Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:524

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-03-2016
Datum publicatie
02-03-2016
Zaaknummer
201503081/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 februari 2015, kenmerk 3. Bestuur\5477, heeft de raad het bestemmingsplan "3e Loosterweg 130 e.o." gewijzigd vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/195
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503081/1/R4.

Datum uitspraak: 2 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Hillegom,

2. [appellant sub 2], wonend te Hillegom,

en

de raad van de gemeente Hillegom,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2015, kenmerk 3. Bestuur\5477, heeft de raad het bestemmingsplan "3e Loosterweg 130 e.o." gewijzigd vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 oktober 2015, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. A. Verhoeven, [appellant sub 2], vertegenwoordigd door C.M. Zwetsloot, en de raad, vertegenwoordigd door mr. M.F.A. Dankbaar, advocaat te Haarlem, en F.T. Atsma, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigden], ter zitting als partij gehoord.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan

2. Het plan maakt, in verband met de sanering van een bedrijfswoning en bedrijfsbebouwing met een totale oppervlakte van ongeveer 1.100 m² van het voormalige bollenteeltbedrijf op het perceel 3e Loosterweg 126 te Hillegom, de bouw mogelijk van twee burgerwoningen op het perceel ten noorden van het perceel aan de 3e Loosterweg 130 (hierna: het betrokken perceel).

Omvang beroepen

3. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] wonen aan de [locatie 1] onderscheidenlijk de [locatie 2], ten noorden van het plangebied. Hun beroepen richten zich tegen de plandelen met de bestemming "Wonen" en de aanduidingen "bouwvlak".

Verordening Ruimte

4. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat het plan in strijd is met artikel 3 van de Verordening Ruimte 2010 van de provincie Zuid-Holland (hierna: de Verordening Ruimte). Zij voeren onder andere aan dat niet wordt voldaan aan de eis dat de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse dient te worden verbeterd.

Zij wijzen er hierbij onder meer op dat het vrije zicht op het open landschap vanaf de 3e Loosterweg teniet wordt gedaan. [appellant sub 1] heeft verder aangevoerd dat een bedrijfswoning wordt gesaneerd en hiervoor een burgerwoning in de plaats komt, zodat ten aanzien van die woning niet kan worden gesproken van verplaatsing van een bestaande stedelijke functie.

4.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Verordening Ruimte sluiten bestemmingsplannen voor gronden buiten de bebouwingscontouren (zoals aangegeven op kaart 1) bestemmingen uit die nieuwvestiging of uitbreiding van stedelijke functies mogelijk maken.

Ingevolge het tweede lid kunnen bestemmingsplannen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid voor gronden buiten de bebouwingscontouren de volgende ontwikkelingen mogelijk maken:

a. ‘Ruimte voor ruimte’; de sloop van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen, kassen of andere gebouwen dan wel de sanering van sierteelt en de bouw van één of meer compensatiewoningen ter plekke of in de directe omgeving van de gesloopte bebouwing of op een andere passende locatie. Hierbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

i. de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse wordt duurzaam verbeterd;

[…].

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder f, dienen bestemmingsplannen die, in afwijking van en in aanvulling op het bepaalde in het eerste lid, betrekking hebben op bestaande stedelijke functies in het gebied buiten de bebouwingscontouren (aangegeven op kaart 1) bepalingen te bevatten die voorzien in of in overeenstemming zijn met de regel dat verplaatsing van een bestaande stedelijke functie naar een nieuwe locatie mogelijk is indien per saldo de ruimtelijke kwaliteit verbetert en de bebouwing en de verharding op de oorspronkelijke locatie wordt verwijderd zonder toepassing van ‘ruimte voor ruimte’.

Ingevolge artikel 1, vijfde lid, wordt onder stedelijke functies onder meer verstaan: woonfuncties en daaraan verbonden functies, alsmede bedrijfsfuncties en de daarbij behorende infrastructuur en voorzieningen.

4.2. In de plantoelichting staat vermeld dat, gezien de sanering van het agrarisch bedrijf op de locatie 3e Loosterweg 126, de bedrijfswoning functioneel wordt omgezet naar een burgerwoning. Volgens de plantoelichting biedt artikel 3, derde lid, aanhef en onder f, van de Verordening Ruimte de mogelijkheid om bestaande stedelijke functies onder voorwaarde te verplaatsen naar een nieuwe locatie. Om een optimale ruimtelijke kwaliteit te realiseren wordt de woning op de locatie 3e Loosterweg 126 gesloopt en herbouwd op het betrokken perceel.

Verder wordt volgens de plantoelichting met toepassing van de Ruimte voor Ruimte-regeling als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder a, van de Verordening Ruimte, een tweede burgerwoning op het betrokken perceel mogelijk gemaakt.

4.3. Vast staat dat het betrokken perceel ligt buiten de bebouwingscontouren, zoals aangegeven op kaart 1 van de Verordening Ruimte. Het plan maakt met toepassing van artikel 3, derde lid, aanhef en onder f, van de Verordening Ruimte, ter vervanging van de bedrijfswoning op de locatie 3e Loosterweg 126, een burgerwoning mogelijk op het betrokken perceel. Het plan maakt hiermee een verplaatsing met functiewijziging mogelijk. Artikel 3, derde lid, aanhef en onder f, van de Verordening Ruimte geeft echter slechts de mogelijkheid om bestaande stedelijke functies te verplaatsen en leent zich niet voor het mogelijk maken van een functiewijziging. Deze bepaling kon dan ook niet aan deze verplaatsing ten grondslag worden gelegd. Voor zover de raad stelt dat de bedrijfswoning door de sanering van het agrarisch bedrijf al voor de verplaatsing haar karakter van bedrijfswoning heeft verloren en dus als burgerwoning wordt verplaatst, overweegt de Afdeling dat door die sanering de planologische status van de bedrijfswoning niet is veranderd. Het vorenstaande brengt mee dat het plan in zoverre in strijd met artikel 3, eerste lid, van de Verordening Ruimte voorziet in nieuwvestiging van een stedelijke functie buiten de bebouwingscontouren. Het plan is daardoor in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3 van de Verordening Ruimte. De betogen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] slagen in zoverre reeds hierom.

