Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:499

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-02-2016
Datum publicatie
24-02-2016
Zaaknummer
201503614/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2015:1620, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 mei 2013 heeft het college de door [appellant] en anderen gevraagde omgevingsvergunning voor het verleggen van een secundaire watergang op de percelen [locaties 1] te Naarden geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503614/1/A4.

Datum uitspraak: 24 februari 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, allen wonend te Naarden,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 16 maart 2015 in zaken nrs. 13/5026, 13/5028 en 13/5073 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Naarden.

Procesverloop

Bij besluit van 6 mei 2013 heeft het college de door [appellant] en anderen gevraagde omgevingsvergunning voor het verleggen van een secundaire watergang op de percelen [locaties 1] te Naarden geweigerd.

Bij besluit van 22 augustus 2013 heeft het college de door [appellant] en anderen daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 maart 2015 heeft de rechtbank de door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, het besluit van 22 augustus 2013 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 december 2015, waar namens [appellant] en anderen, [appellant], [partij A] en [partij B], bijgestaan door mr. T.C. Leemans, advocaat te Haarlem, en het college, vertegenwoordigd door K. Visser en P. Schrijver, beiden werkzaam bij de gemeente, ir. D. van Pijkeren, werkzaam bij adviesbureau Laneco Landschaps & Ecologisch Advies, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant] en anderen wonen op de percelen [locaties 1]. De bewoners van de percelen [locaties 2] hebben in 2012 stukken grond gekocht die aan de achtertuinen van hun woningen grenzen. Deze gronden maken onderdeel uit van de rondom de vesting Naarden gelegen voormalige schootsvelden. Op de grens van de oorspronkelijke tuinen ligt een watergang. [appellant] en anderen hebben een omgevingsvergunning aangevraagd voor het verleggen van de bestaande watergang. Zij wensen de bestaande watergang te dempen en een nieuwe watergang te realiseren op een afstand van ongeveer 25 m ten westen van de bestaande watergang.

2. Vast staat dat voor het dempen van de bestaande watergang en het graven van een nieuwe watergang ingevolge het ten tijde van belang ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Naarden Vesting’ een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is vereist.

Het college heeft de door [appellant] en anderen gevraagde omgevingsvergunning geweigerd, omdat verlening hiervan in strijd zou zijn met het bestemmingsplan. Verlening heeft volgens het college tot gevolg dat de cultuurhistorische waarden van het gebied in onevenredige mate worden aangetast.

De rechtbank heeft overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat verlening van de gevraagde vergunning in strijd is met het bestemmingsplan. De rechtbank heeft het besluit van 22 augustus 2013 echter vernietigd omdat het college, gelet op het bepaalde in artikel 2.11, tweede lid, van de Wabo, ten onrechte heeft nagelaten te motiveren of vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo mogelijk was. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld om hierover alsnog een gemotiveerd standpunt in te nemen. De rechtbank heeft naar aanleiding van het door het college bij brief van 13 januari 2015 ingenomen standpunt dat het niet bereid is vergunning te verlenen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo, aanleiding gezien te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Beschikking van rechtswege

3. [appellant] en anderen betogen primair dat de rechtbank heeft miskend dat van rechtswege een omgevingsvergunning is gegeven, omdat het college niet tijdig op de aanvraag heeft beslist. Daartoe voeren zij aan dat het besluit tot verlenging van de beslistermijn niet in werking is getreden, omdat het niet deugdelijk bekend is gemaakt, nu de brief omtrent de verlenging van de beslistermijn ten onrechte niet naar [appellant], aangewezen als contactpersoon van de aanvragers, maar uitsluitend naar één van de andere aanvragers is gezonden. Voorts wijzen zij erop dat het college niet alle aanvragers mededeling heeft gedaan over de verlenging van de beslistermijn.

3.1. Ingevolge artikel 3.9, eerste lid, van de Wabo beslist het bevoegd gezag op de aanvraag om een omgevingsvergunning binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.

Ingevolge het tweede lid kan het bevoegd gezag de in het eerste lid bedoelde termijn eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen. Het maakt zijn besluit daartoe bekend binnen de eerstbedoelde termijn. Het doet daarvan tevens zo spoedig mogelijk mededeling op de wijze waarop het overeenkomstig artikel 3.8 kennis heeft gegeven van de aanvraag.

Ingevolge artikel 4:20b, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is, indien niet tijdig op de aanvraag tot het geven van een beschikking is beslist, de gevraagde beschikking van rechtswege gegeven.

3.2. [appellant] en anderen hebben gezamenlijk één aanvraag om omgevingsvergunning ingediend. Als

correspondentieadres is het adres van [appellant] in de aanvraag vermeld. De aanvragers hebben derhalve [appellant] als contactpersoon aangewezen, waarmee [appellant] de gemachtigde is van de andere aanvragers.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 februari 2012 in zaak nr. 201106852/1/A1), volgt uit artikel 2:1 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:17 van die wet, dat het optreden van een gemachtigde tot gevolg heeft dat het contact met een belanghebbende in beginsel via de gemachtigde loopt en dat bekendmaking op de voorgeschreven wijze geschiedt door toezending van een besluit aan de bij het bestuursorgaan bekende gemachtigde.

