Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:494

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-02-2016
Datum publicatie
24-02-2016
Zaaknummer
201409773/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 oktober 2014 heeft het college hogere waarden vastgesteld voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting op de gevel van 29 bestaande woningen in de gemeenten Barneveld en Nijkerk ten behoeve van de aanleg van een nieuwe rondweg ten westen van de bebouwde kom van Voorthuizen, een nieuwe weg tussen de rondweg en de Rubensstraat en de aan te passen Rijksweg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201409773/1/R4.

Datum uitspraak: 24 februari 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Voorthuizen, gemeente Barneveld,

2. [appellanten sub 2], wonend te Nijkerk,

3. de stichting Stichting Houd Voorthuizen West Groen, gevestigd te Voorthuizen, gemeente Barneveld, en anderen (hierna: [appellant sub 3] en anderen),

4. [appellant sub 4], wonend te Voorthuizen, gemeente Barneveld,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 oktober 2014 heeft het college hogere waarden vastgesteld voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting op de gevel van 29 bestaande woningen in de gemeenten Barneveld en Nijkerk ten behoeve van de aanleg van een nieuwe rondweg ten westen van de bebouwde kom van Voorthuizen, een nieuwe weg tussen de rondweg en de Rubensstraat en de aan te passen Rijksweg.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 4] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten sub 2] en [appellant sub 1] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 november 2015, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. J. Nijenhuis, advocaat te Heerenveen, [appellanten sub 2], vertegenwoordigd door mr. K.A. Luehof, werkzaam bij SUR, [appellant sub 3] en anderen, vertegenwoordigd door mr. B. Meruma, advocaat te Amsterdam, vergezeld door mr. H.H. Bergers, [appellant sub 3] en ing. G.J. Rijpstra, [appellant sub 4], vertegenwoordigd door mr. G. Kramer, advocaat te Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Heerings, mr. C.E. Barnhoorn en mr. E.C.M. Schippers, allen advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant sub 3] en anderen hebben ter zitting hun beroep ingetrokken voor zover het is ingesteld door de stichting.

Het beroep van [appellanten sub 2]

2. [appellanten sub 2] betogen dat de door hen bewoonde recreatiewoning aan de [locatie A] ten onrechte niet in het bestreden besluit is betrokken. Zij voeren hiertoe aan dat voor het bewonen van de recreatiewoning op voet van artikel 2.12, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht twee omgevingsvergunningen zijn verleend, zodat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door hen bewoonde recreatiewoning niet als woning in de zin van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) kan worden aangemerkt.

2.1. Het bestreden besluit heeft geen betrekking op de woning van [appellanten sub 2]. Vernietiging van dat besluit leidt er niet toe dat voor hun woning op het perceel [locatie A] hogere waarden moeten worden vastgesteld. [appellanten sub 2] kunnen met vernietiging van dat besluit dus niet bereiken wat zij willen. Het beroep van [appellanten sub 2] is niet-ontvankelijk.

De beroepen van [appellant sub 3] en anderen, [appellant sub 4] en [appellant sub 1]

Inleiding

3. [appellant sub 3] en anderen, [appellant sub 4] en [appellant sub 1] richten zich onder meer tegen het besluit omdat zij vinden dat zodanige bron- en overdrachtsmaatregelen getroffen moeten worden, dat na aanleg van de nieuwe rondweg (hierna: de N303) en de nieuwe weg tussen de rondweg en de Rubensstraat (hierna: de nieuwe weg) ter plaatse van hun woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. Zij voeren hiertoe onder meer aan dat het college geen doorslaggevend gewicht heeft kunnen toekennen aan algemene bezwaren van financiële aard, maar dat het college per afzonderlijke woning inzichtelijk had moeten maken of bron- of overdrachtsmaatregelen kunnen worden getroffen en hoe de kosten zich hiervan verhouden tot de kosten van woningisolatie.

4. Ingevolge artikel 110a, eerste lid in samenhang met het zevende lid, van de Wgh is het college van gedeputeerde staten binnen de grenzen van de provincie bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting in verband met de aanleg of reconstructie van een weg in beheer bij de provincie.

