Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:490

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-02-2016
Datum publicatie
24-02-2016
Zaaknummer
201501790/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2015:1074, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 oktober 2011 heeft het college aan Ontwikkelingsmaatschappij Gruttersdijk een aantal ontheffingen en een bouwvergunning eerste fase verleend voor de bouw van twee woongebouwen met een gedeeltelijke ondergrondse stallinggarage op het perceel Gruttersdijk 18-20 te Utrecht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Woningwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/186
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201501790/1/A1.

Datum uitspraak: 24 februari 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], [appellant C] en [appellant D], [appellant E] en [appellant F], [appellant G], [appellant H] en [appellant J], allen wonend te Utrecht,

appellanten (hierna: [appellant A] en anderen) ,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 13 januari 2015 in zaak nr. 13/6578 in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Ontwikkelingsmaatschappij Gruttersdijk B.V.

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

Procesverloop

Bij besluit van 17 oktober 2011 heeft het college aan Ontwikkelingsmaatschappij Gruttersdijk een aantal ontheffingen en een bouwvergunning eerste fase verleend voor de bouw van twee woongebouwen met een gedeeltelijke ondergrondse stallinggarage op het perceel Gruttersdijk 18-20 te Utrecht.

Bij besluit van 5 november 2013 heeft het college het door [appellant B], [appellant E], [appellant C], [appellant H] en [appellant G] daartegen gemaakte bezwaar opnieuw gegrond verklaard en het besluit van 17 oktober 2011 herroepen.

Bij uitspraak van 13 januari 2015 heeft de rechtbank het door Ontwikkelingsmaatschappij Gruttersdijk daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 5 november 2013 vernietigd, bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit en het primaire besluit gehandhaafd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en anderen hoger beroep ingesteld.

Ontwikkelingsmaatschappij Gruttersdijk heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant A] en anderen hebben nog nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 oktober 2015, waar [appellant A], [appellant B], [appellant E], [appellant F], vergezeld van [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door N. Verkerk, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Ontwikkelingsmaatschappij Gruttersdijk, vertegenwoordigd door [directeur], bijgestaan door mr. C.J. Koenen, advocaat te Amsterdam, gehoord.

Overwegingen

Ontvankelijkheid

1. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld.

2. In de namens [appellant B], [appellant C] en [appellant E] door hun gemachtigden ingediende bezwaarschriften is niet vermeld dat het bezwaar tegen het besluit van 17 oktober 2011 mede is gemaakt door hun partners, onderscheidenlijk [appellant A], [appellant D] en [appellant F]. Ook anderszins blijkt niet uit de bezwaarschriften dat wel is beoogd mede namens hen bezwaar te maken. Het college heeft [appellant A], [appellant D] en [appellant F] in het besluit op bezwaar ook niet aangemerkt als bezwaarmakers. Gelet hierop moet het ervoor worden gehouden dat [appellant A], [appellant D] en [appellant F] geen bezwaar hebben gemaakt tegen het besluit van 17 oktober 2011. Vast staat voorts dat [appellant J] geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 17 oktober 2011. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat hen redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bezwaar te hebben gemaakt. Zij kunnen daarom, gelet op artikel 6:13, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, geen hoger beroep instellen.

Het hoger beroep is derhalve niet-ontvankelijk voor zover dat is ingediend door [appellant J], [appellant A], [appellant D] en [appellant F].

Inleiding

3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Gruttersdijk e.o." rust op de percelen de bestemming "Gemengde doeleinden 1, Gd1".

Ingevolge artikel 7, onder A, van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden onder meer bestemd voor wonen.

Ingevolge artikel 7, onder B (Beschrijving in hoofdlijnen), aanhef, zullen de aan de gronden toegekende doeleinden, uitgaande van de in de toelichting omschreven toekomstige situatie, met het plan worden nagestreefd op de wijze, zoals hierna in hoofdlijnen is beschreven.

