Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:541

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-03-2016
Datum publicatie
02-03-2016
Zaaknummer
201506569/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 juli 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitendams 326" vastgesteld (hierna: het oorspronkelijke besluit).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201506569/1/R6.

Datum uitspraak: 2 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellante B] (hierna in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Hardinxveld-Giessendam,

en

de raad van de gemeente Hardinxveld-Giessendam,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitendams 326" vastgesteld (hierna: het oorspronkelijke besluit).

Tegen het oorspronkelijke besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Bij besluit van 15 oktober 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitendams 326" gewijzigd vastgesteld (hierna: het herstelbesluit).

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 januari 2015, waar [appellant], vertegenwoordigd door J. van den Berg MSc, werkzaam bij Van den Berg - Advies in Ruimtelijke Ordening, en R.E.S.S. Vliex, werkzaam bij Vliex Akoestiek en Lawaaibeheersing, en de raad, vertegenwoordigd door drs. J. Duijm, werkzaam bij de gemeente, mr. M.C.G. van Tilburg, werkzaam bij Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid, ing. R. Wegener en M.J. van Wijngaarden, beiden werkzaam bij Kuiper Compagnons, zijn verschenen. Voorts is daar stichting Stichting Buitenhof, vertegenwoordigd door mr. R.T.M. Lagerweij, als partij gehoord.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan

2. Het plan voorziet in een woonzorgcomplex van maximaal twaalf wooneenheden in Hardinxveld-Giessendam.

Het geschil

3. [appellant] heeft een metaalhandel met een bedrijfswoning direct grenzend aan het plangebied en op ongeveer 20 m afstand tot het bouwvlak dat voorziet in het woonzorgcomplex. Hij is van mening dat zijn metaalhandel teveel geluid produceert om ter plaatse van het woonzorgcomplex een goed woon- en leefklimaat te realiseren. Hij vreest dat zijn bedrijfsvoering en -ontwikkeling ernstig zullen worden belemmerd. [appellant] stelt ook dat zijn eigen woon- en leefklimaat ernstig zal worden aangetast.

De tussenuitspraak van de Afdeling van 25 februari 2015 in zaak nr. 201407319/1/R6

4. De nu aan de orde zijnde besluiten hebben betrekking op dezelfde planologische ontwikkeling als in het bestemmingsplan "Buitendams 326" dat bij besluit van 10 juli 2014 werd vastgesteld. De Afdeling heeft in haar tussenuitspraak van 25 februari 2015 overwogen dat het besluit van de raad van 10 juli 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitendams 326", wat betreft het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 12 weken na de verzending van de tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen in 5.3 is overwogen:

a. alsnog inzichtelijk te maken wat de gevolgen zijn van de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" voor [appellant], uitgaande van de maximale mogelijkheden die het bestemmingsplan "Giessendam West I en II" voor het perceel van [appellant] biedt, en b. op basis van de uitkomsten van het onder a. bedoelde onderzoek opnieuw de bij de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" betrokken belangen af te wegen en te beoordelen of dit plandeel strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

De einduitspraak van de Afdeling van 24 juni 2015 in zaak nr. 201407319/2/R6 (www.raadvanstate.nl)

5. Omdat de raad niet binnen de gestelde termijn heeft voldaan aan de in de tussenuitspraak vermelde opdracht, heeft de Afdeling in haar einduitspraak van 24 juni 2015 het beroep van [appellant] tegen het besluit van 10 juli 2014 gegrond verklaard. Het besluit van 10 juli 2014 is vernietigd, voor zover het betreft de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk".

Het oorspronkelijke besluit van 2 juli 2015

6. Bij het oorspronkelijke besluit van 2 juli 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitendams 326" vastgesteld om alsnog de gebreken te herstellen die in de tussenuitspraak van 25 februari 2015 zijn geconstateerd ten aanzien van het bestemmingsplan "Buitendams 326" van 10 juli 2014. Hiertoe heeft de raad:

a. de hierna te noemen planregels uit het bestemmingsplan "Buitendams 326" van 10 juli 2014 gewijzigd, met dien verstande dat deze als volgt zijn komen te luiden:

- artikel 3, lid 3.2.3, onder a, van de planregels: ter plaatse van de bouwaanduiding "specifieke bouwaanduiding - geluidscherm" zijn de gronden bestemd voor een geluidscherm met een minimale hoogte van 2,3 m ten opzichte van het maaiveld;

- artikel 3, lid 3.4.1, onder a, van de planregels: tot een gebruik strijdig met de bestemming, wordt in ieder geval gerekend het gebruik van gronden en bouwwerken voor bewoning ingeval geen geluidscherm wordt gerealiseerd en gehandhaafd ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - geluidscherm", met dien verstande dat het geluidscherm een minimale hoogte heeft van 2,3 m ten opzichte van het maaiveld.

b. de verbeelding aangepast door de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - geluidscherm" te verlengen tot aan de noord(westelijke) perceelsgrens.