Ingevolge het vijfde lid van dit artikel kan het college slechts toepassing geven aan de in het eerste lid van dit artikel toegekende bevoegdheid tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting indien toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting vanwege de weg van de gevel van de betrokken woning tot de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard.

5. Bij de voorbereiding van het inpassingsplan "Rondweg Voorthuizen N303" heeft het college onderzoek laten doen naar de geluidbelasting die door woningen binnen de geluidzones van de N303 en de nieuwe weg zal worden ondervonden. Daarbij heeft het college tevens onderzoek laten doen naar de doeltreffendheid van de in aanmerking komende maatregelen om te voorkomen dat de in de toekomst vanwege de nieuwe rondweg optredende geluidbelasting de voorkeurswaarde van 48 dB te boven gaat. De uitkomsten van dit onderzoek zijn neergelegd in het door SPAingenieurs opgestelde rapport "Rondweg N303 in Voorthuizen - gemeente Barneveld. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai" van 20 februari 2014 (hierna: het SPA-rapport). Op grond van dit onderzoek heeft het college besloten voor 27 woningen, waaronder de woningen van [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 4], hogere waarden vast te stellen ten behoeve van de aanleg van de N303 en voor één woning, te weten de woning van [appellant sub 1], een hogere waarde vast te stellen ten behoeve van de aanleg van de nieuwe weg.

Bronmaatregelen

6. [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 4] betogen dat het college niet toereikend heeft onderbouwd waarom het verlagen van de maximumsnelheid naar 50 of 60 km/u geen passende bronmaatregel is. Zij wijzen erop dat de verlaging van de maximumsnelheid een zeer effectieve en kostenvriendelijke maatregel is. Weliswaar wordt in het bestreden besluit toegelicht dat de N303 beschouwd moet worden als een gebiedsontsluitingsweg in de zin van het provinciaal beleid waarbij een eenduidige snelheid van 80 km/u hoort, maar hierbij wordt geen rekening gehouden met de lokale omstandigheden, aldus [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 4]. De feitelijke snelheid op de rondweg zal immers lager liggen dan 80 km/u aangezien gelijkvloerse kruisingen met verkeerslichten in de weg worden aangelegd. Daarnaast wordt op de bestaande N303 door de kern Voorthuizen al met een snelheid van 50 km/u of lager gereden zonder dat dit tot enig probleem bij de doorstroming leidt. [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 4] stellen zich dan ook op het standpunt dat niet valt in te zien dat overwegende bezwaren van verkeerskundige, stedenbouwkundige of financiële aard bestaan tegen het toepassen van deze bronmaatregel.

Voorts maken [appellant sub 3] en anderen een vergelijking met andere delen van de huidige N303 waar een lagere maximumsnelheid geldt dan 80 km/u.

6.1. Het college heeft uiteengezet met dat de nieuwe rondweg, in de vorm van een provinciale rondweg met twee rijstroken, wordt beoogd het doorgaande regionale verkeer tussen de gemeenten Nijkerk en Barneveld om de kern van Voorthuizen te leiden. De rondweg wordt als gebiedsontsluitingsweg ingericht om zo het doorgaande verkeer te faciliteren. Overeenkomstig het provinciaal beleid, waarin aansluiting is gezocht bij de ontwerprichtlijnen uit het Handboek Wegontwerp van CROW en de uitgangspunten van Duurzaam Veilig, kent een gebiedsontsluitingsweg buiten de bebouwde kom een maximumsnelheid van 80 km/u en binnen de bebouwde kom een maximumsnelheid van 50 km/u. Deze uitgangspunten zijn in het ontwerp van de rondweg opgenomen om een weg met een voorspelbaar en veilig wegbeeld te realiseren. De door [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 4] bedoelde snelheidsverlaging is in strijd met het provinciaal beleid en zou afbreuk doen aan het doel van het project, namelijk een betere afwikkeling van het doorgaand verkeer. Er bestaan dan ook overwegende bezwaren van verkeerskundige aard tegen een verlaging van de maximumsnelheid, aldus het college.