Ingevolge onder B, tweede lid, mag de achterbouw aan de Gruttersdijk in principe in drie lagen worden gerealiseerd. Als algemene stelregel voor de achterbouw geldt dat hoe meer groenvoorzieningen en open ruimte er op het bouwperceel wordt gerealiseerd hoe meer bouwlagen zijn toegestaan:

* bouwkavel smaller dan 8 m: achterbouw in vier lagen toegestaan;

* bouwkavel breder dan 8 m: indien de bebouwing over de volle breedte van de kavel wordt gerealiseerd dan zijn drie lagen toegestaan;

* bouwkavel breder dan 8 m: indien de bebouwing niet over de volle breedte van de kavel wordt gerealiseerd dan zijn vier lagen toegestaan;

* bouwkavel breder dan 8 m: indien de bebouwing in diepte en breedte van de kavel wordt gerealiseerd dan zijn drie lagen toegestaan.

Ingevolge artikel 7, onder C, eerste lid, aanhef en onder d, mag de hoogte van gebouwen niet meer bedragen dan de op de plankaart in het bouwvlak als zodanig aangegeven bouwhoogte.

Ingevolge, onder e, mag het aantal bouwlagen niet meer bedragen dan de op de plankaart in het bouwvlak als zodanig aangegeven aantal bouwlagen, met dien verstande dat één bouwlaag ten behoeve van een gebouwde parkeervoorziening, geheel of gedeeltelijk ondergronds, hiervoor niet wordt meegerekend.

Ingevolge artikel 7, onder E, eerste lid, kan het college, rekening houdend met het gestelde in de beschrijving in hoofdlijnen in lid B, vrijstelling verlenen van het maximaal toegestane aantal bouwlagen en de maximale bouwhoogte, zoals aangegeven op de plankaart en toestaan dat het aantal bouwlagen en de hoogte van een gebouw respectievelijk vier lagen en 14 m bedraagt, mits:

a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de woonsituatie van de aangrenzende woningen

b. geen onevenredige aantasting plaats vindt van het straat- en bebouwingsbeeld.

Ingevolge artikel 13, aanhef en onder A, kan het college met inachtneming van het gestelde in de beschrijving in hoofdlijnen vrijstelling verlenen van de op de plankaart of in de voorschriften gegeven maten, afmetingen en percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages.

Ingevolge onder F kan het college met inachtneming van het gestelde in de beschrijving in hoofdlijnen vrijstelling verlenen van het in het plan bepaalde voor het maken van doorgangen in een aaneengesloten bebouwing en onderdoorgangen in de onderste bouwlaag van gebouwen ten behoeve van de bereikbaarheid van de binnenterreinen en gebouwde parkeervoorzieningen, mits de doorgangen en onderdoorgangen niet breder zijn dan 4,50 meter.

4. Het bouwplan betreft de bouw van twee woongebouwen en een gedeeltelijk ondergrondse parkeergarage. Het plan bestaat uit een voorhuis en een achterhuis waarin in totaal zestien woningen zullen worden gerealiseerd. De voorgevel van het voorhuis is gelegen aan de Gruttersdijk en het achterhuis ligt op het perceel achter het voorhuis. Beide woongebouwen hebben vier bouwlagen. Het bouwplan is in strijd met enkele in het bestemmingsplan opgenomen bebouwingsvoorschriften. Het betreft meer in het bijzonder de bouwhoogte van het voorhuis en het achterhuis, de bouwgrens aan de achterzijde van het voorhuis en het aantal bouwlagen van het achterhuis. Om het bouwplan mogelijk te maken heeft het college in het primaire besluit met toepassing van artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de Wet ruimtelijke ordening, gelezen in verbinding met de artikelen 7 onder E, 13 onder A en 13 onder F, van de planvoorschriften ontheffing van het bestemmingsplan verleend. Omwonenden vrezen dat het achtergebouw door de hoogte ervan hun woon- en leefklimaat onevenredig zal aantasten. Het geschil beperkt zich dan ook tot het achterhuis.

