging van een volledige knip, waardoor alleen langzaam verkeer, het openbaar vervoer en hulpdiensten van de weg konden gebruikmaken. In dit bestemmingsplan is een selectieve knip opgenomen, wat inhoudt dat ook bewoners en bedrijven uit de Harnaschpolder van de weg gebruik kunnen maken. De raad stelt dat voorafgaand aan de vaststelling van dit plan de noodzaak en het effect van een verkeersknip opnieuw zijn onderzocht. De uitkomst van dit onderzoek is dat een selectieve verkeersknip het meest tegemoet komt aan de verschillende belangen in het gebied.

10.2. De locatie waar de selectieve verkeersknip is voorzien heeft de bestemming "Verkeer - Bestemmingsverkeer".

Ingevolge artikel 8, lid 8.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Verkeer - Bestemmingsverkeer" aangewezen gronden bestemd voor hoofdrijbanen.

Ingevolge lid 8.3.1 mogen hoofdrijbanen als bedoeld in lid 8.1, onder a, voor wat betreft gemotoriseerd verkeer uitsluitend worden gebruikt door houders van een ontheffing op grond van artikel 87 van het Reglement verkeersregels en verkeertekens 1990, openbaar vervoer en hulpdiensten.

10.3. In de plantoelichting staat dat de knip is bedoeld om sluipverkeer in de vorm van autoverkeer tussen de A4 en de Provincialeweg en Den Hoorn tegen te gaan. Naar aanleiding van de discussies in het verleden is een volledige knip vastgelegd in beide uitwerkingsplannen van de Harnaschpolder uit 2007. Van deze knip kunnen volgens deze plannen alleen langzaam verkeer, openbaar vervoer en hulpdiensten gebruik maken. Met de realisatie van de volledige knip zou een situatie ontstaan dat Delftse inwoners met de auto niet via Delfts grondgebied naar Delft kunnen rijden. Omdat dit een onwenselijke situatie is, heeft een onderzoek plaatsgevonden hoe de knip definitief moet worden vormgegeven. Vervolgens is besloten om ten westen van de Dijkhoornseweg geen volledige knip te realiseren. Het centrum van Den Hoorn en de woonwijk ten noorden van deze kern krijgen via de Dijkhoornseweg en de Hoefslagendreef een nieuwe ontsluiting naar de A4. De verkeersintensiteit op de Dijkhoornseweg zal als gevolg van deze ontwikkeling toenemen. Gelet op de huidige inrichting en capaciteit van de weg levert dit geen problemen op. Net ten oosten van de Dijkhoornseweg zal op de Kristalweg een selectieve knip worden gerealiseerd. Naast de hulpdiensten, openbaar vervoer en langzaam verkeer zullen ook de gebruikers van de adressen van zowel de Harnaschpolder deelgebied 1 als deelgebied 2 en het lint toegang krijgen tot deze knip.

10.4. In het rapport 'Onderzoeksrapport knip Harnaschpolder' van 3 juli 2013, opgesteld door de gemeente Delft, is een aantal mogelijke vormen voor de knip beschreven en met elkaar vergeleken. De hoofdvarianten die zijn onderzocht zijn de volledige knip, de selectieve knip en de variant waarbij geen knip wordt gerealiseerd. In het rapport wordt geconcludeerd dat een selectieve knip met toegang voor bewoners van beide deelgebieden in de Harnaschpolder het meest tegemoet komt aan de verschillende belangen.

10.5. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Dat in het voorgaande uitwerkingsplan een volledige verkeersknip was opgenomen, betekent derhalve, anders dan [appellant sub 3] betoogt, niet dat de raad bij de vaststelling van dit plan niet heeft kunnen kiezen voor een selectieve knip. De raad heeft toegelicht dat hij het realiseren van een volledige knip heeft heroverwogen, omdat hij het niet wenselijk acht dat bewoners van de Harnaschpolder niet van de weg gebruik kunnen maken. De raad heeft onderzoek laten verrichten naar een oplossing waarbij de bereikbaarheid van de Harnaschpolder behouden blijft en het doorgaand verkeer op onder meer de Kristalweg wordt geweerd. Uit dit onderzoek volgt dat een selectieve knip het meest tegemoet komt aan deze verschillende belangen.

Het betoog faalt.

11. [appellant sub 3] betoogt voorts dat het plan leidt tot geluidoverlast bij zijn woning en tuin. Hij voert hiertoe aan dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een 30 km-weg en daarom niet aan de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) hoeft te worden getoetst. Voorts voert [appellant sub 3] aan dat de raad wat betreft de mate van geluidhinder ten onrechte een vergelijking maakt met de situatie waarbij in het geheel geen knip wordt gerealiseerd. Omdat het vorige plan voorzag in een volledige knip, moet de mate van geluidhinder met deze situatie worden vergeleken, aldus [appellant sub 3].

11.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de omstandigheid dat de Wgh niet van toepassing is, niet betekent dat geen afweging met betrekking tot de geluidhinder heeft plaatsgevonden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moeten ook wegen waarop de Wgh niet van toepassing is worden onderzocht. De geluideffecten afkomstig van de weg op de woning van [appellant sub 3] zijn daarom bij het onderzoek betrokken. Deze geluidhinder is niet zodanig dat niet van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gesproken, aldus de raad.

11.2. In het akoestisch onderzoek 'Harnaschpolder selectieve knip' van 20 april 2015, opgesteld door Royal Haskoning DHV (hierna: het akoestisch rapport) staat dat de voorziene selectieve knip wordt gerealiseerd door onder meer het installeren van een camera in combinatie met het instellen van een 30 km/uur-regime op het wegvak tussen de schoolzone en de Lookwatering. Met het instellen van een maximumsnelheid van 30 km/uur is voor het betreffende wegdeel geen sprake van een zoneplichtige weg, zoals bedoeld in artikel 74 van de Wgh. Daarmee is voor dit wegdeel de Wgh niet van toepassing en een toets aan de grenswaarden van deze wet is dan ook niet aan de orde. In het akoestisch rapport staat verder dat niettemin vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening inzichtelijk is gemaakt wat de geluideffecten zijn op de bestaande woningen vanwege een dergelijke verkeersmaatregel. Voor het beoordelen van de geluideffecten is aansluiting gezocht bij de grenswaarden in de Wgh zoals deze van toepassing zijn bij reconstructie van een bestaande weg. In bijlage 4 bij het akoestisch rapport zijn de resultaten van het onderzoek opgenomen. Hierin staat dat de geluidbelasting ter plaatse van de woning [locatie 4] maximaal 47,63 dB zal zijn. Deze geluidwaarde ligt onder de op grond van de Wgh geldende grenswaarde van 48 dB. In het akoestisch rapport wordt geconcludeerd dat het realiseren van een selectieve knip en het instellen van een 30 km/uur-regime voor het aspect geluid derhalve niet leidt tot strijdigheid met een goede ruimtelijke ordening.

