Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:527

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-03-2016
Datum publicatie
02-03-2016
Zaaknummer
201506108/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2015:3010, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 september 2014 heeft het college een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van informatie buiten behandeling gesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet openbaarheid van bestuur
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2016/94
JOM 2016/196
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201506108/1/A3.

Datum uitspraak: 2 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 22 juni 2015 in zaak nr. 15/796 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen.

Procesverloop

Bij besluit van 5 september 2014 heeft het college een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van informatie buiten behandeling gesteld.

Bij besluit van 17 februari 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, dat besluit herroepen, documenten openbaar gemaakt en een proceskostenvergoeding toegekend.

Bij uitspraak van 22 juni 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 februari 2016, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J.M.C. Niederer, is verschenen.

Overwegingen

1. Bij brief van 7 augustus 2014 heeft [appellant] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur het college verzocht informatie openbaar te maken. Bij brief van 19 augustus 2014 heeft het college [appellant] medegedeeld dat het voor het college niet duidelijk is op welke informatie hij doelt en hem gevraagd het informatieverzoek voor 30 augustus 2014 te preciseren. Bij het besluit van 5 september 2014 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat [appellant] deze termijn ongebruikt voorbij heeft laten gaan en heeft het om die reden op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht besloten het informatieverzoek niet te behandelen.

In bezwaar heeft [appellant] onder verwijzing naar een faxjournaal aangevoerd dat hij op 22 augustus 2014 per fax een brief naar het college heeft gestuurd waarin hij het informatieverzoek heeft gepreciseerd. Bij het besluit van 17 februari 2015 heeft het college deze verzending erkend en het informatieverzoek daarom alsnog in behandeling genomen. Bij dit besluit heeft het college een proceskostenvergoeding toegekend van € 122,50 wegens het indienen van het bezwaarschrift. Het is daarbij uitgegaan van een vergoeding van in beginsel € 490,00 voor die proceshandeling, zoals voorzien door het ten tijde van het besluit op bezwaar geldende Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb). Het college heeft echter gebruikgemaakt van de door het Bpb geboden mogelijkheid om de standaardvergoedingen voor proceshandelingen te vermenigvuldigen met een wegingsfactor van 0,25 indien het gewicht van de zaak zeer licht is.

[appellant] acht de hoogte van de toegekende proceskostenvergoeding te laag en is daarom opgekomen tegen het besluit van 17 februari 2015.

2. Het college betoogt in verweer dat het hoger beroep wegens misbruik van recht niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het voert daartoe aan dat [appellant] met de naar aanleiding van het besluit van 5 september 2014 ingestelde procedure slechts heeft beoogd om een zo hoog mogelijke proceskostenvergoeding te verkrijgen. In plaats van bezwaar te maken, had het meer voor de hand gelegen dat [appellant] telefonisch contact had opgenomen met het college. Gezien de eenvoud van de zaak, was het niet nodig om een beroepsmatige rechtsbijstandverlener in te schakelen, aldus het college.

2.1. Het maken van bezwaar tegen een afwijzend besluit in plaats van het telefonisch benaderen van het besluitnemende bestuursorgaan geeft op zichzelf geen blijk van een uitsluitende bedoeling om ten laste van het bestuursorgaan een proceskostenvergoeding te verkrijgen. De keuze om bezwaar te maken kan immers erin gelegen zijn dat het betrokken bestuursorgaan aldus gedwongen wordt om, met inachtneming van hetgeen in bezwaar is aangevoerd, nogmaals een besluit over de betrokken aangelegenheid te nemen, dat aan verschillende wettelijke waarborgen moet voldoen en bovendien vatbaar is voor toetsing door de bestuursrechter. In het licht daarvan is het, ook in een eenvoudige zaak, op zichzelf niet onredelijk dat een bezwaarmaker een beroepsmatige rechtsbijstandverlener inschakelt. Uit hetgeen het college aanvoert, volgt dan ook niet dat misbruik van recht heeft plaatsgevonden. Het betoog faalt.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij de vaststelling van de hoogte van de proceskostenvergoeding ten onrechte een wegingsfactor van 0,25 heeft toegepast. Hij voert daartoe aan dat het hier niet gaat om een geschil over het niet tijdig nemen van een besluit, maar om een materieel geschil.

3.1. Ingevolge het Bpb dient bij de berekening van een vergoeding voor de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand een wegingsfactor te worden toegepast die bepaald wordt door het gewicht van de zaak. In dat verband wordt in het Bpb een onderscheid gemaakt tussen zeer lichte, lichte, gemiddelde, zware en zeer zware zaken, waarvoor wegingsfactoren gelden van, onderscheidenlijk, 0,25, 0,5, 1, 1,5 en 2. Volgens de nota van toelichting bij het Bpb (Stb. 1993, 763) wordt het gewicht van de zaak bepaald door het belang en de ingewikkeldheid van de zaak. Wat het laatste aspect betreft, is in de nota van toelichting opgemerkt dat de proceskostenvergoeding evenredig dient te zijn met de prestatie van de rechtsbijstandverlener. Daarbij dient te worden uitgegaan van de omvang van de werkzaamheden die redelijkerwijs nodig zijn om het desbetreffende besluit of de desbetreffende uitspraak met succes te bestrijden en niet van de omvang van de werkzaamheden die de rechtsbijstandverlener in werkelijkheid aan de zaak heeft gewijd, zoals volgt uit de door [appellant] aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2015 in zaak nr. 201409396/2/A3 (aangehecht). Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 11 februari 2015 in zaak nr. 201407800/1/A3), behoort de behandeling van een zaak in de bezwaar- en beroepsprocedure in beginsel tot de categorie gemiddeld, tenzij er duidelijke redenen zijn hiervan af te wijken. In dit geval doen zich zulke redenen voor, die meebrengen dat het college het gewicht van de zaak terecht als zeer licht heeft aangemerkt. Immers, om de juistheid van het besluit van 5 september 2014 met succes te bestrijden, diende slechts aannemelijk te worden gemaakt dat binnen de door het college gestelde termijn is gereageerd op de brief van 19 augustus 2014. Daartoe kon worden volstaan met overlegging van een verzendbewijs, zoals een faxjournaal. Derhalve heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het college terecht een wegingsfactor van 0,25 heeft toegepast. Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, griffier.

w.g. Slump w.g. De Vries

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2016

582.