5. Bij het besluit op bezwaar is het college teruggekomen van het primaire besluit, heeft het besloten alsnog geen medewerking te verlenen aan het bouwplan en heeft het de bouwvergunning en ontheffingen herroepen. De rechtbank heeft dit besluit vernietigd en daarbij overwogen dat het aantal voorziene bouwlagen van het achterhuis in overeenstemming is met de beschrijving in hoofdlijnen en het college bij zijn belangenafweging aan het belang van omwonenden ten onrechte een doorslaggevend gewicht heeft toegekend. Vanwege de extreem lange duur van de procedure en het feit dat het een bouwvergunning eerste fase betreft heeft de rechtbank aanleiding gezien om zelf in de zaak te voorzien. Omdat de rechtbank in de stukken en het ter zitting besprokene geen reden heeft gezien voor een herroeping van het primaire besluit, heeft de rechtbank dit besluit in stand gelaten.

Het college heeft ter zitting van de Afdeling te kennen gegeven dat het zich achter de overwegingen in de aangevallen uitspraak schaart. Dat betekent dat het college zich thans op het in het primaire besluit van 17 oktober 2011 ingenomen standpunt stelt dat het bouwplan gelet op de stedelijke omgeving en de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt niet zal leiden tot een onevenredige aantasting van de woonsituatie van omwonenden en het ruimtelijk aanvaardbaar is.

"Stedenbouwkundige uitwerking nadere eisen"

6. [appellant B], [appellant E], [appellant C], [appellant H] en [appellant G] (hierna: [appellant B] en anderen) hebben geen belang bij een beoordeling van hun betoog, dat de rechtbank ten onrechte het door hen ter zitting van de rechtbank overgelegde, door het college op 1 juli 2008 vastgestelde, "Stedenbouwkundige uitwerking nadere eisen" buiten beschouwing heeft gelaten, aangezien dit stuk in hoger beroep opnieuw is ingediend en alsnog in de beoordeling van het geschil kan worden betrokken.

Totstandkoming van de besluitvorming

7. [appellant B] en anderen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat omwonenden tijdens de gehele procedure niet bij de totstandkoming van de nieuwbouwplannen zijn betrokken waardoor zij niet in de gelegenheid zijn gesteld om hierover constructief van gedachten te wisselen met de gemeente en de Ontwikkelingsmaatschappij Gruttersdijk. Zij hebben voorts de indruk dat de onzorgvuldige handelwijze van het college gedurende de gevoerde procedures van invloed is geweest op het oordeel van de rechtbank. Voorts is de rechtbank er volgens [appellant B] en anderen ten onrechte aan voorbij gegaan dat omwonenden zich misleid voelen, nu hun bij aankoop van de woning door de Ontwikkelingsmaatschappij Gruttersdijk is voorgehouden dat ter plaatse een kleinschalig bouwproject zou worden gerealiseerd dat uit maximaal drie bouwlagen zou bestaan.

7.1. Dit betoog faalt. Omwonenden zijn in de gelegenheid gesteld zienswijzen in te dienen tegen het ontwerpbesluit en hebben vervolgens bezwaar kunnen maken. Van die mogelijkheden hebben zij ook gebruik gemaakt. Het college heeft aldus de wettelijke voorgeschreven procedure gevolgd. Dat, zoals [appellant B] en anderen stellen, onvoldoende overleg met omwonenden heeft plaats gevonden over mogelijke aanpassingen van het bouwplan, heeft geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het besluit in deze procedure. Het plegen van overleg met omwonenden maakt immers geen deel uit van de in de wet geregelde procedure. Ter zitting van de Afdeling heeft het college erkend dat de gang van zaken rondom de besluitvorming met betrekking tot het bouwplan, waaronder begrepen wisselende standpunten omtrent de aanvaardbaarheid van het bouwplan, in deze procedure onnodige vertraging en onduidelijkheid voor partijen tot gevolg heeft gehad. De Afdeling ziet evenwel geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de rechtbank in verband met deze gang van zaken de belangen van [appellant B] en anderen onvoldoende heeft onderkend en niet heeft meegewogen.