6.1. Verder heeft de raad naar aanleiding van de tussenuitspraak nader gemotiveerd dat het woonzorgcomplex op het perceel Buitendams 326 de bedrijfsvoering van de metaalhandel van [appellant] niet beperkt. Hierbij is hij uitgegaan van de bevindingen die zijn neergelegd in het onderzoek "Aanvullende onderbouwing en onderzoek akoestische situatie Buitendams 326" van Kuiper Compagnons van 18 mei 2015. In dit onderzoek staat het volgende:

- een uiteenzetting van de maximale planologische mogelijkheden voor het bedrijfsperceel van [appellant];

- de constatering dat het woonzorgcomplex wordt gebouwd binnen de richtafstand van 50 m die ingevolge de brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten wordt aanbevolen tot de metaalhandel;

- de motivering dat het woonzorgcomplex en de metaalhandel met elkaar verenigbaar zijn, omdat op de gevel van het voorziene woonzorgcomplex kan worden voldaan aan de in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer dan wel bij maatwerkvoorschrift vastgestelde geluidgrenswaarden. Dit is het geval indien een geluidscherm met een hoogte van 2,30 m wordt opgericht.

Het herstelbesluit van 15 oktober 2015

7. Bij het herstelbesluit van 15 oktober 2015 heeft de raad het oorspronkelijke besluit vervangen. Daarbij heeft de raad:

a. de hierna te noemen planregels uit het bestemmingsplan "Buitendams 326" van 2 juli 2015 gewijzigd, met dien verstande dat deze als volgt zijn komen te luiden:

- artikel 3, lid 3.2.1, onder d, van de planregels: ter plaatse van de bouwaanduiding "specifieke bouwaanduiding - geluiddove gevel" moet de gevel van het woonzorgcomplex als geluiddove gevel worden uitgevoerd en uitgevoerd blijven vanaf de eerste verdieping van het gebouw;

- artikel 3, lid 3.4.1, onder b, van de planregels: tot een gebruik strijdig met de bestemming, wordt in ieder geval gerekend het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een geluidgevoelige functie, ingeval geen geluiddove gevel wordt gerealiseerd en gehandhaafd ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - geluiddove gevel", met dien verstande dat de geluiddove gevel alleen op de verdieping gerealiseerd en gehandhaafd moet worden.

b. de verbeelding aangepast door de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - geluiddove gevel" te verlengen tot en met de eerste etage van het oostelijk deel van de noordgevel.

Artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)

8. De Afdeling merkt het herstelbesluit aan als een besluit in de zin van artikel 6:19 van de Awb, nu dit besluit voorziet in vervanging van het bij het oorspronkelijke besluit vastgestelde bestemmingsplan en betrekking heeft op dezelfde planologische ontwikkeling waarop ook het herstelbesluit ziet en waartegen het beroep van [appellant] is gericht. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, heeft zijn beroep tegen het oorspronkelijke besluit van rechtswege mede betrekking op het herstelbesluit.

Het beroep van [appellant]

Omgevingstype VNG-Brochure

9. [appellant] betoogt dat de raad ten onrechte ervan is uitgegaan dat het plangebied ligt in gemengd gebied als bedoeld in de brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-Brochure). Volgens hem en een door hem geraadpleegde deskundige ligt het plangebied in een rustige woonwijk.

9.1. In de uitspraak van 25 februari 2015 heeft de Afdeling in rechtsoverweging 4.5 reeds geoordeeld dat de omgeving van het plangebied terecht is aangemerkt als gemengd gebied als bedoeld in de VNG-brochure. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding thans anders te oordelen. Hierbij is van belang dat de mate van functiemenging blijkens de VNG-Brochure het criterium is op grond waarvan moet worden beoordeeld of sprake is van een gemengd gebied. Ter zitting is namens [appellant] gesteld dat weliswaar in planologisch opzicht sprake is van een gemengd gebied, maar dat doorslaggevende betekenis moet worden toegekend aan het referentieniveau van het omgevingsgeluid in het plangebied. De Afdeling stelt vast dat aldus een ander, niet op de VNG-Brochure gebaseerd, criterium wordt gehanteerd voor de vraag of sprake is van een gemengd gebied.

Dit betoog faalt.

