Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:531

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-03-2016
Datum publicatie
02-03-2016
Zaaknummer
201407253/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 juni 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Moerboom III" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201407253/2/R3.

Datum uitspraak: 2 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Wilbertoord, gemeente Mill en Sint Hubert,

en

de raad van de gemeente Mill en Sint Hubert,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 juni 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Moerboom III" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 juni 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. C.R. Jansen, en de raad, vertegenwoordigd door G. Middel en M.W.C. Brugman, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

Bij tussenuitspraak van 19 augustus 2015, in zaak nr. 201407253/1/R3, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 20 weken na de verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 12 juni 2014 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 5 november 2015 heeft de raad ter uitvoering van de tussenuitspraak het bestemmingsplan "Moerboom III" gewijzigd vastgesteld.

[appellant] is in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze over de wijze waarop de gebreken zijn hersteld naar voren te brengen. Van deze gelegenheid heeft hij gebruik gemaakt.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In overweging 12 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling geconcludeerd dat het besluit van 12 juni 2014 is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Daartoe is in overweging 8 van de tussenuitspraak overwogen dat de raad een voorwaardelijke verplichting voor het oprichten en in stand houden van een 2 m hoge haag achter de tuinen van de aan de Van Ophovenlaan voorziene woningen in het plan had moeten opnemen. Verder heeft de Afdeling in overweging 11 van de tussenuitspraak overwogen dat de raad het plan niet had mogen vaststellen zonder onderzoek te verrichten naar de gevolgen van de ontsluiting van het plangebied op de Van Ophovenlaan voor de geluidbelasting bij de woning van [appellant].

2. Gelet op de overwegingen 8, 11 en 12 van de tussenuitspraak is het beroep van [appellant] tegen het besluit van 12 juni 2014 gegrond. Het besluit van 12 juni 2014 dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Verkeer" dat voorziet in de ontsluiting op de Van Ophovenlaan en voor zover in artikel 6 van de planregels niet is voorzien in een voorwaardelijke verplichting inhoudende dat het gebruik van de gronden met de bestemming "Wonen", grenzend aan de Van Ophovenlaan, uitsluitend is toegestaan indien aan de achterzijde van deze gronden een haag van 2 m wordt aangelegd en in stand gehouden.

3. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 5 november 2015 het bestemmingsplan "Moerboom III" gewijzigd vastgesteld. Na de wijziging van het plan bepaalt artikel 6, lid 6.3.3, van de planregels dat het gebruik van de percelen met de bestemming "Wonen", grenzend aan de Van Ophovenlaan, conform de bestemming "Wonen" alleen dan is toegestaan indien aan de zijde van de Van Ophovenlaan een haag van 2 m hoogte wordt aangelegd en vervolgens in stand wordt gehouden.

Verder heeft de raad door de Omgevingsdienst Brabant Noord een aanvullend akoestisch onderzoek laten uitvoeren naar de gevolgen van de ontsluiting van de voorziene woonwijk op de Van Ophovenlaan voor de woning van [appellant]. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in de notitie "Akoestisch onderzoek wegverkeer bestaande woningen Moerboom III, Wilbertoord" van 8 september 2015 (hierna: het aanvullend akoestisch onderzoek). In het aanvullend akoestisch onderzoek wordt geconcludeerd dat de voorziene ontsluiting van het plangebied op de Van Ophovenlaan bij de daar gelegen bestaande woningen een geluidstoename van ten hoogste 1,2 dB tot gevolg heeft tot maximaal 57,7 dB. Dit leidt niet tot een relevante wijziging van het woon- en leefklimaat bij de bestaande woningen, aldus het aanvullend akoestisch onderzoek. De raad heeft daarom de ontsluiting van het plangebied ongewijzigd gelaten.

4. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft een beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Het beroep van [appellant] heeft van rechtswege mede betrekking op het besluit van 5 november 2015.

5. [appellant] voert aan dat het aan het bij besluit van 12 juni 2014 vastgestelde bestemmingsplan "Moerboom III" ten grondslag gelegde "Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Moerboom III" van het onderzoeksbureau RBM van 5 februari 2014 slechts is gebaseerd op een rekenmodel en niet op ter plaatse verrichte geluidsmetingen. Ook na de tussenuitspraak heeft de raad geen akoestisch onderzoek verricht zoals bij de tussenuitspraak is opgedragen, aangezien slechts wordt verwezen naar onderzoek uit 2014. [appellant] betoogt verder dat de ontsluiting van het plangebied op de Van Ophovenlaan tot een verkeersonveilige situatie zal leiden, omdat bij het uitrijden van de wijk onvoldoende zicht zal bestaan op het verkeer op de Van Ophovenlaan.