11.3. In de door [appellant sub 3] overgelegde notitie 'Harnaschpolder, woning [locatie 4]' van 12 oktober 2015, opgesteld door Bureau 1232, staat dat ter plaatse van de woning aan [locatie 4] een 30 km-regime zal gaan gelden. Volgens de notitie betekent dit echter niet dat niet aan de Wgh hoeft te worden getoetst. Het wegdeel waar het 30 km-regime wordt ingesteld maakt namelijk deel uit van een 50 km-weg.

11.4. Het betoog van [appellant sub 3] dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de weg waarop de selectieve knip wordt voorzien niet valt onder de Wgh en daarom niet aan de Wgh is getoetst, slaagt niet. Dit betekent immers niet dat de raad geen onderzoek heeft gedaan naar de geluidbelasting van de weg op de woning van [appellant sub 3]. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 23 oktober 2013 in zaak nr. 201301638/1/R1), wordt een goede ruimtelijke ordening voor het aspect geluid niet uitsluitend ingevuld door de Wgh. Een goede ruimtelijke ordening heeft buiten de Wgh een zelfstandige betekenis. Dat betekent dat ook in gevallen buiten de reikwijdte van de Wgh in het kader van een goede ruimtelijke ordening akoestisch onderzoek kan zijn vereist en het nodig kan zijn bepaalde eisen te stellen aan geluidbelastende activiteiten. De raad heeft dit onderkend en heeft terecht onderzoek laten verrichten naar de geluidsbelasting op de woning van [appellant sub 3]. [appellant sub 3] heeft de conclusies van het akoestisch rapport niet betwist. [appellant sub 3] stelt terecht dat het realiseren van een volledige knip wat betreft het aspect geluidhinder het meest gunstig is. Uit het akoestisch rapport volgt echter dat ook bij het realiseren van een selectieve knip de geluidbelasting vanwege de weg op de woning van [appellant sub 3] onder de grenswaarde blijft. De raad heeft zich voorts onbestreden op het standpunt gesteld dat de tuin van [appellant sub 3] grenst aan de woning en dat hier sprake zal zijn van een vergelijkbare geluidbelasting. De raad heeft zich gelet hierop in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ter plaatse sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Het betoog faalt.

12. [appellant sub 3] betoogt voorts dat het plan zal leiden tot aantasting van de luchtkwaliteit ter plaatse van zijn woning en tuin. [appellant sub 3] voert hiertoe aan dat als gevolg van de selectieve knip een voortdurende stroom van auto's langs zijn perceel zal rijden.

12.1. In het rapport 'Resultaten geluid en lucht Hoefslagendreef met en zonder knip' van 1 augustus 2014, opgesteld door Royal Haskoning DHV (hierna het rapport luchtkwaliteit) staat dat uit berekeningen blijkt dat de totale concentratie stikstofdioxide (NO2) op drie berekende locaties 0,2 tot 0,3 μg/m³ toeneemt als gevolg van de omzetting van een volledige knip naar een selectieve knip en met ongeveer 5,4 μg/m³ verder toeneemt in de situatie zonder knip. In het rapport luchtkwaliteit staat verder dat de totale concentratie zwevende deeltjes (PM10) op de berekende locaties ongeveer 0,1 μg/m³ toeneemt als gevolg van de omzetting van een volledige knip naar een selectieve knip en met ongeveer 0,3 μg/m³ verder toeneemt in de situatie zonder knip. In het rapport luchtkwaliteit wordt geconcludeerd dat zowel in de situatie met selectieve knip als in de situatie zonder knip de concentraties van stikstofdioxide en zwevende deeltjes ruim onder de wettelijke grenswaarde blijven.

12.2. [appellant sub 3] heeft de conclusies van het rapport luchtkwaliteit niet betwist. Hoewel [appellant sub 3] terecht stelt dat het realiseren van een volledige knip wat betreft het aspect luchtkwaliteit het meest gunstig is, volgt uit het rapport luchtkwaliteit dat de toename van stikstofdioxide en zwevende deeltjes bij een selectieve knip zeer minimaal is. Daarbij geldt dat in het rapport staat dat beide concentraties bij het realiseren van een selectieve knip ruim onder de wettelijke grenswaarden blijven. De raad heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat wordt voldaan aan de Wet milieubeheer en dat het aspect luchtkwaliteit niet aan het plan in de weg staat.

Het betoog faalt.

13. [appellant sub 3] betoogt voorts dat het plan is vastgesteld in strijd met het lokaal verkeers- en vervoersplan (hierna: LVVP). Hij voert hiertoe aan dat een selectieve knip leidt tot een toename van auto's op de Kristalweg ten opzichte van een volledige knip. Volgens [appellant sub 3] zal de weg gaan functioneren als een hoofdontsluitingsweg voor de omliggende wijken. Dit zal leiden tot verkeersonveilige situaties.

13.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de selectieve knip als doel heeft de verkeersintensiteit op de Kristalweg en de Hoefslagendreef te beheersen en daarmee de leefbaarheid van de omgeving te bevorderen. Ter hoogte van de knip wordt verkeer toegestaan van ontheffingshouders. Hier wordt ingezet op een lagere snelheid van het autoverkeer en een fietsinfrastructuur en voetpaden. Volgens de raad is dit niet in strijd met het beleid opgenomen in het LVVP.

13.2. Het LVVP bevat de algemene doelstellingen van de raad op het gebied van verkeer en vervoer. Hierin staat onder meer dat het gebruik van de fiets en het openbaar vervoer moet worden gestimuleerd.

13.3. Hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd, biedt geen aanleiding voor het oordeel dat het LVVP zich verzet tegen de voorziene selectieve knip. Dit beleid bevat op dit punt geen concrete normen waaraan bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet worden voldaan.

Het betoog faalt.