Naar het oordeel van de Afdeling is de keuze voor een gebiedsontsluitingsweg, overeenkomstig voornoemde beleidsuitgangspunten, niet onredelijk. De door [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 4] aangevoerde omstandigheden dat de feitelijke snelheid lager zal liggen dan 80 km/u en dat op de huidige N303 door de kern Voorthuizen een maximumsnelheid van 50 km/u geldt, acht de Afdeling ontoereikend voor het oordeel dat het college hierin aanleiding had moeten zien af te wijken van het provinciaal beleid.

6.2. Over de door [appellant sub 3] en anderen gemaakte vergelijking met andere delen van de N303 waar een lagere maximumsnelheid geldt, wordt overwogen dat het college zich op het standpunt heeft gesteld dat deze door [appellant sub 3] en anderen bedoelde weggedeelten - met uitzondering van één weggedeelte - binnen de bebouwde kom liggen. Voor het bedoelde weggedeelte buiten de bebouwde kom geldt weliswaar een lagere maximumsnelheid, maar het college heeft toegelicht dat op dit weggedeelte de snelheid is verlaagd uit het oogpunt van verkeersveiligheid. In hetgeen [appellant sub 3] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de situatie op de door [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 4] bedoelde weggedeelten anders is dan de op de nieuw aan te leggen N303. De betogen falen.

7. [appellant sub 4] betoogt dat het college ten onrechte niet de effecten van het verlagen van de weg heeft onderzocht. Daarnaast volgt uit het bestreden besluit en het SPA-rapport niet waarom deze maatregel niet is onderzocht.

7.1. Het college heeft toegelicht dat deze bronmaatregel inderdaad de geluidbelasting op de omgeving vermindert, maar pas effectief is vanaf één meter verlaging. Gelet op de grondwaterstanden zullen de kosten van een dergelijke maatregel vele malen hoger zijn dan de kosten van stil asfalt of geluidsafscherming middels grondwallen, aldus het college.

Het betoog van [appellant sub 4] bevat geen aanknopingspunten voor het oordeel dat dit standpunt van het college onjuist is. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college tevens het verlagen van de weg in zijn afweging had moeten betrekken. Het betoog faalt.

Overdrachtsmaatregelen N303

8. [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 4] betogen dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de aanleg van geluidswallen of geluidsschermen op overwegende bezwaren van financiële aard stuit. Zij voeren hiertoe aan dat niet duidelijk is welke maatstaf is aangelegd om vast te stellen in welke gevallen sprake is van overwegende bezwaren van financiële aard. [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 4] voeren daarnaast aan dat ten onrechte een beoordeling van de doelmatigheid van overdrachtsmaatregelen per afzonderlijke woning ontbreekt. [appellant sub 3] en anderen hebben in dit verband offertes overgelegd voor een concrete locatie, de woning aan de [locatie B]. Uit de offertes volgt dat de geluidsisolatie € 21.846,55 kost, hetgeen hoger is dan de door het college geraamde kosten van € 10.000,- per woning, en dat de geluidswal € 6.300,- exclusief btw kost. Deze offertes tonen volgens [appellant sub 3] en anderen aan dat het college per afzonderlijke woning de kosten van geluidsisolatie en de kosten van aanbrengen geluidafscherming had moeten vaststellen, alvorens een afweging te maken. [appellant sub 4] voert verder aan dat met geluidswallen de gevelbelasting voor alle woningen onder de voorkeurswaarde van 48 dB kan worden gebracht. Om deze reden had het college uit moeten gaan van geluidafschermende voorzieningen. Verder voeren [appellant sub 3] en anderen aan dat de extra kosten van ongeveer € 1,5 miljoen voor het aanbrengen van geluidsafscherming relatief gering zijn op de totale begroting van € 67 miljoen voor het project, zodat van een overwegend bezwaar van financiële aard dan ook geen sprake kan zijn.