Akoestisch onderzoek

10. [appellant] betoogt dat in het aanvullende akoestisch onderzoek van Kuiper Compagnons van 18 mei 2015 is uitgegaan van onjuiste aannames. Hij wijst ter onderbouwing van zijn betoog op het in zijn opdracht opgestelde tegenrapport van Vliex Akoestiek en Lawaaibeheersing van 6 augustus 2015. Ten eerste is de aanname onjuist dat opslagactiviteiten en het gebruik als stortplaats voor oud ijzer en schroot niet zijn toegestaan op de bedrijfslocatie. Door uit te gaan van deze aanname zijn de maximale planologische mogelijkheden van de metaalhandel niet op een juiste wijze inzichtelijk gemaakt, aldus [appellant].

Ten tweede voert [appellant] aan dat uit geluidmetingen is gebleken dat in het aanvullende akoestisch onderzoek van Kuiper Compagnons is gerekend met bronvermogens voor het laden van containers die te laag zijn. De maximale geluidsniveaus die zullen optreden in het plangebied zullen dus hoger zijn dan op grond van het onderzoek van Kuiper Compagnons is ingeschat, aldus [appellant].

Ten slotte betoogt [appellant] dat de geluidsbelasting in het woonzorgcomplex dusdanig hoog zal zijn dat de realisering van een goed woon- en leefklimaat niet haalbaar is. Direct gevolg hiervan is dat de metaalhandel met klachten zal worden geconfronteerd, aldus [appellant].

10.1. De raad stelt dat wat betreft de maximale planologische mogelijkheden moet worden vastgesteld dat de toegestane geluidemissie wordt beperkt door de ten noorden en ten oosten van het perceel van [appellant] gelegen woningen. Ter plaatse van deze maatgevende woningen moet immers aan de geluidnormen van het Activiteitenbesluit milieubeheer worden voldaan. De raad stelt dat het aanvullende akoestisch onderzoek heeft uitgewezen dat een overschrijding van de grenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau in het Activiteitenbesluit milieubeheer op de gevel van het woonzorgcomplex - uitgaande van de realisering van een geluidscherm tussen het complex en de metaalhandel - reeds ter plaatse van bestaande woningen een overschrijding zou opleveren van de grenswaarden. Indien de maximale planologische mogelijkheden van [appellant] al ruimte bieden om ter plaatse van het woonzorgcomplex meer geluid te produceren dan de ingevolge het Activiteitenbesluit milieubeheer geldende grenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, zal daar volgens de raad al in de bestaande situatie handhavend tegen kunnen worden opgetreden. De raad stelt dat de metaalhandel door de komst van het woonzorgcomplex in zoverre dus niet wordt beperkt, wat er verder ook zij van de in het aanvullend akoestische onderzoek beschreven maximale planologische mogelijkheden. De Afdeling acht niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is.

De raad stelt dat bij het woonzorgcomplex kan worden voldaan aan het maximaal geluidsniveau dat in acht moet worden genomen op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Voor zover [appellant] betoogt dat geen rekening is gehouden met het geluid van laad- en losactiviteiten, wijst de raad erop dat hij dit geluid overeenkomstig artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder b, van het Activiteitenbesluit milieubeheer buiten beschouwing heeft kunnen laten. De Afdeling acht dit juist. De raad is voorts van mening dat het geluid van laad- en losactiviteiten uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Daarbij heeft hij van belang kunnen achten dat het plan voorziet in geluidwerende voorzieningen.

Over de geluidsbelasting in het woonzorgcomplex heeft de raad ter zitting verklaard dat deze met een gangbare gevelisolatie zal kunnen voldoen aan een acceptabel binnenniveau. [appellant] heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die de Afdeling hieraan doen twijfelen.

10.2. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat het aanvullende akoestische onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat de raad het niet heeft mogen gebruiken ter onderbouwing van zijn standpunt.

De betogen falen. Gelet hierop spreekt de Afdeling zich niet uit over het standpunt van de raad dat artikel 8:69a van de Awb gedeeltelijk aan de bespreking in de weg staat.

Geluidscherm

11. [appellant] betoogt dat ten onrechte niet in het plan is geregeld aan welke kwaliteitseisen het te realiseren geluidscherm moet voldoen. Hij voert aan dat niet is uitgesloten dat wordt volstaan met de plaatsing van een schutting. In dat geval is niet gewaarborgd dat de noodzakelijke geluidwering wordt bewerkstelligd.