Situering bouwvlakken

5. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de situering van de woningen leidt tot een onaanvaardbare aantasting van hun woon- en leefklimaat. Door de bouw van de twee woningen zal hun uitzicht worden beperkt. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voeren in dat kader aan dat hun uitzicht behouden blijft en hun bezwaren reeds grotendeels worden weggenomen, wanneer de bouwvlakken van de woningen met enkele meters in de richting van de 3e Loosterweg zouden worden verplaatst. Volgens hen heeft de raad dit onvoldoende onderzocht en ten onrechte gesteld dat wegverkeerslawaai en de regionale waterleiding aan die verplaatsing in de weg staan. Zij wijzen erop dat ter plaatse van hun woningen op de 3e Loosterweg een maximumsnelheid geldt van 30 km/uur en dat de raad ten onrechte niet is nagegaan of die maximumsnelheid ook kan worden ingevoerd op het gedeelte van de 3e Loosterweg voor de voorziene woningen. Verder betogen zij dat niet duidelijk is waarom aan weerszijden van de waterleiding op het perceel een belemmeringenstrook van 4 meter moet worden aangehouden.

5.1. De raad stelt dat verplaatsing van de bouwvlakken in de richting van de 3e Loosterweg niet mogelijk is. De raad wijst erop dat in het oosten van het plangebied een regionale waterleiding ligt, waarvoor aan weerszijden een belemmeringenstrook met een breedte van 4 meter moet worden aangehouden. Verder komt volgens de raad uit het akoestisch onderzoek naar het wegverkeerslawaai afkomstig van de 3e Loosterweg, gedateerd op 19 juni 2013, naar voren dat tussen de voorziene woningen en de as van de weg een afstand van minimaal 18 meter moet worden aangehouden teneinde te kunnen voldoen aan de voorkeursgrenswaarde van 53 dB die de Wet geluidhinder verlangt, ter waarborging van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat voor de voorziene woningen.

5.2. In het akoestisch onderzoek is bij de berekening van het geluid van lichte, middelzware en zware motorvoertuigen op de 3e Loosterweg als uitgangspunt genomen dat een maximum snelheid geldt van 60 km/uur. Ter zitting heeft de raad gesteld dat er juridisch geen belemmering lijkt te zijn dat na de voltooiing van de bouw van de voorziene woningen, de ter plaatse geldende maximum snelheid zal worden aangepast naar 30 km/uur. Dit kan volgens de raad tot gevolg hebben dat de aan te houden afstand tussen de voorziene woningen en de as van de weg vanwege verminderde geluidproductie afkomstig van het wegverkeer afneemt. De Afdeling is van oordeel dat de zorgvuldigheid vergt dat dit aspect bij de vaststelling van het plan bij de beoordeling van het belang van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] was betrokken.

5.3. In de plantoelichting is vermeld dat in het plangebied een regionale watertransportleiding is gelegen en dat bij die leiding aan weerszijden een belemmeringenstrook hoort van 4 meter. De raad heeft ter zitting toegelicht dat deze afstand op verzoek van de waterbeheerder in het plan is verwerkt en er werkruimte beschikbaar moet zijn bij de leiding, maar hem niet bekend is waarom een strook van 4 meter moet worden aangehouden. Hij heeft geen noodzaak gezien hierover meer duidelijkheid te verkrijgen, omdat de geluidcontour vanwege het wegverkeerslawaai van de 3e Loosterweg reeds aan verplaatsing van de bouwvlakken in de weg stond. Wanneer de geluidsituatie verandert kan volgens de raad ook worden gekeken naar deze afstanden. Naar het oordeel van Afdeling heeft de raad de benodigde breedte van de belemmeringenstrook echter ten onrechte niet reeds bij de vaststelling van het plan inzichtelijk gemaakt.

5.4. Gelet op het voorgaande is het plan in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid vastgesteld. De betogen slagen.

Conclusie

6. De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zijn gegrond. Gelet op de onderlinge samenhang tussen de bestreden plandelen, mede nu uit het plan niet naar voren komt welke van de twee woningen met toepassing van artikel 3, derde lid, aanhef en onder f, van de Verordening Ruimte mogelijk is gemaakt, ziet de Afdeling aanleiding het gehele plan te vernietigen. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3 van de Verordening Ruimte en artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.

7. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Bro, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Proceskosten

8. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van [appellant sub 1] te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 2] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Hillegom van 19 februari 2015, kenmerk 3. Bestuur\5477, tot vaststelling van het bestemmingsplan "3e Loosterweg 130 e.o.";

III. veroordeelt de raad van de gemeente Hillegom tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.009,52 (zegge: duizendnegen euro en tweeënvijftig cent), waarvan € 992,00, is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Hillegom aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) voor [appellant sub 1] en € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) voor [appellant sub 2] vergoedt;

V. draagt de raad van de gemeente Hillegom op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, griffier.

w.g. Koeman w.g. Kuipers

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2016

271-817.