8.1. Het college stelt dat een integrale afweging heeft plaatsgevonden op basis van het type maatregel, de kosten van de maatregel, het effect van de maatregel en de kosten van isolatiemaatregelen aan de woningen. Op basis van deze afweging is beoordeeld of de desbetreffende maatregel doelmatig is. Daarbij is het uitgangspunt gehanteerd dat het effect van een maatregel in redelijke verhouding moet staan tot de daarvoor te maken kosten. Op basis van deze afweging is gekozen voor het aanbrengen van geluidreducerend asfalt. Gelet op de kosten van woningisolatie voor de alsdan resterende 29 woningen, geraamd op € 290.000,-, en de kosten van overdrachtsmaatregelen om de geluidbelasting ter plaatse van al deze woningen tot beneden de voorkeurswaarde te brengen, geraamd op € 1.517.800,- exclusief btw en de kosten van verwerving van vastgoed, heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het treffen van deze overdrachtsmaatregelen overwegende bezwaren van financiële aard ontmoet, behoudens een cluster van twee woningen waarvoor het treffen van een overdrachtsmaatregel doelmatig is. Er heeft, aldus het college, geen vergelijking plaatsgevonden tussen de kosten van de betrokken maatregelen en de kosten van het totale project.

Het college stelt verder dat de door de stichting en anderen overgelegde offerte voor het aanbrengen van gevelisolatie niet is onderbouwd met berekeningen van het binnenniveau, zodat onduidelijk is tot welk binnenniveau de genoemde maatregelen leiden. Daarnaast zien de beschreven maatregelen op het isoleren van het dak en het glas, terwijl de zwakste punten in een woning de naden en kieren zijn. Kort gezegd is de overgelegde offerte niet reëel, aldus het college. Wat betreft de offerte voor de aanleg van de geluidswal stelt het college dat deze klaarblijkelijk uitgaat van een lengte van de geluidswal van 47 meter, terwijl ter plaatse van de woning aan de [locatie B] een geluidswal met een lengte van 300 meter nodig is.

8.2. Uit paragraaf 5.2 van het SPA-rapport volgt dat de geluidbelasting afkomstig van de N303 de voorkeurswaarde van 48 dB overschrijdt bij 71 woningen. Door toepassing van een geluidreducerend wegdektype kan de geluidbelasting bij 42 woningen worden gereduceerd tot maximaal 48 dB. Na toepassing van geluidreducerend asfalt wordt de voorkeurswaarde nog bij 29 woningen overschreden. In de bijlagen 3.4.1 tot en met 3.4.3 bij het SPA-rapport zijn de ligging en de hoogte van de benodigde overdrachtsmaatregelen weergegeven. De extra kosten van het treffen van deze overdrachtsmaatregelen worden in het SPA-rapport geraamd op € 1.517.800,- exclusief btw en de kosten voor engineering en vastgoed. Geraamd wordt verder dat de kosten voor geluidwerende voorzieningen voor 29 woningen ongeveer € 290.000,- bedragen.

Gelet op het verweer ten aanzien van de overgelegde offerte voor het aanbrengen van geluidsisolatie aan de woning aan de [locatie B] ziet de Afdeling in het betoog van [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 4] geen aanleiding voor het oordeel dat de door het college geraamde kosten van woningisolatie van € 10.000,- per woning zodanig afwijken van de kosten die feitelijk gemaakt zullen moeten worden, dat het college hiervan in redelijkheid niet heeft kunnen uitgaan. Daarnaast ziet de Afdeling in de overgelegde offerte voor de aanleg van een geluidswal, gelet op het verweer van het college, geen aanleiding voor het oordeel dat het college de kosten voor het treffen van overdrachtsmaatregelen onjuist heeft geschat en in redelijkheid de in het SPA-rapport geraamde kosten voor het treffen van overdrachtsmaatregelen niet aan zijn besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. In het betoog ziet de Afdeling ook verder geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college ten aanzien van de overige afzonderlijke woningen niet in redelijkheid de in het SPA-rapport genoemde bedragen aan zijn besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. Gelet hierop en nu de geraamde kosten van de door [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 4] gewenste overdrachtsmaatregelen minstens vijf maal hoger zijn dan de geraamde kosten van woningisolatie heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het treffen van overdrachtsmaatregelen overwegende bezwaren van financiële aard ontmoet. Daarbij heeft het college naar het oordeel van de Afdeling in de omvang van de totale begroting van het project in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien voor een ander standpunt.