14. [appellant sub 3] betoogt dat de raad ten onrechte aan zijn belangen onvoldoende gewicht heeft toegekend. Hij voert hiertoe aan dat het realiseren van een volledige knip een gunstiger effect heeft op zijn woon- en leefklimaat. [appellant sub 3] voert verder aan dat de raad ten onrechte niet heeft voorzien in maatregelen om overlast ter plaatse van zijn woning en tuin te voorkomen.

14.1. [appellant sub 3] betoogt terecht dat het realiseren van een volledige knip een gunstiger effect zou hebben op zijn woon- en leefklimaat. De raad heeft dit onderkend en in zijn belangenafweging betrokken. Anders dan [appellant sub 3] betoogt, heeft de raad in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan de belangen die zijn gemoeid bij het realiseren van een selectieve knip, zoals het bereikbaar blijven van de Harnaschpolder voor bewoners. De raad heeft hierbij terecht betrokken dat, zoals volgt uit 11.4 en 12.2, ook bij het realiseren van een selectieve knip ter plaatse van de woning en tuin van [appellant sub 3] een aanvaardbaar woon- en leefklimaat blijft behouden. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien tot het treffen van maatregelen om eventuele overlast te voorkomen.

Het betoog faalt

Bouwmogelijkheden in het Scharnier

15. [appellant sub 2] woont aan de [locatie 5]. Zijn beroep richt zich tegen de bouwmogelijkheden voor de gronden gelegen achter zijn woning. [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] wonen aan de [locatie 6], [locatie 7] en [locatie 8]. Zij richten zich tegen de bouwmogelijkheden op de strook grond gelegen tussen de Kastanjewetering en de Laan van Bentvelsen. [appellant sub 2], [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] vrezen dat op korte afstand van hun percelen grote woningen zullen worden gebouwd. Dit leidt volgens hen tot afname van hun privacy en tot schaduwhinder op hun percelen. Voor [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] is dit extra prangend omdat zij zogenaamde passiefhuizen hebben gebouwd. Deze huizen zijn voor hun warmtevoorziening afhankelijk van de inval van zonlicht en zonnewarmte.

Bouwhoogte

16. [appellant sub 2], [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] betogen dat de raad voor de percelen ten onrechte heeft voorzien in een maximale bouwhoogte van 7 m. Zij voeren aan dat met toepassing van de in het plan opgenomen afwijkingsmogelijkheden woningen met een bouwhoogte van 9,9 m kunnen worden gebouwd. [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] voeren aan dat de raad niet heeft onderkend dat het systeem van de Wro niet toestaat dat twee afwijkingsmogelijkheden tegelijk worden toegepast. [appellant sub 2] betoogt voorts dat het plan bovendien niet voorziet in de verplichting dat een dergelijke woning wordt gebouwd met een kap. Anders dan de raad heeft beoogd, is het mogelijk dat een woning op het perceel wordt gebouwd met een lessenaarsdak. [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] voeren voorts aan dat de voorziene bouwhoogte niet passend is in de omgeving. De raad heeft recent een voorstel om verplaatsing van een aantal nieuw te planten bomen afgewezen, omdat dit afbreuk zou doen aan het ruimtelijk geheel. Volgens [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] geldt dit ook voor de voorziene bouwhoogte.

16.1. De raad stelt zich op het standpunt dat hij niet heeft beoogd om het bouwen van een lessenaarsdak uit te sluiten. Het voorschrift om een hellend dak te bouwen is opgenomen om te voldoen aan de uitgangspunten van het Stedenbouwkundig Programma van Eisen (hierna: SPvE) en het Beeldkwaliteitsplan. Hierin staat dat wordt gestreefd naar verschillende typen woningen. Volgens de raad is een lessenaarsdak dan ook niet uitgesloten. De raad stelt zich voorts op het standpunt dat het voorstel om de bomen te verplaatsen is afgewezen omdat dit niet noodzakelijk was voor het functioneren van de ter plaatse aanwezige waterkering. Verder was het voor de ruimtelijke samenhang wenselijk om de bomen dichtbij de watergang te plaatsen.

16.2. De gronden achter de woning van [appellant sub 2] hebben de bestemming "Wonen - Ecologische verbindingszone" en de aanduidingen "specifieke vorm van wonen - ecologische verbindingszone 2", "bouwvlak" en "maximale bouwhoogte 7 m". De gronden tussen de Kastanjewetering en de Laan van Bentvelsen hebben de bestemming "Wonen - Ecologische verbindingszone" en de aanduidingen "specifieke vorm van wonen - ecologische verbindingszone 1", "bouwvlak" en "maximale bouwhoogte 7 m".

16.3. Ingevolge artikel 12, lid 12.1, onder a en b, van de planregels zijn de voor "Wonen - Ecologische verbindingszone" aangewezen gronden bestemd voor wonen en een ecologische verbindingszone ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - ecologische verbindingszone 1" en "specifieke vorm van wonen - ecologische verbindingszone 2".

Ingevolge lid 12.2.1, gelden voor het bouwen van bouwwerken binnen het bouwvlak de regels van artikel 18 en de volgende bepalingen:

d. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding "maximum bouwhoogte (m)" is aangegeven.

f. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van - ecologische verbindingszone 1' dient de afstand gemeten vanuit de achtergevel van een nieuw op te richten woning (hoofdgebouw) tot de achtergevel van een bestaand hoofdgebouw minimaal tweemaal de hoogte van het nieuwe hoofdgebouw te bedragen.

Ingevolge lid 12.3.1, kan het bevoegd gezag afwijken van het bepaalde in lid 12.2.1 onder e (lees: d) om de bouwhoogte van het hoofdgebouw te verhogen onder de voorwaarden dat:

a. de bouwhoogte maximaal 9 meter bedraagt;

b. het dak van het hoofdgebouw hellend wordt uitgevoerd met een minimale hellingshoek van 25 graden en een maximale hellingshoek van 55 graden;

c. het hoofdgebouw een aaneengesloten plat dak mag hebben met een oppervlakte van maximaal 15 m² .

Ingevolge artikel 20, lid 20.1, onder a, kan het bevoegd gezag bij omgevingsvergunning afwijken van de regels van het plan voor afwijkingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10% waarbij geldt dat de hoogtematen met maximaal 1 m mogen worden verhoogd.