Zoals de rechtbank heeft overwogen, is de aanvraag op 4 februari 2013 ingediend en liep de beslistermijn tot en met 1 april 2013. Bij brief van 22 maart 2013 heeft het college aan aanvrager [aanvrager] bericht dat de beslistermijn is verlengd met zes weken tot en met 12 mei 2013. Blijkens een e-mailbericht van 28 maart 2013 heeft [appellant] tijdens de beslistermijn kennisgenomen van de verlengingsbeslissing. Nog daargelaten dat op 28 maart 2013 kennis is gegeven van de verlengingsbeslissing in het huis-aan-huisblad Naarder Nieuws, heeft het college, gelet op de bekendmaking van de verlengingsbeslissing, dan ook met inachtneming van artikel 3.9, tweede lid, van de Wabo de beslistermijn van acht weken met zes weken verlengd. De omstandigheid dat niet aan alle aanvragers mededeling zou zijn gedaan van de verlenging van de beslistermijn doet hieraan niet af. De mededeling van de verlengingsbeslissing heeft geen constitutieve betekenis voor de inwerkingtreding daarvan.

Gelet op het vorenoverwogene heeft het college met het besluit van 6 mei 2013 binnen de beslistermijn op de aanvraag beslist. Een beschikking van rechtswege is reeds hierom niet gegeven.

Het betoog faalt.

Strijd met bestemmingsplan

4. [appellant] en anderen hebben aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat verlening van de omgevingsvergunning niet in strijd is met het bestemmingsplan. Volgens hen worden bij verlegging van de watergang de cultuurhistorische en ecologische waarden van de gronden niet onevenredig aangetast. Zij stellen dat het college ten onrechte slechts heeft getoetst of een aantasting van de cultuurhistorische en ecologische waarden plaats zal vinden en niet of deze aantasting onevenredig is. Bovendien worden, zo stellen [appellant] en anderen de mogelijkheden voor behoud, versterking en/of herstel van deze waarden niet verkleind, aangezien het dempen en graven van watergangen eenvoudig ongedaan kan worden gemaakt. [appellant] en anderen betogen verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college zijn besluiten niet heeft mogen baseren op de ingewonnen adviezen van de welstands- en monumentencommissie van 10 april 2013 en van het adviesbureau Laneco van 30 april 2013, omdat deze adviezen inhoudelijk gebrekkig zijn. Zij benadrukken dat, anders dan waarvan in die adviezen is uitgegaan, de aanvraag niet ziet op de oprichting van bebouwing dan wel het aanbrengen van begroeiing langs de nieuwe watergang. Volgens [appellant] en anderen wordt verder een onjuiste betekenis gegeven aan de strakke lijn van de bestaande watergang. Onder verwijzing naar de door hen in hoger beroep overgelegde rapporten "Advies cultuurhistorie en landschap" en "Quickscan natuurtoets", beide van 28 augustus 2015 en opgesteld door Staring Advies, stellen zij dat van onevenredige aantasting van de cultuurhistorische en ecologische waarden geen sprake is en dat derhalve geen strijd bestaat met het bestemmingsplan.

4.1. Ingevolge artikel 2.11, eerste lid, van de Wabo wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, waaromtrent regels zijn gesteld in het bestemmingsplan, de omgevingsvergunning geweigerd indien het werk of de werkzaamheden daarmee in strijd is.

4.2. Ingevolge het bestemmingsplan "Naarden Vesting" rust op de percelen [locaties 1], voor zover het gaat om de gronden waarop de bestaande watergang ligt en die waarop de nieuwe watergang is voorzien, grotendeels de bestemming "Agrarisch - Beschermd stadsgezicht" en de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie". Voor een klein deel rust op genoemde gronden de bestemming "Agrarisch - Beschermd stadsgezicht" en de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie en ecologie".

Ingevolge artikel 16.1 van de planvoorschriften zijn de voor Waarde - Cultuurhistorie aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van de cultuurhistorische waarden van het gebied.

In artikel 16.3.2 is bepaald dat een omgevingsvergunning voor het dempen of graven van een watergang slechts kan worden verleend, indien door die werken en/of werkzaamheden de cultuurhistorische waarden van de tot Waarde - Cultuurhistorie aangewezen gronden niet in onevenredige mate worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het behoud, versterken en/of herstel van die waarden niet worden verkleind.

Ingevolge artikel 17.1 zijn de voor Waarde - Cultuurhistorie en ecologie aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van de ecologische en cultuurhistorische waarden van het gebied.