De betogen falen.

9. [appellant sub 4] betoogt dat zijn woning had moeten worden opgenomen in een cluster van woningen waarvoor wel een geluidswal wordt aangelegd, althans dat het college inzichtelijk had moeten maken welk effect deze geluidswal heeft op de nabijgelegen woningen buiten het gekozen cluster, zoals zijn woning. Het college had daarnaast onderzoek moeten verrichten naar de mogelijkheid van optimalisatie, verlenging en/of verhoging ten behoeve van zijn woning, aldus [appellant sub 4].

9.1. Het college stelt dat het cluster van woningen waarvoor een geluidswal gerealiseerd zal worden is opgenomen in paragraaf 5.2.5 van het SPA-rapport. De woning van [appellant sub 4] ligt op ongeveer 1 km van deze geluidswal, zodat deze geluidswal geen enkel effect heeft op de woning. Nu [appellant sub 4] niet heeft bestreden dat de bedoelde geluidswal op een afstand van ongeveer 1 km van zijn woning ligt, geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat het college ten onrechte het door [appellant sub 4] bedoelde onderzoek niet heeft uitgevoerd. Het betoog faalt.

10. Wat betreft het betoog van [appellant sub 3] en anderen dat er legio groene mogelijkheden zijn voor de inpassing van geluidafscherming zodat er ook geen overwegende bezwaren van landschappelijke aard tegen geluidafschermende maatregelen bestaan, heeft het college toegelicht dat het plaatsen van geluidafscherming niet stuit op bezwaren van landschappelijk aard. De landschappelijk inpassing speelde in de overweging dan ook geen rol. Het betoog mist in zoverre feitelijke grondslag.

Overdrachtsmaatregelen nieuwe weg

11. [appellant sub 1] betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het aanbrengen van een geluidsscherm ten behoeve van zijn woning overwegende bezwaren van financiële aard ontmoet. Hiertoe voert hij aan dat de kosten van geluidafschermende voorzieningen niet zorgvuldig zijn geraamd, zodat ook de daarop gebaseerde afweging van te nemen maatregelen onvoldoende zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Zo is onduidelijk waarop het bedrag van € 57.150,- voor de aanleg van een geluidswal is gebaseerd. Daarnaast zet hij vraagtekens bij de geraamde kosten van € 90.000,- voor de aanleg van een geluidsscherm. In dat verband heeft hij de door Adromi Groep opgestelde notitie "Rondweg N303 Voorthuizen" van 29 oktober 2015 (hierna: Adromi-notitie) overgelegd waarin staat dat voor de realisatie van een geluidsscherm ten behoeve van de woning van [appellant sub 1] onnodig wordt uitgegaan van de realisatie van een geluidabsorberend scherm dat in het algemeen duurder is dan een niet geluidabsorberend scherm. Verder voert hij aan dat het college ten onrechte is uitgegaan van de gemiddelde kosten voor de geluidsisolatie van een gemiddelde woning van € 10.000,-. [appellant sub 1] wijst erop dat gezien de aard van de woning het kostenplaatje voor geluidwerende voorzieningen aan zijn woning er wezenlijk anders uit zal zien.

Voorts stelt [appellant sub 1] dat als gevolg van de aanleg van de weg de geluidbelasting met 4 dB toeneemt tot 52 dB en dat de aanleg van een geluidsscherm met het oog op de leefbaarheid in zijn woning en op het erf de enig redelijke optie is. Hij wijst op de omstandigheid dat hij voor de aanleg van de nieuwe weg al een groot deel van zijn perceel moet afstaan en dat de gevolgen van de ontwikkeling onevenredig zijn in verhouding tot het met het besluit te dienen doel. Verder voert hij aan dat het college zelf het uitgangspunt hanteert dat geluidafscherming de voorkeur verdient boven woningisolatie, maar in strijd hiermee toch een hogere waarde voor zijn woning heeft vastgesteld.

