Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:485

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-02-2016
Datum publicatie
24-02-2016
Zaaknummer
201504737/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:5216, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 december 2013 heeft het college aan de gemeente Hillegom (hierna: vergunninghouder) omgevingsvergunning verleend voor het herinrichten van de Vosse- en Weerlanerpolder in het gebied tussen de Oude Weerlaan en de Oosteinderlaan te Hillegom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201504737/1/A1.

Datum uitspraak: 24 februari 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging Vereniging Behoud de Polders, gevestigd te Hillegom, (hierna: de Vereniging)

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 mei 2015 in zaak nr. 14/9551 in het geding tussen:

de Vereniging

en

het college van burgemeester en wethouders van Hillegom.

Procesverloop

Bij besluit van 3 december 2013 heeft het college aan de gemeente Hillegom (hierna: vergunninghouder) omgevingsvergunning verleend voor het herinrichten van de Vosse- en Weerlanerpolder in het gebied tussen de Oude Weerlaan en de Oosteinderlaan te Hillegom.

Bij besluit van 2 september 2014 heeft het college het door de Vereniging daartegen gemaakte bezwaar, onder aanvulling van de motivering, ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 mei 2015 heeft de rechtbank het door de Vereniging daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 2 september 2014 vernietigd, voor zover daarbij toestemming is verleend voor de activiteiten "het uitvoeren van werkzaamheden". De rechtbank heeft voorts bepaald dat aan het besluit van 2 september 2014 de voorwaarden worden verbonden dat:

- ontwikkeling van pitrus en riet wordt tegengegaan;

- struiken en bomen worden verwijderd;

- nieuwe watergangen, met plas-draszone natuurvriendelijk worden aangelegd;

- het beheer van de agrarische weidegronden (inclusief paardenweide) wordt afgestemd op het broedseizoen van de weidevogels, hetgeen betekent dat de weidegronden niet beweid, gemaaid, gerold, gesleept, gescheurd, gefreesd, (her)ingezaaid, doorgezaaid of bemest mogen worden;

- geen chemische bestrijdingsmiddelen worden gebruikt en geen kunstmest of drijfmest wordt verspreid op de weilanden;

- verspreid in tijd en ruimte wordt gemaaid;

- eventuele beweiding op een extensieve manier plaatsvindt.

De rechtbank heeft verder bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 2 september 2014. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Vereniging hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 januari 2016, waar de Vereniging, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en de deskundige T.H.C.P. Melman, en bijgestaan door mr. drs. J. Rutteman, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door ing. S. Hardeveld, V.J.M. Lommerse, J.M. Nicola, mr. N.L.J.M. van Hattem en ing. A.A.J. van Duijvenboden, allen werkzaam bij de gemeente, en bijgestaan door mr. M.F.A. Dankbaar, advocaat te Haarlem, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het college heeft aan vergunninghouder voor het gebied tussen de Oude Weerlaan en de Oosteinderlaan te Hillegom omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van bruggen, hekwerken, een projectbord en het graven van watergangen. Het college heeft bij dat besluit voorts omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht verleend voor het aanleggen van fiets-, beheer-, wandel- en struinpaden, een ruiterpad, diverse dammen, het ophogen van terrein en het graven van watergangen in het gebied (hierna: de gevraagde activiteiten).

Het college heeft bij het nemen van het in bezwaar gehandhaafde besluit van 3 december 2013, gevolg gevend aan artikel 4.3.3 van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Vosse- en Weerlanerpolder", onder meer advies ingewonnen bij Aveco de Bondt. Dat bureau heeft op 30 augustus 2013 advies uitgebracht alsmede twee aanvullende memo’s opgesteld op 20 februari en 9 juli 2014. Het college stelt zich op het standpunt dat het project niet blijvend onevenredig afbreuk doet aan de huidige natuurwaarden, mits de aan het besluit verbonden voorwaarden worden uitgevoerd. De aan het in bezwaar gehandhaafde besluit verbonden voorwaarden zijn:

- voor het uitvoeren van de werkzaamheden gelegen in de dubbelbestemming "Waterstaat-Waterkering" wordt verwezen naar de legger en beleid ten aanzien van waterkeringen op www.rijnland.net/regels;

- de werkzaamheden worden uitgevoerd conform de gedragscode van de Unie van Waterschappen (2012) gezien het voorkomen van rietorchis in het betrokken gebied;

- de struinpaden in het broedseizoen van weidevogels worden gesloten. Het broedseizoen van weidevogels loopt van 15 maart - 15 juni;

