Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:540

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-03-2016
Datum publicatie
02-03-2016
Zaaknummer
201505479/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juni 2015 heeft het college ingestemd met het saneringsplan voor de bodemverontreiniging op de locatie Stakenbergweg 60 te Elspeet.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2016/101 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
JM 2016/62 met annotatie van Y. Flietstra
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505479/1/A4.

Datum uitspraak: 2 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Elspeet, gemeente Nunspeet,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 juni 2015 heeft het college ingestemd met het saneringsplan voor de bodemverontreiniging op de locatie Stakenbergweg 60 te Elspeet.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 februari 2016, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. T.W.M. Bot en ir. W.M. Veldhuizen, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de vereniging Nationaal Jachtschietcentrum Berkenhorst, vertegenwoordigd [gemachtigden], gehoord.

Overwegingen

1. Op de locatie Stakenbergweg 60 is de bodem verontreinigd met onder meer lood, als gevolg van schietactiviteiten van het Nationaal Jachtschietcentrum Berkenhorst. Het saneringsplan ziet op de sanering van de verontreiniging met lood door middel van het bekalken van de bodem.

2. Het college stelt zich op het standpunt dat [appellant] geen belanghebbende is bij het bestreden besluit, omdat het niet aannemelijk is dat hij ter plaatse van het perceel waarop hij woont, op ongeveer 275 m afstand van de bodemverontreiniging, gevolgen kan ondervinden van de wijze waarop deze zal worden gesaneerd.

[appellant] betwist dat hij geen belanghebbende is. Daartoe voert hij aan dat het hem niet gaat om de gevolgen ter plaatse van zijn woning, maar om de gevolgen voor zijn woon- en leefomgeving. Daarbij wijst hij erop dat hij dagelijks recreëert in een deel van het gebied van de bodemverontreiniging.

Voorts voert hij aan dat het college hem wel als belanghebbende had aangemerkt bij het indienen van een zienswijze tegen het ontwerpbesluit dat ten grondslag lag aan het besluit van 9 juni 2011. Bij dat besluit heeft het college vastgesteld dat zich op de locatie Stakenbergweg 60 te Elspeet een geval van ernstige bodemverontreiniging voordoet, waarvan spoedige sanering noodzakelijk is.

Tot slot wijst [appellant] op een aantal uitspraken van de Afdeling waarin een door hem ingesteld beroep ontvankelijk is geacht.

2.1. Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtsreeks bij een besluit is betrokken.

2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 2 juli 2015 in zaak nr. 201502216/2/A4) is voor het antwoord op de vraag of iemand als belanghebbende kan worden aangemerkt bij een besluit tot instemming met een saneringsplan bepalend of betrokkene op zijn perceel gevolgen kan ondervinden van de verontreiniging waarop de sanering betrekking heeft dan wel van de wijze waarop zal worden gesaneerd.

In de uitspraak van 5 september 2012 in zaak nr. 201107621/1/A4 heeft de Afdeling reeds overwogen dat het, gelet op de aard van de bodemverontreiniging, niet aannemelijk is dat [appellant] bij zijn woning gevolgen kan ondervinden van de bodemverontreiniging op de locatie Stakenbergweg 60 te Elspeet en hij daarom geen belanghebbende is bij het voormelde besluit van 9 juni 2011. Voorts heeft het college onweersproken gesteld dat het niet aannemelijk is dat [appellant] gevolgen ondervindt van de wijze waarop zal worden gesaneerd, te weten het bekalken van de bodem, zodat hij geen belanghebbende is bij het bestreden besluit.

2.3. In de uitspraak van 5 september 2012 heeft de Afdeling overwogen dat de omstandigheid dat [appellant] recreëert in een deel van het gebied van de bodemverontreiniging, hem geen belanghebbende maakt bij het besluit van 9 juni 2011, nu hij zich in zoverre onvoldoende onderscheidt van anderen die zich in dit gebied willen begeven. Hetzelfde geldt voor het thans bestreden besluit.

Ook de omstandigheid dat het college [appellant] in de zienswijzeprocedure voorafgaand aan het besluit van 9 juni 2011 als belanghebbende had aangemerkt, maakt hem geen belanghebbende bij het thans bestreden besluit, aangezien de Afdeling in de uitspraak van 5 september 2012 reeds heeft overwogen dat hij geen belanghebbende was bij het besluit van 9 juni 2011.

Tot slot hebben de uitspraken van de Afdeling waarnaar [appellant] verwijst, geen van alle betrekking op een besluit waarbij op grond van de Wet bodembescherming wordt ingestemd met een saneringsplan, zoals thans aan de orde is. Reeds daarom is de omstandigheid dat de beroepen van [appellant] in die zaken ontvankelijk zijn geacht, niet van belang voor de vraag of hij belanghebbende is bij het thans bestreden besluit.

3. Het beroep is niet-ontvankelijk.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.S. Kors, griffier.

w.g. Slump w.g. Kors

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2016

687.