12. In paragraaf 5.3.3 van het SPA-rapport staat dat na toepassing van geluidreducerende wegdekken de voorkeurswaarde bij de woning van [appellant sub 1] nog wordt overschreden als gevolg van de aanleg van de nieuwe weg. Om de geluidbelasting op de gevels van de woning terug te brengen tot de voorkeurswaarde dient een aanvullende geluidswal met een hoogte van 2,5 meter en een lengte van ongeveer 90 meter te worden aangelegd. Voor geluidswallen zijn op ervaring gebaseerde kosten per strekkende meter gehanteerd. Als richtprijs voor de raming van de kosten voor het plaatsen van een geluidswal met een hoogte van 2,5 meter is € 135,-/m aangehouden exclusief btw en kosten voor engineering en vastgoed. Uitgaande van deze bedragen zijn de kosten voor het plaatsen van geluidswal € 12.150,-. Voor het plaatsen van deze geluidswal moet een stuk grond van het perceel van [appellant sub 1] worden aangekocht. De kosten van deze grond bedragen circa € 45.000,- uitgaande van een bedrag van € 100,-/m2. Verder staat in het SPA-rapport dat op basis van onder andere de uitgave "Praktijkreeks Geluid en Omgeving", SDU-uitgevers, 2006, als richtprijs voor de raming van de kosten voor het plaatsen van een geluidsscherm € 500,-/m2 kan worden aangehouden. [appellant sub 1] heeft niet heeft onderbouwd van welke bedragen het college volgens hem had moeten uitgaan. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college ontoereikend heeft onderbouwd op grond van welke gegevens de kosten van een geluidswal worden geraamd op € 45.000,- en de kosten van een geluidsscherm worden geraamd op € 90.000,-.

In paragraaf 5.3.3 staat dat de kosten van geluidsisolatie van de woning maximaal € 10.000,- bedragen. Het college heeft uiteengezet dat deze inschatting van de kosten van geluidsisolatie reëel is, aangezien de gevel in het geval van [appellant sub 1] een geluidwering variërend van 18 tot 25 dB moet hebben en voor bestaande woningen volgens het Bouwbesluit 2012 uitgegaan mag worden van een geluidwering van 20 dB. De resterende 5 dB is met eenvoudige maatregelen te realiseren, aldus het college. [appellant sub 1] heeft deze uiteenzetting niet bestreden. Gelet hierop ziet de Afdeling in het betoog van [appellant sub 1] geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van de geraamde kosten van woningisolatie van € 10.000,- heeft kunnen uitgaan.

Gelet op het voorgaande geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat het college deze bedragen niet in redelijkheid aan zijn afweging ten grondslag heeft kunnen leggen. Aangezien de geraamde kosten van de door [appellant sub 1] gewenste aanleg van een geluidsscherm negen maal hoger zijn dan de geraamde kosten van woningisolatie heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van een geluidsscherm overwegende bezwaren van financiële aard ontmoet. Wat betreft het betoog van [appellant sub 1] dat vanwege de bijzondere situatie ter plaatse van zijn woning het college een andere afweging had moeten maken, stelt de Afdeling vast dat het college aan zijn afweging tevens het door SPA opgestelde rapport "akoestisch onderzoek cumulatieve geluidbelastingen en RO" van 12 augustus 2014 ten grondslag heeft gelegd. Uit dit rapport volgt dat ter plaatse van de woning van [appellant sub 1] de gecumuleerde geluidbelasting na realisatie van de rondweg op twee gevels met maximaal 5 dB afneemt en op de andere twee gevels met maximaal 4 dB toeneemt. De toename bedraagt maximaal 4 dB en de afname bedraagt maximaal 5 dB. Daarbij wordt opgemerkt dat de nieuwe situatie naar verwachting niet tot extra geluidhinder leidt. Gelet hierop ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat het college de situatie ter plaatse van de woning van [appellant sub 1] onvoldoende in zijn afweging heeft betrokken.

Het betoog faalt.