- honden dienen te allen tijden aangelijnd te zijn;

- er wordt geen verlichting toegepast langs de aan te leggen (fiets-, wandel-, beheer- en struin-)paden;

- er vindt kwaliteitsverbetering van bestaande weidegrond plaats. Het beheer van omliggende agrarische weidegronden (inclusief paardenweide) wordt afgestemd op het broedseizoen van de weidevogels en er wordt extensieve beweiding toegepast. Dit betekent in het kort dat in de rustperiode - vanaf 1 april tot 15 juni of op de eerstvolgende datum dat er geen kuikens meer aanwezig zijn - de weidegronden niet beweid, gemaaid, gerold, gesleept, gescheurd, gefreesd, (her)ingezaaid, doorgezaaid of bemest mogen worden;

- geen aanplant van hoge bomen en struiken waar roofvogels in kunnen broeden. Dit voorkomt predatie van (jonge) weidevogels en aantasting van de openheid;

- de aanleg van dammen mag er niet toe leiden dat waterlopen van elkaar gescheiden worden; er dient te allen tijden een open doorgang aanwezig te zijn onder de dam of brug. De diepte van het water in de duiker bedraagt minimaal 30 cm.

De Vereniging kan zich niet met het in bezwaar gehandhaafde besluit van 3 december 2013 verenigen, met name voor zover dat ziet op de aanleg van de fiets-, beheer-, wandel-, struin en ruiterpaden (hierna: de activiteiten).

2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Vosse- en Weerlanerpolder" rust op de in het geding zijnde gronden voornamelijk de bestemmingen "Natuur". Op de betreffende gronden rusten verder de bestemmingen "Verkeer-Parkeren", "Water" en "Waterstaat-Waterkering".

Ingevolge artikel 4.1 van de planregels zijn de voor natuur aangewezen gronden bestemd voor:

a het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van natuurwaarden;

b waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen;

c extensief recreatief medegebruik;

d extensieve beweiding door vee;

met de daarbij behorende:

e gebouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

f fiets, wandel- en ruiterpaden.

Ingevolge artikel 4.3.1 van de planregels is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 4.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

a. het ontgronden, vergraven, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen en mengen en ophogen van gronden;

b. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, banen, parkeervoorzieningen en andere oppervlakteverhardingen;

c. het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen.

Ingevolge artikel 4.3.2 mag alleen en moet een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.3.1 worden geweigerd indien door het uitvoeren van de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de natuurwaarden en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen.

Ingevolge artikel 4.3.3 wordt een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.3.1 niet verleend dan nadat burgemeester en wethouders daarover een advies hebben ingewonnen van (een) onafhankelijke deskundige(n) op het gebied van landschap en natuur.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 1.30 wordt onder natuurwaarden verstaan: de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang.

3. De Vereniging betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de aanvraag om omgevingsvergunning diende te weigeren en dat de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak heeft voorzien. Zij voert, onder verwijzing naar het advies van Alterra Wageningen-UR (hierna: Alterra) van januari 2014, aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college zich ten onrechte bij de besluitvorming heeft gebaseerd op het advies en de memo's van Aveco de Bondt van 30 augustus 2013 en van 20 februari en 9 juli 2014. Volgens de Vereniging kleven er ernstige gebreken aan het advies en de memo's, nu Aveco de Bondt bij het onderzoek naar de effecten van de gevraagde activiteiten op de natuurwaarden geen concrete maatstaf heeft gebruikt om te kunnen vaststellen of de weidevogelpopulatie in stand blijft. Volgens de Vereniging dient aan de hand van de effecten op de weidevogels afzonderlijk, en niet afgewogen tegen de omstandigheid dat andere natuurwaarden een gunstige ontwikkeling doormaken, worden beoordeeld of blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de natuurwaarden. Voorts is volgens de Vereniging onvoldoende waarde gehecht aan de omstandigheid dat in de toelichting bij het bestemmingsplan, alsmede in de "Beheervisie Vosse- en Weerlanerpolder" van 26 februari 2014 het behoud van de weidevogels van groot belang wordt geacht, aldus de Vereniging.

