Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:509

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-02-2016
Datum publicatie
24-02-2016
Zaaknummer
201506109/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2015:4159, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 augustus 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel aanvragen van de vreemdeling om verlenging van de geldigheidsduur van een aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en om wijziging van de beperking van deze verblijfsvergunning afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201506109/1/V1.

Datum uitspraak: 18 februari 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 3 juli 2015 in zaak nr. 15/3919 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 15 augustus 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel aanvragen van de vreemdeling om verlenging van de geldigheidsduur van een aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en om wijziging van de beperking van deze verblijfsvergunning afgewezen.

Bij besluit van 29 januari 2015 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 3 juli 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H.M.A.E. van Ooijen, advocaat te Amsterdam, heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. De vreemdeling betoogt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de staatssecretaris in de toelichting op zijn grief in strijd met artikel 85 van de Vreemdelingenwet 2000 zijn eerder ingenomen standpunt herhaalt.

Anders dan de vreemdeling betoogt, heeft de staatssecretaris in de toelichting op de grief niet louter zijn in beroep ingenomen standpunt herhaald.

Het betoog van de vreemdeling faalt.

3. De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris, nadat zij bij uitspraak van 12 december 2014 een eerder besluit op bezwaar in deze procedure had vernietigd, geen uitvoering heeft gegeven aan de in die uitspraak gegeven opdracht om in overeenstemming met zijn beleid de door de vreemdeling aangevoerde psychische klachten als onderdeel van de te wegen factoren in zijn beoordeling te betrekken.

4. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij in het besluit slechts de inhoud heeft weergegeven van door de vreemdeling overgelegde verklaringen over zijn psychische problemen, deze niet heeft beoordeeld en aldus geen uitvoering heeft gegeven aan voornoemde opdracht van de rechtbank. Daartoe betoogt de staatssecretaris, onder verwijzing naar uitspraken van de Afdeling van 21 maart 2014 in zaak nr. 201306768/1/V3 en van 2 mei 2014 in zaak nr. 201309271/1/V3, dat de rechtbank niet heeft onderkend dat uit het besluit blijkt dat hij de overgelegde verklaringen heeft meegewogen als een van de factoren die moet worden betrokken bij beantwoording van de vraag of aan de vreemdeling voortgezet verblijf moet worden toegestaan op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. Volgens de staatssecretaris heeft hij de door de vreemdeling aangevoerde psychische problemen voldoende bij de belangenafweging betrokken en deugdelijk gemotiveerd dat deze niet leiden tot het oordeel dat van de vreemdeling niet kan worden gevergd dat hij Nederland verlaat en terugkeert naar Ghana.

4.1. Volgens paragraaf B16/4.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000), zoals luidend ten tijde van belang, kunnen aanvragen om voortgezet verblijf van slachtoffers van mensenhandel wier aangifte of andersoortige medewerking niet tot een strafzaak dan wel rechterlijke uitspraak heeft geleid, alleen voor inwilliging in aanmerking komen, indien naar het oordeel van de minister wegens bijzondere individuele omstandigheden van een vreemdeling niet gevergd kan worden dat hij Nederland verlaat. Bij de beoordeling van een dergelijke aanvraag kunnen de volgende factoren een belangrijke rol spelen:

- risico van represailles jegens betrokkene en haar of zijn familie en de mate van bescherming daartegen die de autoriteiten in het land van herkomst bereid en in staat zijn te bieden;

- risico van vervolging in het land van herkomst, bijvoorbeeld op grond van prostitutie;

- de mogelijkheden van sociale en maatschappelijke herintegratie in het land van herkomst, rekening houdend met de specifieke culturele achtergrond en het eventuele prostitutieverleden van betrokkene, duurzame ontwrichting van familierelaties, de eventuele maatschappelijke opvattingen over prostitutie en het overheidsbeleid ter zake.

Buiten deze factoren kan bijvoorbeeld gedacht worden aan psychische problemen waarvoor de vreemdeling in Nederland in behandeling is, de zorg die de vreemdeling heeft voor kinderen die in Nederland zijn geboren of een opleiding volgen, en de positie van alleenstaande vrouwen in het land van herkomst. Hierbij is nog van belang dat, indien psychische of andere medische omstandigheden worden aangevoerd, dit slechts als onderdeel van de te wegen factoren kan worden meegenomen. Indien enkel een beroep wordt gedaan op medische omstandigheden, ligt beoordeling in het kader van het beleid medische behandeling meer in de rede.