16.4. Vast staat dat aan de percelen bij recht een maximale bouwhoogte van 7 m is toegekend. Vast staat voorts dat in artikel 12, lid 12.3.1, en artikel 20, lid 20.1, van de planregels afwijkingsmogelijkheden zijn opgenomen waarmee deze maximale bouwhoogte kan worden vergroot tot 9,9 m. Een van de voorschriften daarbij is dat het dak van het hoofdgebouw hellend wordt uitgevoerd.

16.5. [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] betogen terecht dat het plan voorziet in de mogelijkheid om de afwijkingsmogelijkheden van artikel 12, lid 12.3.1, en artikel 20, lid 20.1, onder a, van de planregels tegelijk toe te passen om een maximale bouwhoogte van 9,9 m te realiseren. Anders dan zij betogen, staat de Wro noch het systeem van het bestemmingsplan echter in de weg aan een regeling waarbij twee afwijkingsmogelijkheden tegelijk worden toegepast.

Het betoog faalt.

16.6. [appellant sub 2] betoogt terecht dat in het plan niet is gewaarborgd dat een woning met een hogere bouwhoogte dan 7 m wordt gebouwd met een kap. Op grond van artikel 12, lid 12.3.1, van de planregels moet een woning waarbij wordt afgeweken van de maximale bouwhoogte van 7 m worden gebouwd met een hellend dak. [appellant sub 2] betoogt terecht dat op grond van deze bepaling ook een woning met een lessenaarsdak is toegestaan. Dit betekent dat op een afstand van 15 m achter de woning van [appellant sub 2] een woning kan worden gebouwd met een hoogte van 9,9 m die recht omhoog gaat. Dat in de planregels niet is gewaarborgd dat een dergelijke woning wordt gebouwd met een kap, betekent niet dat het plan niet zorgvuldig is voorbereid. De raad heeft toegelicht dat het in het kader van een goede ruimtelijke ordening niet noodzakelijk is dat een dergelijke woning wordt gebouwd met een kap. Het vereiste om woningen waarbij wordt afgeweken van de maximale bouwhoogte te bouwen met een hellend dak is niet opgenomen ter bescherming van het woon- en leefklimaat van omwonenden, maar om te voldoen aan het SPvE en het Beeldkwaliteitsplan. De raad heeft zich onbestreden op het standpunt gesteld dat de bouw van een woning met een lessenaarsdak niet in strijd is met het SPvE en het Beeldkwaliteitsplan.

Het betoog faalt.

16.7. Dat de raad een voorstel om bomen te verplaatsen heeft afgewezen uit het oogpunt van de ruimtelijke samenhang, betekent niet dat de raad in dit plan niet in redelijkheid in de bouwmogelijkheden heeft kunnen voorzien. In de door [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] overgelegde motivering staat dat geen noodzaak bestaat om de bomen te verplaatsen. De aanwezige watergang en beplanting vormen een geheel. Een te grote afstand doet afbreuk aan het ruimtelijk geheel. Tevens komen de bomen dan te dichtbij de achtertuinen van aangrenzende woningen te staan. Dit wordt door bewoners als zeer ongewenst ervaren, aldus de motivering. Anders dan [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] betogen, is het voorstel om een aantal bomen ter verplaatsen vanuit ruimtelijk oogpunt niet te vergelijken met het verhogen van een bouwhoogte. Dat de raad vanuit ruimtelijk oogpunt bezwaar had tegen de verplaatsing van de bomen, betekent niet dat de raad zich daarmee heeft uitgesproken tegen elke wijziging van de ruimtelijke mogelijkheden in het gebied.

Het betoog faalt.

Privacy

17. [appellant sub 2], [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] betogen dat het plan leidt tot een onaanvaardbare aantasting van hun privacy. Zij voeren hiertoe aan dat de voorziene woningen op korte afstand van hun percelen kunnen komen te staan. Voorts maakt het plan mogelijk dat de woningen worden gebouwd met een aanbouw waarop een dakterras kan worden aangelegd. De toekomstige bewoners hebben van hieruit zicht op hun percelen, aldus [appellant sub 2], [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5].

17.1. De raad stelt zich op het standpunt dat geen sprake zal zijn van een onevenredige aantasting van de privacy van [appellant sub 2], [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5]. De nieuwe woningen moeten op een acceptabele afstand van de bestaande woningen worden gebouwd, aldus de raad.

18. Ingevolge artikel 12, lid 12.2.2, gelden voor aan- en uitbouwen de volgende regels:

b. diepte van een aan- en uitbouw aan de achtergevel van het hoofdgebouw mag maximaal 4 m bedragen;

c. de bouwhoogte van aan- en uitbouwen mag maximaal de hoogte van de eerste bouwlaag van het bijbehorende hoofdgebouw bedragen vermeerderd met 0,4 m;

g. balkons en dakterrassen op aan- en uitbouwen zijn toegestaan.

18.1. Vast staat dat op het perceel achter dat van [appellant sub 2] een nieuwe woning kan worden gerealiseerd met een hoogte van 9,9 m. De afstand tussen de nieuwe woning en de woning [appellant sub 2] is minimaal 15 m. Bij de nieuwe woning kan een aanbouw van 4 m diep worden gebouwd. Deze aanbouw kan ongeveer 3 m hoog worden en daarop is een terras toegestaan. Deze aanbouw kan op een minimum afstand van 11 m van de woning van [appellant sub 2] worden gebouwd. Vast staat dat op de percelen achter die van [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] eveneens nieuwe woningen kunnen worden gerealiseerd met een hoogte van 9,9 m. Ingevolge artikel 12, lid 12.2.1, onder f, is de afstand van een nieuwe woning met een dergelijke hoogte tot de woningen van [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] minimaal 19,8 m. Bij deze nieuwe woningen kan ook een aanbouw van 4 m diep worden gebouwd. Deze aanbouw kan op een minimum afstand van 15,8 m van de woningen van [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] worden gebouwd.