6. [appellant] heeft tegen het besluit van 5 november 2015 geen gronden aangevoerd die betrekking hebben op artikel 6, lid 6.3.3, van de planregels. De Afdeling leidt hieruit af dat hij tegen die gewijzigde planregel geen bezwaar heeft.

6.1. De Afdeling stelt vast dat de raad voor het aanvullend akoestisch onderzoek het "Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Moerboom III" uit 2014 als uitgangspunt heeft genomen en dat op basis daarvan de verwachte toename van de geluidbelasting vanwege de weg op de woning van [appellant] is berekend. Over de stelling dat aan het aanvullend akoestisch onderzoek ter plaatse verrichte geluidsmetingen ten grondslag moeten liggen overweegt de Afdeling dat, nu het aanvullend akoestisch onderzoek ziet op een toekomstige situatie, de raad gebruik heeft moeten maken van op een model gebaseerde berekeningen. Verder overweegt de Afdeling over de toename van de geluidbelasting op de gevel van de woning van [appellant] dat bij de berekening van de gecumuleerde geluidbelasting is uitgegaan van een worst case scenario, waarbij al het verkeer langs de woning van [appellant] zal gaan, terwijl in de praktijk het verkeer zich zal verdelen over meerdere wegen. Uitgaande van het worst case scenario neemt de gecumuleerde geluidbelasting als gevolg van het plan toe van 56,5 dB naar 57,7 dB bij de woning van [appellant]. In het aanvullend akoestisch onderzoek wordt de milieukwaliteit bij een geluidbelasting tussen 55 dB en 60 dB gekwalificeerd als matig. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het aanvullend akoestisch onderzoek zodanige gebreken vertoon dat de raad zich hier niet op heeft mogen baseren en dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan geen onaanvaardbare verslechtering van de reeds matige milieukwaliteit met zich brengt.

6.2. Voor zover de zienswijze van [appellant] ziet op de gevolgen van de ontsluiting op de Van Ophovenlaan voor de verkeersveiligheid vanwege de situering van een boom en een fietspad en op de te nemen verkeersmaatregelen keert hij zich tegen overwegingen van de tussenuitspraak. De Afdeling overweegt dat zij behoudens zeer uitzonderlijke gevallen niet kan terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een zeer uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde, zodat van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel moet worden uitgegaan.

6.3. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant] tegen het besluit van 5 november 2015 ongegrond. Nu de gebreken zijn hersteld ziet de Afdeling aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit van 12 juni 2014 met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in stand te laten, doch niet voor zover uit het besluit van 5 november 2015 andere rechtsgevolgen voortvloeien dan uit het besluit van 12 juni 2014.

7. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant] tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Moerboom III" van de raad van de gemeente Mill en St. Hubert van 12 juni 2014 gegrond;

II. vernietigt het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Moerboom III" van de raad van de gemeente Mill en St. Hubert van 12 juni 2014 voor zover:

a. het betreft het plandeel met de bestemming "Verkeer" dat voorziet in de ontsluiting op de Van Ophovenlaan;

b. in artikel 6 van de planregels niet is voorzien in een voorwaardelijke verplichting inhoudende dat het gebruik van de gronden met de bestemming "Wonen", grenzend aan de Van Ophovenlaan, uitsluitend is toegestaan indien aan de achterzijde van deze gronden een haag van 2 m wordt aangelegd en in stand gehouden;

III. verklaart het beroep tegen het besluit tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Moerboom III" van de raad van de gemeente Mill en St. Hubert van 5 november 2015 ongegrond;

IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Moerboom III" van de raad van de gemeente Mill en St. Hubert van 12 juni 2014 in stand blijven, doch niet voor zover uit het besluit van 5 november 2015 andere rechtsgevolgen voortvloeien dan uit dat besluit;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Mill en Sint Hubert tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.240,00 (zegge: twaalfhonderdveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Mill en Sint Hubert aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Kegge, griffier.

w.g. Helder w.g. Kegge

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2016

459-829.