4.2. De staatssecretaris heeft zich in het besluit op het standpunt gesteld dat hij in het kader van de door de vreemdeling ingediende aanvraag de mogelijkheden en toegankelijkheid van medische behandeling voor de vreemdeling in het land van herkomst niet beoordeelt en de door de vreemdeling aangevoerde psychische problemen in de beoordeling slechts als onderdeel van de te wegen factoren kan betrekken. Voorts heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat uit de overgelegde stukken blijkt dat de vreemdeling een kwetsbare jongeman is, die zich met begeleiding bij praktische zaken en psychische behandeling redelijk goed staande kan houden, gelet op het feit dat hij naar tevredenheid taalonderwijs volgt, vrijwilligerswerk doet en vrienden heeft. De psychische problemen van de vreemdeling leiden volgens de staatssecretaris, bezien in samenhang met de overige in dit verband aangevoerde factoren, niet tot de conclusie dat aan de vreemdeling verblijf dient te worden toegestaan op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. Daarbij heeft de staatssecretaris erop gewezen dat de vreemdeling, indien hij vanwege zijn psychische problemen hulp nodig heeft bij zijn terugkeer naar Ghana, zich kan wenden tot onder meer de Internationale Organisatie voor Migratie (hierna: de IOM) en de stichting Maatwerk bij Terugkeer, die onder meer kunnen helpen met maatwerkondersteuning bij terugkeer, herintegratie en toegang tot gespecialiseerde medische instellingen in Ghana.

4.3. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft de staatssecretaris aldus de door de vreemdeling aangevoerde psychische problemen bij de belangenafweging betrokken en deugdelijk gemotiveerd dat deze niet leiden tot het oordeel dat van de vreemdeling niet kan worden gevergd dat hij Nederland verlaat. De staatssecretaris stelt derhalve terecht dat hij heeft voldaan aan de uitspraak van de rechtbank van 12 december 2014.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in voormelde uitspraak van 21 maart 2014, volgt uit de vreemdelingenwetgeving en de daaruit blijkende systematiek dat bij een verblijfsgunning regulier voor bepaalde tijd die verband houdt met psychische problemen, moet worden aangesloten bij de daarvoor geldende beperkingen en ter verkrijging van een zodanige vergunning een daartoe strekkende aanvraag moet worden ingediend. In de vreemdelingenwetgeving en het bij de toepassing daarvan gevoerde beleid is voorzien in een specifieke beperking inzake medische behandeling. Uit voornoemde uitspraak volgt voorts dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij, gelet op het gewicht dat in paragraaf B16/4.5 van de Vc 2000 wordt toegekend aan psychische of andere medische omstandigheden binnen de door hem te maken afweging, niet nader heeft hoeven onderzoeken of er voor de vreemdeling in Ghana voldoende mogelijkheden voor medische of psychische behandeling bestaan en of die behandeling in zijn geval effectief zal zijn.

Het betoog van de vreemdeling dat de verwijzing van de staatssecretaris naar onder meer de IOM en Maatwerk bij Terugkeer in zijn geval niet volstaat, omdat de IOM zich richt op migranten met gezondheidsproblemen, Maatwerk bij Terugkeer alleen ondersteuning biedt bij vrijwillige terugkeer, hetgeen in zijn situatie niet het geval is en uit niets blijkt dat Maatwerk bij Terugkeer is toegerust voor zijn specifieke problemen, die voortvloeien uit mensenhandel en gedwongen prostitutie, leidt gelet op het voorgaande niet tot een ander oordeel.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris het besluit ondeugdelijk heeft gemotiveerd.

De grief slaagt.

5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

6. De vreemdeling heeft in beroep aangevoerd dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet geloofwaardig is dat de vreemdeling slachtoffer is van mensenhandel.