18.2. [appellant sub 2], [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] betogen terecht dat zij door de in het plan voorziene bouwmogelijkheden kunnen worden geconfronteerd met een beperking van hun privacy. De raad heeft zich echter terecht op het standpunt gesteld dat de woningen zijn gelegen in stedelijk gebied en dat de voorziene bouwmogelijkheden niet ongebruikelijk zijn voor een dergelijk gebied. Dat vanuit de voorziene woningen en vanaf de aanbouw met terras inkijk bestaat op de tuinen en in de woningen van [appellant sub 2], [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] is in stedelijk gebied evenmin ongebruikelijk. De raad stelt voorts terecht dat in stedelijk gebied een aanspraak op privacy per definitie niet onbeperkt is en dat hier enige mate van beperking van privacy mag worden verwacht. Nu in de planregels is voorzien dat een acceptabele afstand moet worden aangehouden tussen de nieuwe woningen en de bestaande woningen van [appellant sub 2], [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5], heeft de raad zich gelet op het voorgaande in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de mate waarop de privacy van [appellant sub 2], [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] wordt beperkt niet zodanig is dat dit niet aanvaardbaar kan worden geacht.

Daarbij betrekt de Afdeling dat de bouw van woningen met een bouwhoogte van meer dan 7 m alleen mogelijk is nadat gebruik is gemaakt van de afwijkingsmogelijkheid die is opgenomen in artikel 12, lid 12.3.1, of die van artikel 20, lid 20.1, onder a, van de planregels of een combinatie van beide. Aan de omgevingsvergunning dient in dat geval een belangenafweging ten grondslag te worden gelegd. In deze afweging moet aandacht worden besteed aan de gevolgen van de bouw van de woning op de privacy van omwonenden en de andere in artikel 12, lid 12.3.2, genoemde belangen.

Het betoog faalt.

Schaduwhinder

19. [appellant sub 2], [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] betogen voorts dat zij als gevolg van de voorziene maximale bouwmogelijkheden worden geconfronteerd met een onaanvaardbare toename van schaduwhinder. Zij voeren hiertoe aan dat zij als gevolg van de voorziene woningen op hun percelen in de winter- en voorjaarsmaanden veel zonlicht verliezen. [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] stellen dat het bezonningsrapport dat bij de totstandkoming van het plan is opgesteld onvoldoende gedetailleerd is om hieraan conclusies te verbinden. Bovendien had de raad volgens [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] uit moeten gaan van de door TNO opgestelde strenge norm voor het aantal uren bezonning op een perceel (hierna: de strenge TNO-norm). [appellant sub 4] betoogt verder dat de raad ten onrechte heeft voorzien in woningbouwmogelijkheden op een afstand van 13 m schuin achter zijn woning. Volgens [appellant sub 4] heeft dit aanzienlijke schaduwhinder tot gevolg.

19.1. De raad heeft een bezonningsstudie laten verrichten. Uit de bezonningsstudie volgt dat de bezonningssituatie verbetert ten opzichte van de situatie die mogelijk is op grond van de bouwmogelijkheden van het vorige uitwerkingsplan. In de bezonningsstudie is volgens de raad bovendien uitgegaan van een worst case-scenario, dat in de praktijk niet haalbaar zal zijn. Voorts stelt de raad dat in de nieuwe situatie aan de door TNO opgestelde lichte norm voor het aantal uren bezonning op een perceel (hierna: de lichte TNO-norm) wordt voldaan. De raad stelt daarnaast dat een tweede studie naar de bezonning de conclusies uit de bezonningsstudie bevestigt.

19.2. In het rapport 'Bezonningsstudie Ecologische Verbindingszone Harnaschpolder Delft' van 24 juni 2015, opgesteld door de gemeente Delft (hierna: de bezonningsstudie), is vastgelegd wat de gevolgen zijn van de voorziene bebouwing voor de bezonning op onder meer de percelen van [appellant sub 2], [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5]. In de bezonningsstudie staat dat is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden, waarbij de bebouwing maximaal 9,9 m hoog kan worden. In de bezonningsstudie is de schaduwwerking van de voorziene bebouwing op vier dagen in het jaar berekend. Hierbij is een vergelijking gemaakt met de schaduwwerking van de bebouwing die mogelijk was op grond van het vorige uitwerkingsplan. De berekende schaduwwerking van de voorziene bebouwing is weergegeven op een aantal situatietekeningen.

19.3. [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] hebben met betrekking tot hun percelen zelf een bezonningsstudie laten verrichten. De resultaten hiervan zijn vastgelegd in het rapport 'Bezonningsonderzoek' van 12 oktober 2015, opgesteld door Dantuma Wegkamp (hierna: het tegenrapport). De conclusie van het tegenrapport is dat bij de woningen van [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] niet wordt voldaan aan de lichte TNO-norm.

19.4. Naar aanleiding van de beroepen van [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] heeft de raad een tweede onderzoek laten verrichten naar de bezonning van de percelen. De resultaten hiervan zijn vastgelegd in het memo 'Beantwoording beroepschrift geluid en bezonning/schaduw' van 29 oktober 2015, opgesteld door Royal Haskoning DHV (hierna: het memo) met aanvulling van 16 november 2015. In het memo staat dat de bezonningsstudie van de gemeente Delft extra is gecontroleerd. Op basis van de bezonningsstudie en de aanvullende berekening wordt geconcludeerd dat wordt voldaan aan de lichte TNO-norm. In de aanvulling op het memo wordt ingegaan op het tegenrapport. Hierover staat in het memo dat in het tegenrapport is uitgegaan van slechts vier zonnestanden, terwijl deze over de dag variëren en het noodzakelijk is om meer zonnestanden te berekenen. Verder komen de input voor de zonnehoogte en zonoriëntatie niet overeen met het zonnediagram voor de geolocatie Delft. Bovendien is in het tegenrapport voor alle maanden gerekend tot 12:00 uur terwijl de zon in februari en oktober op zijn hoogst staat om 13:00 uur. De conclusie van het memo is dat de berekeningen in het tegenrapport niet correct zijn uitgevoerd.

19.5. De TNO-normen geven handvatten voor wat als voldoende bezonning kan worden aangemerkt. De lichte TNO-norm gaat uit van minimaal twee bezonningsuren per etmaal in de periode van 19 februari tot en met 21 oktober ter plaatse van het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam. Om aan de strenge TNO-norm te voldoen moet in de periode van 21 januari tot en met 22 november bezonning mogelijk zijn gedurende drie uren per etmaal.