7.2. De Afdeling overweegt voorts dat het college moet besluiten over het bouwplan, zoals dat bij hem is ingediend. Vergelijk in dit verband de uitspraak van de Afdeling van 27 december 2012 in zaak nr. 201204143/1/A1. In de in de koop-aannemingsovereenkomsten neergelegde afspraak tussen omwonenden en de Ontwikkelingsmaatschappij Gruttersdijk dat op de bouwlocatie maximaal drie bouwlagen zullen worden gerealiseerd, heeft de rechtbank gelet op het privaatrechtelijke karakter ervan terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college de ontheffing en bouwvergunning niet kon verlenen.

Ontheffing krachtens artikel 7, onder E, eerste lid, van de planvoorschriften

8. [appellant B] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte het besluit op bezwaar heeft vernietigd. Zij voeren hiertoe aan dat dat de rechtbank heeft miskend dat het bestemmingsplan de bouw van vier bouwlagen niet toestaat en dat voor een gebouw met vier bouwlagen gelet op de in het bestemmingsplan opgenomen uitgangspunten, die in de aan het besluit op bezwaar ten grondslag gelegde "Stedelijke heroriëntatie bouwplan Gruttersdijk 18-20" zijn verwoord, geen ontheffing kan worden verleend.

8.1. Het college heeft zich in het door de rechtbank vernietigde besluit op bezwaar op het standpunt gesteld dat ontheffing van de toegestane maximale bouwhoogte en aantal bouwlagen niet mogelijk is, omdat bij het verlenen van een ontheffing de beschrijving in hoofdlijnen altijd gevolgd moet worden en het bouwplan hierin niet past. In de aan het besluit op bezwaar ten grondslag gelegde "Stedenbouwkundige heroriëntatie Gruttersdijk 18-20" van de Afdeling Stedenbouw en Planologie van 4 oktober 2013 (hierna: Stedenbouwkundige heroriëntatie) is bij de beoordeling van het bouwplan als uitgangspunt genomen dat volgens de in artikel 5 van het bestemmingsplan opgenomen algemene beschrijving in hoofdlijnen het bestaande karakteristieke, smalle stroken-verkavelingspatroon van het gebied dient te worden gehandhaafd. Omdat het voorziene bouwplan breder is dan de smalle kavels, leidt dit in combinatie met de hoogte ervan volgens de Stedenbouwkundige heroriëntatie tot bebouwing van grotere schaal die zich niet voegt naar het van oorsprong fijnmazige en kleinschalige gebied.

8.2. De rechtbank heeft in rechtsoverwegingen 5 en 8 van de aangevallen uitspraak terecht vastgesteld dat ingevolge het bestemmingsplan een achterbouw met een maximale bouwhoogte van 10 meter bestaande uit drie bouwlagen op het perceel is toegestaan. De rechtbank heeft evenwel ten onrechte overwogen dat de in artikel 7, onder B, tweede lid, van de planvoorschriften neergelegde bepalingen een toetsingskader voor de bouwaanvraag vormen en dat hieruit volgt dat een achterbouw van vier bouwlagen in het bestemmingsplan past. In de aanhef van artikel 7, onder B, staat dat in de in dit artikel opgenomen beschrijving in hoofdlijnen wordt omschreven hoe de aan de gronden toegekende doeleinden zullen worden nagestreefd. Gelet op de in dit artikel gebezigde term "nagestreefd" die op een inspanningsverplichting en niet op een resultaatsverplichting duidt, is de beschrijving in hoofdlijnen onvoldoende duidelijk en concreet geformuleerd om als rechtstreeks aanvullend toetsingskader voor bouwvergunningen te kunnen gelden. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 28 juli 2010 in zaak nr. 200908614/1/H1. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat uit artikel 7, onder E, van de planvoorschriften, waarin naar de in artikel 7, onder B, opgenomen beschrijving in hoofdlijnen wordt verwezen, volgt dat de in laatstgenoemd artikel opgenomen stelregels slechts indirect een toetsingsfunctie hebben bij toepassing van, voor zover thans van belang, de ontheffingsbevoegdheid. Dit betekent dat een achterbouw met vier bouwlagen in strijd is met het bestemmingsplan en dat het college bij de beslissing omtrent de verlening van ontheffing krachtens artikel 7, onder E, rekening dient te houden met het gestelde in de beschrijving in hoofdlijnen in artikel 7, onder B, van de planvoorschriften. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