6.1. De staatssecretaris heeft zich in het besluit op het standpunt gesteld dat niet is komen vast te staan dat de vreemdeling slachtoffer is geworden van mensenhandel. De staatssecretaris heeft evenwel, zoals hij ook heeft aangegeven bij de rechtbank en in zijn hogerberoepschrift, niet uitgesloten dat de vreemdeling op andere wijze slachtoffer is geworden van mensenhandel dan hij heeft verklaard en heeft de door de vreemdeling aangevoerde bijzondere omstandigheden, voor zover rechtstreeks daarmee verband houdend, beoordeeld.

De beroepsgrond faalt.

7. De vreemdeling heeft aangevoerd dat hij heeft te vrezen voor represailles door de mensenhandelaar. Daartoe heeft hij betoogd dat de mensenhandelaar een invloedrijke positie heeft en reden heeft om represailles te nemen omdat de vreemdeling op de hoogte is van diens activiteiten en hij de mensenhandelaar nog geld schuldig is.

7.1. De staatssecretaris heeft zich in het besluit op het standpunt gesteld dat de vreemdeling de vermeende invloedrijke positie van de mensenhandelaar niet heeft gestaafd en dat niet valt in te zien hoe de mensenhandelaar de terugkeer en verblijfplaats in Ghana van de vreemdeling te weten zou kunnen komen, nu de vreemdeling sinds de aangifte op 8 november 2010 niets van de mensenhandelaar heeft vernomen. De staatssecretaris heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de vreemdeling zich ook elders in Ghana kan vestigen.

De staatssecretaris heeft zich aldus deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer in Ghana heeft te vrezen voor represailles van de kant van de mensenhandelaar.

De beroepsgrond faalt.

8. Voorts heeft de vreemdeling aangevoerd dat hij niet zal kunnen herintegreren in Ghana. De staatssecretaris heeft in het besluit nagelaten mee te wegen dat hij niet weet waar zijn familieleden zijn, het Rode Kruis niet kan voldoen aan zijn opsporingsverzoek vanwege de veiligheidssituatie in Ghana, hij geen opleiding heeft genoten en niet kan lezen, zijn vader is vermoord en hij lichamelijk en geestelijk kwetsbaar is, aldus de vreemdeling.

8.1. De staatssecretaris heeft zich in het besluit op het standpunt gesteld dat de vreemdeling nagenoeg zijn hele leven in Ghana heeft gewoond, waar hij in de landbouw heeft gewerkt en naar eigen zeggen ook een gezin heeft gesticht. Voorts heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat het Rode Kruis op dit moment niet kan voldoen aan het opsporingsverzoek niet betekent dat bij terugkeer herstel van contact met familieleden niet mogelijk is. De staatssecretaris heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Ghana geen familieleden of sociaal netwerk meer heeft waarop hij zich kan richten voor hulp en niet valt in te zien waarom de vreemdeling in Ghana geen sociaal netwerk zou kunnen opbouwen en zich niet staande zou kunnen houden. Daarbij heeft de staatssecretaris betrokken dat de vreemdeling bij terugkeer hulp en ondersteuning kan krijgen van de IOM en Maatwerk bij Terugkeer.

Aldus heeft de staatssecretaris deugdelijk gemotiveerd dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet kan herintegreren.

9. Voor zover de vreemdeling heeft aangevoerd dat in Ghana prostitutie en homoseksualiteit strafbaar zijn en hij daarom bij terugkeer gegronde vrees heeft voor vervolging, dient dit te worden beoordeeld in het kader van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel.

10. De vreemdeling heeft tenslotte aangevoerd dat het besluit in strijd is met het in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden beschermde recht op eerbiediging van zijn privéleven zoals dat invulling heeft gekregen gedurende zijn verblijf in Nederland.

De staatssecretaris heeft zich in het besluit niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de verblijfsduur van de vreemdeling in Nederland niet zodanig lang is dat inmenging in zijn privéleven onevenredig is en heeft niet ten onrechte geen doorslaggevende betekenis toegekend aan de omstandigheid dat de vreemdeling Nederlands taalonderwijs heeft gevolgd en vrijwilligerswerk bij Humanitas heeft gedaan.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 3 juli 2015 in zaak nr. 15/3919:

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Willems

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2016

412-827.