19.6. [appellant sub 2], [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] betogen terecht dat de raad niet kan volstaan met de conclusie dat het plan wat betreft de bezonning een verbetering is ten opzichte van de bouwmogelijkheden die onder het voorgaande uitwerkingsplan mogelijk waren. Deze bouwmogelijkheden zijn nooit benut. De raad moet in het kader van dit plan daarom de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de bouwmogelijkheden opnieuw verantwoorden. De raad heeft evenwel niet slechts volstaan met een vergelijking met de bouwmogelijkheden die golden onder het voorgaande uitwerkingsplan. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de in het plan voorziene bouwmogelijkheden op zichzelf bezien niet leiden tot onaanvaardbare schaduwhinder. De raad heeft toegelicht dat de vergelijking met het voorgaande plan niet doorslaggevend is geweest.

Het betoog faalt.

19.7. Ter zitting hebben [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] toegelicht dat zij niet langer betwisten dat voor de bezonning van hun percelen wordt voldaan aan de lichte TNO-norm. Desgevraagd hebben zij ter zitting voorts toegelicht dat zij de conclusies van de bezonningsstudie niet betwisten, maar dat volgens hen de weergave van de schaduw afkomstig van de nieuwe bebouwing op de situatietekeningen van de bezonningsstudie niet klopt. Op de situatietekeningen die horen bij het memo is te zien dat de schaduw afkomstig van de nieuwe bebouwing zich verder uitstrekt dan op de situatietekeningen die horen bij de bezonningsstudie. [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] hebben die weergave van de schaduwwerking op de situatietekeningen bij het memo niet betwist. De Afdeling zal derhalve voor de weergave van de schaduwwerking van de voorziene bebouwing uitgaan van de situatietekeningen bij het memo.

Op deze situatietekeningen is te zien dat de voorziene bebouwing op 21 juni, wanneer de zon het hoogst staat, nauwelijks zal leiden tot schaduw op de percelen van [appellant sub 2], [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5]. Op 21 december, wanneer de zon het laagst staat, zal de voorziene bebouwing tot ongeveer 12:00 uur zorgen voor aanzienlijke schaduw op het perceel van [appellant sub 2] en de gehele dag zorgen voor aanzienlijke schaduw op de percelen van [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5]. Op 19 februari zal de voorziene bebouwing tot ongeveer 12:00 uur zorgen voor aanzienlijke schaduw op het perceel van [appellant sub 2], tot ongeveer 16:00 uur voor aanzienlijke schaduw op het perceel van [appellant sub 4] en tot ongeveer 13:00 uur voor aanzienlijke schaduw op de percelen van [appellant sub 6] en [appellant sub 5]. Ten slotte zal de voorziene bebouwing op 21 maart tot ongeveer 11:00 uur zorgen voor schaduw op de percelen van [appellant sub 2], [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5].

19.8. Uit het memo volgt dat [appellant sub 2], [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] met name in de wintermaanden zullen worden geconfronteerd met aanzienlijke schaduwhinder van de voorziene bebouwing. Anders dan zij betogen, heeft de raad dit echter in redelijkheid aanvaardbaar kunnen achten. De raad heeft hiervoor van belang kunnen achten dat voor de bezonning van de woningen van [appellant sub 2], [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] wordt voldaan aan de lichte TNO-norm. Anders dan appellanten betogen, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de strenge TNO-norm had moeten toepassen. De raad heeft voorts van belang kunnen achten dat in het voorjaar en de zomer de percelen van appellanten grotendeels gevrijwaard blijven van schaduw afkomstig van de voorziene bebouwing. De raad stelt zich verder terecht op het standpunt dat het memo is uitgegaan van een worst case-scenario dat in de praktijk niet kan worden gerealiseerd. Uit de situatietekeningen volgt dat is uitgegaan van één groot bouwblok, terwijl het bestemmingsplan verplicht tot het vrijstaand bouwen van de voorziene woningen. Dit betekent dat de daadwerkelijke schaduwhinder van de voorziene bebouwing minder zal zijn dan op de situatietekeningen is weergegeven.

Daarbij betrekt de Afdeling dat de bouw van woningen met een bouwhoogte van meer dan 7 m alleen mogelijk is nadat gebruik is gemaakt van de afwijkingsmogelijkheid die is opgenomen in artikel 12, lid 12.3.1, of die van artikel 20, lid 20.1, onder a, van de planregels of een combinatie van beide. Aan de omgevingsvergunning dient in dat geval een belangenafweging ten grondslag te worden gelegd. In deze afweging moet aandacht worden besteed aan de gevolgen van de bouw van de woning op de bezonningssituatie van omwonenden en de andere in artikel 12, lid 12.3.2, genoemde belangen.

Het betoog faalt.

Duurzaamheid

20. [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] betogen dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat hun woningen energiezuinig zijn gebouwd en voor hun warmtevoorziening afhankelijk zijn van de inval van zonlicht en zonnewarmte. Door de voorziene bebouwing zullen de energieopbrengsten van hun woningen teruglopen. Zij voeren in dit kader voorts aan dat het gemeentebestuur bij de verkoop van de gronden als eis stelde dat de woningen duurzaam werden gebouwd. [appellant sub 6] betoogt verder dat hij een stuk grond achter zijn woning pacht waarop een schuur met 30 zonnepanelen staat. Door de bouw van de voorziene woningen zal nog slechts de helft van de panelen bezonning krijgen.

20.1. In het tegenrapport is berekend hoeveel extra energie nodig is om de huizen van [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] te verwarmen. Voorts zijn de extra energiekosten berekend. Volgens het tegenrapport zijn de extra energiekosten voor [appellant sub 4] € 16,22 per jaar en voor [appellant sub 5] € 7,84 per jaar. In het tegenrapport staat dat de stroomproductie van [appellant sub 6] daalt van 6976 kWh naar 4032 kWh per jaar. Dit kost hem € 647,68 per jaar.

20.2. In de door [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] overgelegde koopovereenkomsten staat dat de door hen te realiseren woningen een energiescore van 7,5 moeten halen. De raad heeft zich onbestreden op het standpunt gesteld dat het voor het behalen van deze score niet nodig was om een passief huis te bouwen. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de extra energiekosten van [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] niet bijzonder hoog zijn. De raad heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat de passiefhuizen van [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] nog steeds kunnen functioneren indien de voorziene bebouwing wordt gerealiseerd. De raad heeft gelet hierop in redelijkheid geen doorslaggevend gewicht hoeven toekennen aan verminderde energieopbrengsten en de extra energiekosten van [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5].

Het betoog faalt.

