Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:548

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-03-2016
Datum publicatie
02-03-2016
Zaaknummer
201509170/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit door de raad tot de vaststelling van een bestemmingsplan voor de in de uitspraak van de Afdeling van 20 mei 2015 in zaak nr. 201307446/1/R3 genoemde planonderdelen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/203
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201509170/1/R3.

Datum uitspraak: 2 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), beiden wonend te Valkenswaard,

2. [appellant sub 2], wonend te Valkenswaard,

en

de raad van de gemeente Valkenswaard,

verweerder.

Procesverloop

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit door de raad tot de vaststelling van een bestemmingsplan voor de in de uitspraak van de Afdeling van 20 mei 2015 in zaak nr. 201307446/1/R3 genoemde planonderdelen.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 februari 2016, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. A. Verhoeven, en [appellant sub 2] zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), gelezen in samenhang met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb kan een belanghebbende bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beroep instellen tegen een besluit omtrent de vaststelling van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld: het niet tijdig nemen van een besluit.

Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, kan het beroepschrift worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft meegedeeld dat het in gebreke is.

Ingevolge artikel 8:55d, eerste lid, bepaalt de bestuursrechter, indien het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt.

Ingevolge het tweede lid verbindt de bestuursrechter een nadere dwangsom aan zijn uitspraak voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven.

Ingevolge het derde lid kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen in bijzondere gevallen of indien naleving van andere wettelijke voorschriften daartoe noopt.

2. Bij de uitspraak van 20 mei 2015 heeft de Afdeling, voor zover hier van belang, de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] tegen het besluit van 27 juni 2013, waarbij het bestemmingsplan "Buitengebied" is vastgesteld, gegrond verklaard en dat besluit gedeeltelijk vernietigd, voor zover het betreft:

III.i. artikel 40, lid 40.1, onder a, van de planregels, voor zover uitbreiding van bebouwing van intensieve veehouderijen in extensiveringsgebied niet is uitgesloten;

III.j. artikel 5 van de planregels, voor zover niet is bepaald dat binnen gebouwen van intensieve veehouderijen in extensiveringsgebied ten hoogste één bouwlaag gebruikt mag worden voor het houden van dieren;

III.k. het agrarische bouwvlak op het perceel aan de Zeelberg 47, voor zover dit is vergroot ten opzichte van het voorheen geldende plan "2e partiële herziening, Buitengebied 1998";

III.l. artikel 1, lid 1.44, van de planregels;

III.m. artikel 5, lid 5.6.1, aanhef en onder a, van de planregels, voor zover niet is bepaald dat voor kuilvoerplaten geen gebruik mag worden gemaakt van de afwijkingsbevoegdheid;

III.o. het plandeel met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" voor het perceel, kadastraal bekend gemeente Valkenswaard, sectie K, nr. 71, voor zover geen rekening is gehouden met de bestaande bebouwing.

De Afdeling heeft de raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb opgedragen om binnen 26 weken na de verzending van die uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan voor onder meer de planonderdelen genoemd onder III.i, III.j, III.l, III.m en III.o te nemen.

3. De raad heeft nog niet besloten tot de vaststelling van een bestemmingsplan voor deze planonderdelen. De termijn zoals gegeven in de uitspraak van de Afdeling van 20 mei 2015 is derhalve overschreden.

4. Bij brieven van 20 november 2015 onderscheidenlijk 30 november 2015 hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] de raad meegedeeld dat hij in gebreke is tijdig een besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan te nemen en gevraagd alsnog binnen twee weken na de ontvangst daarvan een besluit te nemen. Vervolgens hebben zij na het verstrijken van die termijn beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. [appellant sub 1] verwijst daarbij naar een brief van 13 oktober 2015 van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Valkenswaard waarin is vermeld dat het bestemmingsplan "Buitengebied" integraal zal worden herzien, zodat het plan naast de in de uitspraak van 20 mei 2015 vernietigde planonderdelen tevens op diverse andere onderdelen zal worden aangepast. Er wordt gepoogd het voorontwerp van dit nieuwe plan begin 2016 ter inzage te leggen en dit plan in 2017 vast te stellen. Gelet hierop heeft de raad niet voldaan aan de uitspraak van de Afdeling. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] verzoeken de Afdeling de raad op te dragen om binnen een bepaalde termijn alsnog te besluiten tot vaststelling van het bestemmingsplan en met toepassing van artikel 8:55d van de Awb aan de uitspraak een dwangsom te verbinden voor iedere dag dat de raad in gebrek blijft de uitspraak na te leven.

5. Gelet op het vorenstaande en gezien het feit dat de raad niet binnen twee weken nadat hij in gebreke is gesteld alsnog heeft besloten tot vaststelling van het bestemmingsplan voor de planonderdelen, zijn de beroepen gegrond.

6. De raad dient op grond van artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb alsnog een besluit te nemen tot de vaststelling van het bestemmingsplan. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen. Daarbij overweegt de Afdeling dat het de raad weliswaar vrij staat om in een nieuw vast te stellen plan meer te regelen dan door de Afdeling is opgedragen, doch dat dit niet ten nadele mag komen van degene, met het oog op wiens belang de Afdeling juist een termijn voor het vaststellen van een nieuw plan heeft gesteld.

7. De Afdeling zal voorts met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepalen dat de raad een dwangsom verbeurt voor iedere dag dat de raad in gebreke blijft de uitspraak na te leven.

8. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] te worden veroordeeld.

Daarbij bestaat geen aanleiding voor vergoeding van de reis- en verletkosten van [gemachtigde].

Voorts komen de kosten die [appellant sub 2] heeft opgegeven voor het reizen anders dan met het openbaar vervoer niet voor vergoeding in aanmerking, omdat onvoldoende is gemotiveerd waarom het reizen met het openbaar vervoer niet of niet voldoende mogelijk is. Bij het vaststellen van de gemaakte reiskosten gaat de Afdeling daarom uit van het tevens door [appellant sub 2] opgegeven dichtstbijgelegen treinstation, te weten Eindhoven.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan voor de in de uitspraak van de Afdeling van 20 mei 2015 in zaak nr. 201307446/1/R3 onder III.i, III.j, III.l, III.m en III.o van de beslissing genoemde onderdelen;

III. draagt de raad van de gemeente Valkenswaard op om uiterlijk 17 juni 2016 een besluit te nemen omtrent de vaststelling van een bestemmingsplan voor de onderdelen onder II. van deze beslissing en dit besluit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze en binnen de daarvoor gestelde termijn bekend te maken;

IV. bepaalt dat de raad van de gemeente Valkenswaard aan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] een dwangsom verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn om te beslissen overschrijdt, waarbij de hoogte van de dwangsom € 50,00 (zegge: vijftig euro) bedraagt, met een maximum van € 7.500,00 (zegge: zevenduizend vijfhonderd euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

V. bepaalt dat de raad van de gemeente Valkenswaard aan [appellant sub 2] een dwangsom verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn om te beslissen overschrijdt, waarbij de hoogte van de dwangsom € 50,00 (zegge: vijftig euro) bedraagt, met een maximum van € 7.500,00 (zegge: zevenduizend vijfhonderd euro);

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Valkenswaard tot vergoeding van bij [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 992,00 (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen, en van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 45,50 (zegge: vijfenveertig euro en vijftig cent);

VII. gelast dat de raad van de gemeente Valkenswaard aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) voor [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen, en € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) voor [appellant sub 2] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.L. Schoor, griffier.

w.g. Van Sloten w.g. Schoor

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2016

758.