3.1. Aveco de Bondt gaat in haar advies van 30 augustus 2013 en de memo's van 20 februari en 9 juli 2014 uit van een verstoringszone van de in de omgevingsvergunning voorziene fiets-, beheer-, wandel- en struinpaden en het ruiterpad voor weidevogels van 50 m en geeft daarbij aan dat de verstoringsafstand afhankelijk is van de inrichting en het verkeer in het betreffende gebied. In het advies en de memo's van Aveco de Bondt staat dat een deel van de verstoringszone zal worden opgeheven doordat het beheer daadwerkelijk wordt afgestemd op de weidevogels, onder meer door de ontwikkeling in de polder van riet te minimaliseren en struiken en bomen te verwijderen. Door gewenning bij de dieren binnen het gebied aan de nieuwe situatie zullen de negatieve effecten door de uitgevoerde werkzaamheden, zoals afgravingen, ten behoeve van de fiets-, beheer-, wandel- en struinpaden en het ruiterpad worden verminderd, aldus Aveco de Bondt. Voorts worden de aan te tasten natuurwaarden grotendeels gecompenseerd door een kwaliteitsverbetering van de aanwezige weidegronden en worden door het toepassen van de in het advies genoemde voorwaarden met betrekking tot de aanleg van paden en het graven van watergangen voorkomen dat door het project onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de in de polder aanwezige natuurwaarden.

Alterra gaat er in het advies van januari 2014 vanuit dat aanleg van de in de omgevingsvergunning voorziene fiets-, beheer-, wandel- en struinpaden en het ruiterpad zorgt voor een grotere verstoring van de natuurwaarden dan uit het advies en de memo's van Aveco de Bondt volgt. Zij gaat in haar advies uit van een grotere verstoringsafstand dan 50 m bij de paden. In het advies is vermeld dat wordt verwacht dat de paden zullen zorgen voor een afname van 57 - 63% van de populatie van weidevogels. Een dergelijke afname moet als onevenredig worden gekwalificeerd, te meer daar het resterende deel van de populatie zo klein is dat de kans bestaat dat die ook zal verdwijnen omdat die te gering in omvang is om te kunnen overleven, aldus Alterra. In het advies is voorts vermeld dat Aveco onvoldoende heeft onderbouwd dat dieren gewenning kennen aan nieuwe situaties. Verder is vermeld dat de weidevogels niet zullen wennen aan de verstoring en zodoende blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de in de polder aanwezige natuurwaarden.

3.2. De Afdeling heeft bij uitspraak van 17 juli 2013 in zaak nr. 201301478/1/R4, waarin de vaststelling van het bestemmingsplan "Vosse- en Weerlanerpolder" aan de orde was, overwogen dat uit de plantoelichting volgt dat het plan een driedelige doelstelling heeft, bestaande uit het behoud van bestaande natuurwaarden en de ontwikkeling van nieuwe natuur, het vergroten van de waterbergingscapaciteit en het voorzien in extensief reactief medegebruik van het plangebied. Tevens is overwogen dat ter bescherming van de natuurwaarden in het bestemmingsplan een omgevingsvergunningplicht is opgenomen voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden in het plangebied. Ter zitting bij de Afdeling is destijds door de raad van Hillegom verklaard dat bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning de aan de planprocedure ten grondslag liggende flora- en faunarapportage als leidraad zal dienen, voor zover deze alsdan nog actueel is. De in de flora- en faunarapportage aanbevolen maatregelen vormen hierdoor mede het toetsingskader bij het verlenen van de omgevingsvergunning, aldus de Afdeling in de uitspraak van 17 juli 2013. In de aan de planprocedure ten grondslag liggende flora- en faunarapportage is opgenomen dat de verstoring van de weidevogels bij het nestelen en grootbrengen van jongen kan worden beperkt door het treffen van maatregelen waaronder het beperken van de verlichting van de paden, het beperkt openstellen van de paden in het broedseizoen en dat het beheer van de weidegronden is afgestemd op de weidevogels.

3.3. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college in beginsel mag uitgaan van een advies van een door hem ingestelde deskundige. Dit is slechts anders indien het advies van de deskundige naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanig gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel ten grondslag heeft mogen leggen.