Ecologische verbindingszone

21. [appellant sub 2], [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] betogen voorts dat het plan leidt tot aantasting van de ecologische verbindingszone. [appellant sub 2] voert hiertoe aan dat de raad niet heeft afgewogen wat de gevolgen zijn van de maximale bouwmogelijkheden voor de ecologische verbindingszone. Voorts heeft de raad niet onderkend dat bij benutting van de maximale planologische mogelijkheden, waaronder de mogelijkheden om vergunningvrij te bouwen, het perceel voor 34% kan worden bebouwd. Volgens [appellant sub 2] is dit in strijd met het standpunt van de raad dat in de ecologische verbindingszone het maximale bebouwingspercentage 20% dient te zijn. [appellant sub 2] stelt dat het plan voorziet in dusdanige bouwmogelijkheden dat geen ruimte meer bestaat voor de ecologische verbindingszone. [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] voeren aan dat het voorgaande uitwerkingsplan voorzag in verdere waarborgen om aantasting van de ecologische verbindingszone te beperken. In dit plan is de maximale bouwhoogte verhoogd naar bijna 10 m. Voorts voorziet het plan niet in een vergunningstelsel voor het aanleggen van verhardingen. Hierdoor kan een onevenwichtig beeld in de ecologische verbindingszone ontstaan. Volgens [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] is dit strijdig met de afspraken die met naburige gemeentebesturen zijn gemaakt omtrent de ecologische verbindingszone. [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] betogen voorts dat het plan in strijd is met het beleid in de Nota Groen Delft 2012-2020. Zij voeren hiertoe aan dat de voorziene bebouwing de verplaatsing van onder meer vleermuizen bemoeilijkt.

21.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het oppervlak dat kan worden bebouwd niet wezenlijk afwijkt van hetgeen onder het voorheen geldende plan mogelijk was. Het plan voorziet op het perceel in een combinatie van wonen en groen. De bouwmogelijkheden passen daarbij en zijn niet zodanig groot dat geen ruimte meer overblijft voor de ecologische verbindingszone. Voorts voorziet het plan volgens de raad in artikel 12, lid 12.6, van de planregels in een vergunningstelsel voor het aanleggen van verhardingen.

21.2. Ingevolge artikel 12, lid 12.2.1, van de planregels gelden voor het bouwen van bouwwerken binnen het bouwvlak de regels van artikel 18 en de volgende bepalingen:

a. binnen deze bestemming moeten de woningen vrijstaand worden opgericht;

b. het bebouwingspercentage mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' is aangegeven. c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - ecologische verbindingszone 2' is een bebouwingspercentage van 20% van het bestemmingsvlak toegestaan.

Ingevolge lid 12.2.2, zijn bijbehorende bouwwerken zowel binnen als buiten het bouwvlak toegestaan onder de voorwaarde dat de oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken niet meer bedraagt dan:

1. in geval van een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m²: 50% van dat bebouwingsgebied;

2. in geval van een bebouwingsgebied groter dan 100 m² en kleiner dan of gelijk aan 300 m²: 50 m², vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m²;

3. in geval van een bebouwingsgebied groter dan 300 m²: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m², tot een maximum van in totaal 150 m².

Ingevolge lid 12.6.1, aanhef en onder a, van de planregels is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, oppervlakteverhardingen, waaronder halfverharde paden en wegen, voor meer dan 20% van het erf behorende bij het hoofdgebouw aan te leggen.

21.3. In de plantoelichting staat dat in het plan is vastgelegd dat, mits dit goed ingepast wordt, een aantal huizen gerealiseerd mag worden in verbindingszone het Scharnier. Er zijn restricties aan bebouwingspercentages opgenomen (maximaal 20%) en door maximalisatie van het te verharden oppervlak (maximaal 20%) wordt de ecologische functie gehandhaafd. Voor dit plangebied speelt hierbij ook de economische en sociale functie van groen in de vorm van waarde van huizen en belevingswaarde. Met het beperkte bebouwingspercentage blijft de beleving van het groen behouden en de economische functie gehandhaafd. Het groen in het Scharnier heeft vooral een ecologische en economische functie en in mindere mate een functie vanuit ruimtelijk, sociaal en fysisch perspectief.

21.4. Het beleid ten aanzien van natuur in Delft is vastgelegd in de Ruimtelijke structuurvisie Delft 2030. De Nota Groen Delft 2012-2020 is hier een nadere uitwerking van. Het beleid is gericht op het creëren van een groen, attractief en duurzaam woon- en leefmilieu door middel van een groen raamwerk, bestaande uit vlakken, lijnen en punten. Hierin worden de waarden van groen ingezet als instrument om deze in projecten, plannen en beheer tot hun recht te laten komen. Voor natuur is een stedelijke ecologische hoofdstructuur opgesteld. In de Nota Groen Delft 2012-2020 staat hierover dat via de ecologische verbindingszones planten en dieren zich door de stad kunnen verplaatsen en dat uitwisseling van soorten plaatsvindt tussen groengebieden in en om de stad. Voor vele planten en dieren zijn de verbindingszones ook een leefplek. Volgens deze nota zet de ecologische structuur de stad niet op slot.

21.5. Anders dan [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] betogen, voorziet het plan in artikel 12, lid 12.6.1, aanhef en onder a, van de planregels in een vergunningstelsel voor het aanleggen van verhardingen. Het betoog mist in zoverre feitelijke grondslag.

21.6. Vast staat dat het plan bij recht toestaat dat de percelen voor 20% worden bebouwd. Tussen partijen is voorts niet in geschil is dat indien de maximale mogelijkheden voor het bouwen van hoofdgebouwen en al dan niet vergunningvrije bouwwerken worden benut een hoger percentage aan bebouwing kan worden gerealiseerd. Dit percentage kan oplopen tot ongeveer 38% voor het perceel achter het perceel van [appellant sub 2]. Anders dan [appellant sub 2] betoogt, heeft de raad dit onderkend en in zijn afweging betrokken.