8.3. Anders dan [appellant B] en anderen betogen, bestaat evenwel geen grond voor het oordeel dat de in de beschrijving in hoofdlijnen opgenomen uitgangspunten in de weg staan aan verlening van ontheffing krachtens artikel 7, onder E, van de planvoorschriften. De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit artikel 5 van de planvoorschriften weliswaar volgt dat de oorspronkelijke kavelstructuur moet worden gehandhaafd, maar dat de in artikel 5 opgenomen algemene beschrijving in hoofdlijnen in artikel 7, onder B, van de planvoorschriften ten aanzien van de Gruttersdijk nader wordt ingevuld. Bovendien is in artikel 7, onder E, van de planvoorschriften nadrukkelijk bepaald dat rekening dient te worden gehouden met de beschrijving in hoofdlijnen in artikel 7, onder B, van de planvoorschriften. Het college heeft aan het besluit van 17 oktober 2011 ten grondslag gelegd dat het bouwplan voldoet aan de in artikel 7, onder B, tweede lid, opgenomen voorwaarden voor realisering van vier bouwlagen, nu het op een kavel van meer dan 8 meter breed is voorzien en niet over de volle breedte van het perceel wordt gerealiseerd. In hetgeen [appellant B] en anderen hebben aangevoerd, wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het het college niet zonder meer vrij stond om hiervan in het besluit op bezwaar van 5 november 2013 terug te komen, nu de rechtbank dit uitgangspunt in de voorafgaande procedure in stand heeft gelaten. Het college heeft ter zitting van de Afdeling te kennen gegeven dat het bij nader inzien het in het primaire besluit ingenomen standpunt juist acht en het bouwplan niet in strijd is met de uitgangspunten van het bestemmingsplan. Hierbij heeft het college in aanmerking genomen dat het bestemmingsplan ruime bebouwingsmogelijkheden biedt ter plaatse van de locatie van het bouwplan op het binnenterrein tussen de Gruttersdijk en de Bemuurde Weerd OZ en flexibiliteit het uitgangspunt vormt in de vastgestelde stedenbouwkundige randvoorwaarden voor de ontwikkeling van het gebied van bedrijvigheid naar wonen. Voorts heeft het college van belang geacht dat door de opzet van het bouwplan de oorspronkelijke verkavelingsopzet herkenbaar blijft en de individualiteit van het perceel benadrukt wordt, hetgeen belangrijke stedenbouwkundige uitgangspunten zijn. Nu in het plangebied Gruttersdijk reeds diverse bouwblokken aanwezig zijn die zich uitstrekken over meerdere percelen en daarmee afwijken van de oorspronkelijke smalle verkavelingsopzet en voorts ter plaatse zowel wat betreft bouwhoogte als bouwstijl gevarieerde bebouwing aanwezig is, sluit het bouwplan aan bij bestaande bebouwingsbeeld op het binnenterrein. Op grond van deze overwegingen acht het college realisering van dit bouwplan stedenbouwkundig aanvaardbaar. In hetgeen [appellant B] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen reden voor het oordeel dat het college zich niet op dit standpunt heeft kunnen stellen.

Gelet op vorenstaande heeft de rechtbank het besluit op bezwaar, zij het op andere gronden, terecht vernietigd.

Het betoog slaagt niet.

9. [appellant B] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte, zelf in de zaak voorziend, het besluit van 17 oktober 2011 in stand heeft gelaten. Hiertoe voeren zij aan dat de rechtbank heeft miskend dat niet aan de in artikel 7, onder E, eerste lid, van de planvoorschriften opgenomen voorwaarden is voldaan. [appellant B] en anderen wijzen er op dat hun woongenot door vermindering van zicht en privacy en een toename van geluidsoverlast ernstig zal worden aangetast door de omvang en hoogte van het voorziene achterhuis. In dit verband betwisten zij de door de rechtbank in aanmerking genomen afstanden van het achterhuis tot de omliggende woningen alsmede de overweging van de rechtbank dat de vierde bouwlaag minder aanwezig zal zijn door de teruggetrokken kap. Voorts voeren [appellant B] en anderen aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake is van onevenredige aantasting van het straatbeeld, aangezien evident is dat het achterhuis boven de bestaande bebouwing uit zal torenen.