11.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.4.1, aanhef en onder a, van de planregels, wordt tot een gebruik strijdig met de bestemming in ieder geval gerekend het gebruik van gronden en bouwwerken voor bewoning ingeval geen geluidscherm wordt gerealiseerd en gehandhaafd ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - geluidscherm', met dien verstande dat het geluidscherm een minimale hoogte heeft van 2,3 m ten opzichte van het maaiveld.

11.2. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen aanleiding bestond om in artikel 3, lid 3.4.1, aanhef en onder a, van de planregels, nadere eisen op te nemen voor het geluidscherm. De raad heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat dit niet nodig is, omdat in dit geval de noodzakelijke geluidwering wordt bewerkstelligd bij gebruikmaking van de voor een normaal geluidscherm gangbare materialen waarbij sprake is van een constructief adequaat geluidscherm dat zorg draagt voor een mate van geluidwerendheid waarmee in het akoestisch onderzoek is gerekend. Dat de geluidwerende functie van dit scherm zou zijn overschat en de noodzakelijke geluidwerendheid van het geluidscherm niet zou worden bewerkstelligd heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt. Een schutting is geen geluidscherm, zodat de raad terecht stelt dat niet kan worden volstaan met de plaatsing van een schutting.

De raad stelt verder terecht dat een gevel ingevolge artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer slechts als dove gevel kan worden aangemerkt wanneer deze voldoet aan de voorwaarden uit artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder. Nu in het plan geen omschrijving is opgenomen van het begrip "dove gevel" kan worden aangesloten bij de uitleg van dit begrip in de Wet geluidhinder. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze uitleg van het begrip "dovel gevel" tot onduidelijkheid zal leiden.

De betogen falen.

12. [appellant] vreest voor onaanvaardbare geluidhinder ter plaatse van zijn bedrijfswoning, veroorzaakt door geluid van zijn metaalbedrijf dat weerkaatst tegen het geluidscherm. Hij betoogt dat het geluidscherm tevens ertoe leidt dat het zicht vanuit de woning verdwijnt. De raad heeft dit volgens hem ten onrechte niet in zijn besluitvorming betrokken.

12.1. De raad stelt dat geen ernstige geluidhinder zal optreden in de bedrijfswoning. Hiertoe stelt hij dat het geluid van het metaalbedrijf dat weerkaatst tegen het scherm grotendeels zal wegvallen tegen het geluid van het metaalbedrijf zelf. De Afdeling acht niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is.

Over de aantasting van het uitzicht wordt overwogen dat geen blijvend recht bestaat op vrij uitzicht. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een ernstige aantasting van het uitzicht zich in dit geval niet voordoet. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de hoogte van het geluidscherm de hoogte van een gebruikelijke erfafscheiding niet overschrijdt.

De betogen falen.

Herhalen en inlassen zienswijze

13. Voor zover [appellant] in zijn beroepschrift voor het overige heeft verwezen naar de inhoud van zijn zienswijze, overweegt de Afdeling dat in de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant] heeft in het beroepschrift noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit in zoverre onjuist is.

Conclusie herstelbesluit

14. Het beroep tegen het herstelbesluit is ongegrond.

Conclusie oorspronkelijke besluit

15. Nu blijkens hetgeen hiervoor is overwogen het beroep tegen het herstelbesluit niet leidt tot vernietiging van dat besluit, wordt het besluit van 15 oktober 2015 onherroepelijk. Hieruit volgt dat aan het oorspronkelijke besluit in zoverre geen betekenis meer toekomt. Onder deze omstandigheden en nu niet is gebleken van enig belang bij een beoordeling van dit beroep, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat [appellant] in zoverre geen procesbelang meer heeft. In verband hiermee dient zijn beroep tegen het besluit van 2 juli 2015 niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Proceskosten

16. Nu de raad met het herstelbesluit gedeeltelijk aan het beroep van [appellant] tegemoet is gekomen ziet de Afdeling aanleiding de raad op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van [appellant] te veroordelen.

Voor zover [appellant] op zijn proceskostenformulier heeft aangegeven dat reiskosten zijn gemaakt in verband met de door hem meegebrachte deskundige, wordt overwogen dat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat van het meebrengen van deze deskundige niet overeenkomstig artikel 8:60, vierde lid, van de Awb mededeling is gedaan.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Hardinxveld-Giessendam van 2 juli 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitendams 326" niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Hardinxveld-Giessendam van 15 oktober 2015 tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Buitendams 326" ongegrond;

III. veroordeelt de raad van de gemeente Hardinxveld-Giessendam tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellante B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1817,00 (zegge: achttienhonderdzeventien euro), waarvan € 992,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Hardinxveld-Giessendam aan [appellant A] en [appellante B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Priem, griffier.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Priem

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2016

646.