De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college zich bij de besluitvorming ten onrechte heeft gebaseerd op het advies van 30 augustus 2013 en de memo's van 20 februari en 9 juli 2014 van Aveco de Bondt. Volgens het advies worden de huidige natuurwaarden gekenmerkt door een open landschap met waterminnende soorten. Deze waarden vormen volgens het advies het uitgangspunt voor de effectbeoordeling. In het advies en de memo’s is geen maatstaf of een minimumnorm opgenomen om te kunnen vaststellen of de weidevogelpopulatie in stand blijft, zoals de Vereniging dat voorstaat, maar in het licht van het bestemmingsplan is dat een juiste benadering. In het bestemmingsplan wordt onder natuurwaarden verstaan "de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang". Het bestemmingsplan definieert natuurwaarden derhalve ruimer dan alleen biologische waarden, waarvan de weidevogelstand deel uit maakt. Uit de toelichting op het

bestemmingsplan en voornoemde uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2013 volgt evenmin dat de blijvend onevenredige afbreuk aan natuurwaarden beoordeeld dient te worden aan de hand van de effecten op de weidevogelstand alleen. Zoals onder 3.2 overwogen heeft het bestemmingsplan een driedelige doelstelling bestaande uit het behoud van bestaande natuurwaarden en de ontwikkeling van nieuwe natuur, het vergroten van de waterbergingscapaciteit en het voorzien in extensief reactief medegebruik van het plangebied. In de plantoelichting is voorts gesteld dat de polder een belangrijke weidevogelfunctie heeft, maar geen aanduiding heeft als belangrijk weidevogelgebied omdat er groene ontwikkelingen zijn voorzien (recreatiegebied met natuurwaarden) waar naast weidevogels ook andere natuurwaarden een plek krijgen/houden. De Vereniging stelt terecht dat in de toelichting tevens is opgenomen dat een ecologische doelstelling het behoud en het versterken van de weidevogelfunctie in het gebied is, maar dat leidt niet tot de conclusie dat Aveco de Bondt in haar onderzoek naar de effecten van de gevraagde activiteiten op de natuurwaarden de door de Vereniging gewenste maatstaf diende te hanteren. Volgens de toelichting dient om deze ecologische doelstelling te behalen alsmede de andere ecologische doelstelling, het vormen van een leefgebied voor amfibieën, het beheer uitgevoerd te worden door middel van agrarisch natuurbeheer. In de toelichting zijn vervolgens de maatregelen van agrarisch natuurbeheer uitgewerkt. Het college heeft voorts ter zitting toegelicht dat de weidevogels in het gebied ten gevolge van de gevraagde activiteiten niet geheel verdwijnen. Het heeft daarbij verwezen naar een rapportage van A. van Duijvenboden van september 2015 met daarin een inventarisatie en alarmtellingen van de weidevogels in het gebied.

4. De Vereniging betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte, zelf in de zaak voorziend, heeft nagelaten aan het in bezwaar gehandhaafde besluit het voorschrift te verbinden dat gedurende het broedseizoen van de weidevogels het wandel- en beheerpad aan de zuidzijde en het westelijk fietspad dienen te worden afgesloten dan wel om deze maatregel te nemen indien uit monitoring blijkt dat deze noodzakelijk is om de weidevogelpopulatie in de polder in stand te houden. De rechtbank is er ten onrechte vanuit gegaan dat het college met het Zuid-Hollands Landschap (hierna: het ZHL) een beheerplan heeft afgesloten waarin is bepaald dat het ZHL de weidevogelstand jaarlijks monitort en zo nodig nadere maatregelen worden genomen, zoals het sluiten van de paden in het broedseizoen, aldus de Vereniging. Ten tijde van het besluit van 2 september 2014 was er volgens de Vereniging geen beheerplan overeengekomen. Bovendien heeft de rechtbank niet onderkend dat een afspraak in een beheerplan onvoldoende garanties biedt voor handhaving van die afspraak. Indien een voorschrift in de omgevingsvergunning is opgenomen bestaat voor een derdebelanghebbende de mogelijkheid tot het indienen van een verzoek om ter zake daarvan handhavend op te treden, aldus de Vereniging.

4.1. De rechtbank heeft overwogen dat het college terecht op basis van de adviezen van Aveco de Bondt heeft geconcludeerd dat de afbreuk aan de aanwezige natuurwaarden niet onevenredig zijn. Zij heeft daarbij onder meer betrokken dat er een beheerplan is met een daarin opgenomen afspraak dat de weidevogelpopulatie jaarlijks zal worden gemonitord en zo nodig nadere maatregelen zullen worden genomen, zoals het sluiten van de paden tijdens het broedseizoen. Voorts is volgens de rechtbank van belang dat het beheer en het monitoren zal geschieden door ZHL, een natuurbeschermingsorganisatie met jarenlange ervaring op het gebied van het beheer van dit soort terreinen.