9.1. Het bestemmingsplan maakt de bouw van een achterbouw met een bouwhoogte van 10 meter en drie bouwlagen mogelijk. Deze in het bestemmingsplan voorziene bebouwingsmogelijkheden op het perceel in aanmerking nemende, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat realisering van het bouwplan een onevenredige aantasting van de woonsituatie van de aangrenzende woningen met zich meebrengt. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat uit de aan het besluit van 17 oktober 2011 ten grondslag liggende bezonningsstudie van januari 2011 volgt dat het bouwplan ten opzichte van de bebouwingsmogelijkheden van het bestemmingsplan een beperkte toename van schaduw voor omliggende percelen mee zal brengen. Met betrekking tot de vermindering van het zicht vanuit aangrenzende woningen heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat de vierde bouwlaag een gebogen kap als dakconstructie heeft en daardoor aan de smalle zijden terugspringt ten opzichte van de derde bouwlaag en aan de lange zijde niet over de hele lengte de maximale hoogte heeft. De ruimtelijke impact van de vierde bouwlaag voor omwonenden is hierdoor zoveel mogelijk verkleind. Wat betreft de inbreuk op de privacy in enkele aangrenzende woningen heeft de rechtbank verder terecht in aanmerking genomen dat aan het wonen in een verstedelijkte omgeving een zekere mate van inbreuk op de privacy inherent is. Nu in de vierde bouwlaag slechts twee woningen zijn voorzien en de ramen hiervan niet direct grenzen aan de buurpercelen, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bouwplan zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van de privacy van omwonenden. De rechtbank heeft terecht evenmin reden gezien om aan te nemen dat de voorziene twee extra woningen in de vierde bouwlaag tot geluidsoverlast voor omwonenden zullen leiden. Dat, naar gesteld, de afstand tussen de voorziene achterbouw en enkele woningen minder is dan de 20 meter, waarvan de rechtbank is uitgegaan, maakt ten slotte niet dat het bouwplan een onevenredige aantasting van de woonsituatie oplevert, nu de situering van de achterbouw op het perceel in overeenstemming met het bestemmingsplan is.

9.2. Vast staat dat op het binnenterrein wat betreft bouwhoogte en bouwstijl gevarieerde bebouwing aanwezig is. Er zijn meerdere achterbouwen gerealiseerd die vier bouwlagen hebben dan wel hoger zijn dan 10 meter. Voorts zijn enkele achterbouwen gerealiseerd die niet binnen de kavelstructuur met lange smalle kavels passen en zijn er verschillende terreinen bijna geheel bebouwd. Weliswaar is niet uitgesloten dat realisering van het bouwplan van invloed is op het straat- en bebouwingsbeeld, maar gelet op de reeds bestaande bebouwing op het binnenterrein heeft de rechtbank in hetgeen [appellant B] en anderen hebben aangevoerd terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat door realisering van het bouwplan een onevenredige aantasting van het straat- en bebouwingsbeeld plaats vindt.

Gelet op vorenstaande en mede in aanmerking nemende het ter zitting van de Afdeling door het college gemotiveerde standpunt dat het besluit van 17 oktober 2011 in stand dient te blijven, bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank het besluit van 17 oktober 2011 ten onrechte in stand heeft gelaten.

Het betoog faalt.

Conclusie

10. Vorenstaande leidt tot de conclusie dat de aan de Ontwikkelingsmaatschappij Gruttersdijk verleende ontheffingen en bouwvergunning eerste fase in stand blijven.

11. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk, voor zover dat is ingediend door [appellant J], [appellant A], [appellant D] en [appellant F]. Het hoger beroep van [appellant B] en anderen is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep, voor zover dat is ingediend door [appellant A], [appellant D], [appellant F] en [appellant J] niet-ontvankelijk;

II. bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Deen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2016

604.