Anders dan [appellant sub 2], [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] betogen, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de voorziene bouwmogelijkheden niet zodanig zijn dat de ecologische verbindingszone wordt aangetast. De raad heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van strijd met het beleid opgenomen in de Nota Groen Delft 2012-2020. Uit dit beleid volgt dat de ecologische verbindingszone met name als doel heeft om enerzijds een groen woon- en leefmilieu te creëren en anderzijds de verplaatsing van plant- en diersoorten binnen Delft mogelijk te maken en de biodiversiteit te vergroten. De raad stelt zich derhalve terecht op het standpunt dat de ecologische verbindingszone is bedoeld om een combinatie van wonen en groen mogelijk te maken. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de voorziene bouwmogelijkheden niet zodanig groot zijn dat een dergelijke combinatie niet meer mogelijk is. Hoewel [appellant sub 2], [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] terecht stellen dat de voorziene bebouwing mogelijk van invloed is op de verplaatsingsmogelijkheden van plant- en diersoorten, betekent dit niet dat de ecologische verbindingszone niet kan functioneren. Het beleid bevat geen verbod op ontwikkelingen die de verplaatsingsmogelijkheden van diersoorten mogelijk kunnen belemmeren. Het beleid stelt juist uitdrukkelijk dat de ecologische hoofdstructuur de stad niet op slot zet. Dit betekent dat ontwikkelingen die mogelijk niet bijdragen aan het behoud of versterken van de ecologische hoofdstructuur niet zonder meer zijn uitgesloten. Dat de voorziene bouwhoogte afwijkt van de bouwhoogten in de omgeving betekent ten slotte evenmin dat de ecologische verbindingszone wordt aangetast. De ecologische verbindingszone heeft niet ten doel om te bewerkstellingen dat binnen deze zone uniforme bouwmogelijkheden komen te gelden. Voor zover [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] betogen dat door de in het plan voorziene maximale bouwhoogte de mogelijkheid bestaat dat detonerende bebouwing wordt opgericht waardoor een onevenwichtig bebouwingsbeeld kan ontstaan, geldt dat dit derhalve niet een aspect is waarop de ecologische verbindingszone betrekking heeft.

Het betoog faalt.

21.7. Anders dan [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] betogen is het plan niet in strijd is met de afspraken van het gemeentebestuur met de besturen van naburige gemeentes. Zij hebben dit betoog niet onderbouwd. De raad heeft voorts ter zitting onweersproken toegelicht dat voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan overleg is gevoerd met de besturen van een aantal naburige gemeenten en dat geen bezwaren bestonden tegen het plan.

Het betoog faalt.

Afwijkingsbevoegdheid

22. [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] betogen verder dat de voorschriften in artikel 12, lid 12.3.1, van de planregels voor toepassing van de afwijkingsbevoegdheid om de bouwhoogte te vergroten onvoldoende objectief zijn bepaald. Voorts heeft de raad ten onrechte niet onderzocht of toepassing van deze afwijkingsbevoegdheid planologisch aanvaardbaar is. Volgens [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] had de raad in ieder geval als voorschrift moeten opnemen dat aan de strenge TNO-norm moet worden voldaan.

22.1. Ingevolge artikel 12, lid 12.3.1, van de planregels kan het bevoegd gezag afwijken van het bepaalde in lid 12.2.1, onder e (lees: d), om de bouwhoogte van het hoofdgebouw te verhogen onder de voorwaarde dat:

1. de bouwhoogte maximaal 9 meter bedraagt;

2. het dak van het hoofdgebouw hellend wordt uitgevoerd met een minimale hellingshoek van 25 graden en een maximale hellingshoek van 55 graden;

3. het hoofdgebouw een aaneengesloten plat dak mag hebben met een oppervlakte van maximaal 15 m².

Ingevolge lid 12.3.2 verleent het bevoegd gezag de in lid 12.3.1 bedoelde omgevingsvergunning indien de gebruiksmogelijkheden en verblijfskwaliteit van de aangrenzende en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden aangetast. In de beoordeling wordt aandacht besteed aan de bezonningssituatie op de aangrenzende erven of tuinen, de privacy en de stedenbouwkundige kwaliteit voor wat betreft het straatbeeld en de ruimtelijke samenhang met de omgeving.

22.2. Anders dan [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] betogen, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de afwijkingsbevoegdheid in artikel 12, lid 12.3.1, van de planregels onvoldoende objectief is bepaald. Duidelijk is binnen welke bestemming de afwijkingsbevoegdheid geldt en van welke planregel kan worden afgeweken. Voorts is de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid objectief begrensd, nu hiermee de bouwhoogte kan worden vergroot tot maximaal 9 m. Dat de afwijkingsbevoegdheid voorziet in een nader afwegingsmoment, betekent evenmin dat deze niet objectief is begrensd. Anders dan [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] betogen, hoeft niet op voorhand vast te staan in welke gevallen de afwijkingsbevoegdheid kan worden toegepast. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 juli 2013 in zaak nr. 201201494/1/R4, ECLI:NL:RVS:2013:2980) is het voorschrift dat de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden niet in onevenredige mate mogen worden aangetast niet ongebruikelijk.

Het betoog faalt.

22.3. Anders dan [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] verder betogen, heeft de raad wel onderzocht of toepassing van de afwijkingsbevoegdheid planologisch in beginsel aanvaardbaar is. Zoals hiervoor onder 19.2 is overwogen is in de bezonningsstudie uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden inclusief de mogelijkheden die met toepassing van de afwijkingsbevoegdheden mogelijk zijn. Anders dan [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] verder betogen, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in de voorschriften had moeten opnemen dat aan de strenge TNO-norm dient te worden voldaan.

Het betoog faalt.

Conclusie

23. Anders dan [appellant sub 2], [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] betogen heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de voorziene bouwmogelijkheden niet zullen leiden tot een onaanvaardbare aantasting van hun privacy of tot onaanvaardbare schaduwhinder. Voorts heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bouwmogelijkheden niet zullen leiden tot een onaanvaardbare aantasting van de ecologische verbindingszone. Hetgeen [appellant sub 2], [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] hebben aangevoerd, biedt geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid in de bouwmogelijkheden voor het Scharnier heeft kunnen voorzien.

Slot

24. De beroepen van [appellant sub 3], [appellant sub 2], [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5], behalve voor zover gericht tegen het perceel [locatie 3], zijn ongegrond.

Proceskostenveroordeling

25. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellanten sub 5], voor zover gericht tegen het plandeel voor het perceel [locatie 3], en [appellant sub 7] niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 2], [appellanten sub 3], [appellanten sub 4], [appellanten sub 6] en [appellanten sub 5], voor het overige, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Schaaf, griffier.

w.g. Van Buuren w.g. Schaaf

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2016

523.