4.2. De Vereniging betoogt terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat voor een derdebelanghebbende een in een beheerplan vast te leggen afspraak minder waarborgen voor naleving daarvan biedt dan een aan een omgevingsvergunning verbonden voorschrift waar in de desbetreffende verplichtingen zijn vastgelegd. Het college heeft ter zitting van de Afdeling desgevraagd verklaard geen bezwaar te hebben tegen het alsnog verbinden van een voorwaarde aan de omgevingsvergunning dat de weidevogels in het gebied jaarlijks zullen worden gemonitord en indien nodig verdergaande maatregelen zullen worden getroffen.

Om die reden zal de Afdeling zelf voorziend alsnog de onder 5 omschreven voorwaarde aan de omgevingsvergunning verbinden. Zij acht hierbij het advies van Aveco de Bondt in de memo van 9 juli 2014 van belang. Aveco de Bondt heeft daarin gesteld:

"Om de effecten van het gebruik van de fietspaden op de weidevogels te beperken is het een optie om (1) alle fietspaden, (2) het oostelijke of (3) het diagonale fietspad - net zoals het struinpad - af te sluiten in het broedseizoen van de weidevogels. Verstoring van weidevogels door de aanwezigheid van mensen heeft een groter effect dan de aanleg van de paden zelf. Advies is om de periode waarin de fietspaden/struinpaden afgesloten worden per jaar te bepalen door een ter zake kundige op het gebied van weidevogels. Deze bepaling kan het best aan het einde van de winter (februari) plaatsvinden, omdat dan bekend is of het een mild of een streng voorjaar wordt en of de vogels daardoor eerder naar Nederland komen om te broeden."

Voorts acht de Afdeling van belang dat in de Beheervisie is opgenomen dat broedvogels in de Vosse- en Weerlanerpolder jaarlijks zullen worden gemonitord. In die visie is voorzien in opvolgende evaluatieperioden van telkens zes jaar.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover de rechtbank heeft nagelaten zelf voorziend een voorwaarde aan de omgevingsvergunning te verbinden met betrekking tot de jaarlijkse monitoring van de weidevogels in het gebied en de in aansluiting daarop zo nodig te treffen maatregelen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak voorzien en de volgende voorwaarde aan het besluit van 2 september 2014 verbinden:

"Vergunninghouder draagt er zorg voor dat jaarlijks, in ieder geval tot 2020, door een deskundige op het gebied van weidevogels de in het gebied aanwezige weidevogels worden geteld en geregistreerd en dat daarvan verslag wordt gedaan in een rapport, een en ander conform het Broedvogel Monitoring Project W (BMP-W). Indien uit de monitoring blijkt dat de weidevogelstand ten gevolge van de gevraagde activiteiten afneemt, worden passende maatregelen getroffen. Daarbij wordt bezien of het noodzakelijk is het wandel- en beheerpad aan de zuidzijde van het gebied en het westelijk fietspad, geheel of gedeeltelijk, af te sluiten in het broedseizoen."

De Afdeling bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 2 september 2014.

6. Het voorgaande betekent dat voor de gevraagde activiteiten de volgende voorwaarden gelden. De voorwaarden die het college heeft verbonden aan de omgevingsvergunning van 3 december 2013, de voorwaarden die de rechtbank in haar uitspraak aan die vergunning heeft verbonden en de hiervoor onder 5 vermelde voorwaarde die in deze uitspraak aan die vergunning is toegevoegd.

7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. De door de Vereniging verzochte vergoeding van de ten behoeve van de zitting gemaakte verletkosten van deskundige Melman komen voor vergoeding tegen het forfaitaire tarief in aanmerking.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 mei 2015 in zaak nr. 14/9551, voor zover de rechtbank heeft nagelaten een voorwaarde aan de omgevingsvergunning te verbinden met betrekking tot de jaarlijkse monitoring van de weidevogels in het gebied en de in aansluiting daarop zo nodig te treffen maatregelen;

III. bepaalt dat de onder rechtsoverweging 5 genoemde voorwaarde aan het besluit van 2 september 2014 wordt verbonden;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het door de rechtbank vernietigde gedeelte van het besluit van 2 september 2014;

V. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Hillegom tot vergoeding van bij de vereniging Vereniging Behoud de Polders in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.340,27 (zegge: duizenddriehonderdveertig euro en zevenentwintig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Hillegom aan de vereniging Vereniging Behoud de Polders het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 497,00 (zegge: vierhonderdzevenennegentig euro) voor de behandeling van vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, griffier.

w.g. Van der Spoel w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2016

414-789.