Ingevolge artikel 17.2.2 is bepaald dat een omgevingsvergunning voor het dempen of graven van een watergang slechts kan worden verleend, indien door die andere werken en/of werkzaamheden de cultuurhistorische en ecologische waarden van de tot Waarde - Cultuurhistorie en ecologie aangewezen gronden niet in onevenredige mate worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het behoud, versterken en/of herstel van die waarden niet worden verkleind. Onder de cultuurhistorische waarden van het gebied wordt tevens begrepen het handhaven van de landschappelijke eenheid van het gebied.

4.3. Niet in geschil is dat de voormalige schootsvelden rondom de vesting Naarden, voor zover nog intact, zich kenmerken door hun openheid. De bestaande watergang is ongeveer 17 jaar geleden aangelegd en vormt een strakke scheiding tussen de woonwijk, waarin de woningen van [appellant] en anderen liggen, en de voormalige schootsvelden van de vesting Naarden.

Aan het bij het besluit van 22 augustus 2013 gehandhaafde besluit van 6 mei 2013 heeft het college de motivering ten grondslag gelegd dat de voormalige schootsvelden rondom de vesting Naarden zoveel mogelijk moeten worden bewaard en/of hersteld en dat de aantasting van de cultuurhistorische waarden bij verlegging van de watergang in de weg staat aan vergunningverlening. Aan het besluit zijn negatieve adviezen ten grondslag gelegd van de gemeentelijke welstands- en monumentencommissie en Laneco.

Voor zover [appellant] heeft betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte het advies van de welstands- en monumentencommissie aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd omdat de beslissing omtrent verlegging van de sloot geen welstandsafweging vereist, overweegt de Afdeling dat het college terecht advies van die commissie heeft ingewonnen, nu dit ingevolge de artikelen 16.3.4 en 17.2.5 van het bestemmingsplan is vereist. De welstands- en monumentencommissie is van opvatting dat vanuit cultuurhistorische overwegingen de schootsvelden vrij dienen te worden gehouden en dat deze terug dienen te worden gegeven aan de vesting. Adviesbureau Laneco heeft in haar advies van 30 april 2013 opgemerkt dat het vanuit cultuurhistorisch en landschappelijk oogpunt niet wenselijk is om de bestaande watergang te dempen. Dit heeft volgens Laneco vooral te maken met het behoud van de openheid van het landschap en de waarde van de watergang als harde en lange lijnrechte grens tussen woonwijk en schootsveld.

In de door [appellant] en anderen overgelegde rapporten "Advies cultuurhistorie en landschap" en "Quickscan natuurtoets" ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de adviezen, waarop het college zich heeft gebaseerd, naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanig gebreken vertonen dat het college deze niet aan het besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Daarbij komt dat het door [appellant] en anderen overgelegde rapport "Quickscan natuurtoets" ziet op de vraag wat de gevolgen zijn voor flora en fauna en daarin slechts wordt geconcludeerd dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is.

Geen grond bestaat voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich op grond van de aan hem uitgebrachte adviezen in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat bij het verleggen van de watergang de cultuurhistorische waarden van de desbetreffende gronden onevenredig worden aangetast. Voor het oordeel dat het college slechts heeft vastgesteld dat enige aantasting van de cultuurhistorische waarden plaatsvindt, wordt geen grond gevonden. Volgens de adviezen wordt bij verlegging van de watergang de openheid van het landschap aangetast. Weliswaar staat Laneco volgens het advies als zodanig niet afwijzend tegenover de aanleg van een nieuwe watergang, maar in het advies staat dat volgens Laneco bij verlegging van de watergang de kans groot is dat dit leidt tot verdichting van de rand van het open gebied. Niet valt in te zien dat het college deze omstandigheid ten onrechte bij zijn besluit heeft betrokken. De door [appellant] en anderen gestelde omstandigheid dat met de aanvraag niet is beoogd om binnen het voormalige schootsveld bomen en begroeiing aan te brengen, doet hieraan niet af. Evenmin is van betekenis dat, zoals [appellant] en anderen betogen, de voormalige schootsvelden al veel van hun openheid hebben verloren. Daarbij heeft het college van belang kunnen achten dat de bestaande sloot visueel de grens van het voormalige schootsveld ten opzichte van de woonwijk vastlegt.

4.4. Verder bestaat geen grond voor het oordeel dat in de adviezen is miskend dat de aanvraag niet ziet op de oprichting van bebouwing.

[appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat bij verlegging van de watergang de mogelijkheden voor het behoud, versterken en/of herstel van de ecologische en cultuurhistorische waarden niet worden verkleind. De omstandigheid dat de nieuwe watergang kan worden gedempt en de demping van de bestaande watergang ongedaan kan worden gemaakt, is daartoe onvoldoende.

Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college het dempen van de bestaande watergang en het graven van de nieuwe watergang met juistheid in strijd met het bestemmingsplan heeft geacht.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Van Heusden

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2016

163.