Overige beroepsgronden

13. [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 4] betogen dat het college in strijd met het Actieplan Geluid 2013-2017 (hierna: het Actieplan) de voorkeur heeft gegeven aan het toepassen van woningisolatie op individuele adressen boven het nemen van maatregelen die een positief effect hebben op de kwaliteit van woon- en leefomgeving in een hele wijk en de buitenruimte. [appellant sub 3] en anderen wijzen in dit verband tevens op het Gelders Milieuplan 4 (hierna: GMP4).

13.1. In paragraaf 2.2 van het Actieplan staat dat nieuwe situaties waarop de Wgh van toepassing is niet onder de werking van het Actieplan vallen; het Actieplan heeft alleen betrekking op bestaande situaties. Bovendien volgt uit het Actieplan en het GMP4 dat deze zijn gericht op situaties met een bestaande geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai vanaf 63 dB. Uit het bestreden besluit volgt dat de waarde van 63 dB niet wordt overschreden. Het Actieplan en het GMP4 zijn derhalve niet op het besluit van toepassing. Het betoog faalt.

14. Wat betreft het betoog van [appellant sub 3] en anderen dat ten aanzien van het pand [locatie C] en [locatie D] door een vertegenwoordiger van het provinciebestuur het vertrouwen is gewekt dat een geluidswal ten behoeve van deze woning zou worden aangelegd, stelt de Afdeling vast dat [appellant sub 3] en anderen geen bewijs hebben overgelegd van deze stelling. Gelet hierop faalt het betoog.

15. [appellant sub 4] betoogt dat in het besluit en de daaraan ten grondslag gelegde onderzoeken ten onrechte geen rekening is gehouden met een geluidswal ter plaatse van zijn overburen. De geluidswal zal tot gevolg hebben dat meer geluid van de rondweg wordt weerkaatst, aldus [appellant sub 4]. Daarnaast ziet hij niet in waarom ten behoeve van zijn woning niet eveneens in een geluidswal kan worden voorzien.

15.1. Het college stelt dat ten behoeve van de overburen geen geluidswal, maar vanwege de bijzondere situatie ten behoeve van het uitzicht een grondwal zal worden gerealiseerd. De afweging ter zake van de aanleg van deze grondwal is om deze reden anders dan de afweging die ter zake van de aanleg van een geluidwal ten behoeve van de woning van [appellant sub 4] is gemaakt. [appellant sub 4] heeft deze stelling van het college niet bestreden. In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van gelijke gevallen. In het aangevoerde ziet de Afdeling verder geen aanleiding voor het oordeel dat het college onderzoek had moeten laten doen naar de gevolgen van deze grondwal voor de geluidbelasting ter plaatse van zijn woning. Het betoog faalt.

16. [appellant sub 1] betoogt onder verwijzing naar de Adromi-notitie dat onduidelijk is waarom de in het bestemmingsplan voor de gemeentelijke noordelijke rondweg opgenomen geluidmaatregelen niet meer worden gerealiseerd. Daarnaast betoogt hij dat de geluidmaatregelen ten behoeve van de tegenover zijn woning gelegen begraafplaats onnodig duur worden uitgevoerd. De Afdeling stelt vast dat het bestreden besluit niet is genomen in verband met de aanleg van de gemeentelijke noordelijke rondweg. Voorts stelt de Afdeling vast dat voor de begraafplaats geen hogere waarde is vastgesteld. Gelet hierop heeft het betoog geen betrekking op het bestreden besluit. Het betoog faalt.

17. [appellant sub 1] betoogt dat wat betreft de maximumsnelheid ter plaatse van zijn woning wordt gewezen op een bijlage bij dit besluit, maar dat deze bijlage niet bij het toegezonden besluit is gevoegd. De Afdeling stelt vast dat wat van dit betoog ook zij, deze beroepsgrond betrekking heeft op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet kan aantasten. Het betoog faalt.

Conclusie

18. Het beroep van [appellanten sub 2] is niet-ontvankelijk. De beroepen van [appellant sub 3] en anderen, [appellant sub 4] en [appellant sub 1] zijn ongegrond.

19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellanten sub 2] niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. F.D. van Heijningen en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Boer, griffier.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Boer

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2016

745.