Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:461

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-02-2016
Datum publicatie
24-02-2016
Zaaknummer
201503861/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2015:2141, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 oktober 2013 heeft de staatssecretaris [appellant] een schadevergoeding van € 20.000,00 toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503861/1/A2.

Datum uitspraak: 24 februari 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 1 april 2015 in zaak nr. 14/16125 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2013 heeft de staatssecretaris [appellant] een schadevergoeding van € 20.000,00 toegekend.

Bij besluit van 2 juni 2014 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 april 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 januari 2016, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. J.A. Pieters, advocaat te Utrecht, is verschenen.

Overwegingen

1. Hierna wordt onder de staatssecretaris tevens verstaan diens rechtsvoorgangers.

2. Bij besluit van 29 maart 2005 heeft de staatssecretaris een aanvraag van [appellant] om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen en tevens geweigerd om hem ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. Bij uitspraak van 18 april 2005 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 30 mei 2005 heeft de Afdeling het daartegen door [appellant] ingestelde hoger beroep kennelijk ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Bij besluit van 12 januari 2011 heeft de staatssecretaris een aanvraag van [appellant] om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen ingewilligd en hem de gevraagde vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), met ingang van 25 juni 2010, geldig tot 25 juni 2015, verleend.

3. Bij brief van 9 december 2011 heeft [appellant] de staatssecretaris verzocht om vergoeding van schade. Aan dat verzoek heeft hij ten grondslag gelegd dat hij op 1 mei 2007 naar de Democratische Republiek Congo (hierna: de DRC) is uitgezet, ondanks berichten over arbitraire detentie en mishandeling van uitgeprocedeerde asielzoekers in dat land, dat de escorts van de Koninklijke Marechaussee bij de overdracht op de luchthaven te Kinshasa delen uit zijn asieldossier aan de Congolese autoriteiten hebben overhandigd en dat hij vervolgens veertien maanden is vastgehouden in gevangenissen en veelvuldig is gemarteld, waaraan hij ernstige lichamelijke en psychische klachten heeft overgehouden.

4. Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten, voor zover betrekking hebbend op schadevergoeding, in werking getreden. Ingevolge artikel IV, eerste lid, van die wet blijft het recht, zoals dat gold vóór inwerkingtreding ervan, op dit geding van toepassing.

5. In het besluit van 8 oktober 2013 heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat, naar [appellant] heeft gesteld, de escorts van de Koninklijke Marechaussee bij de overdracht delen uit zijn asieldossier aan de Congolese autoriteiten hebben overhandigd. Verder blijkt uit het besluit van 29 maart 2005 en de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank van 18 april 2005 dat in de asielprocedure is betrokken dat uit een faxbericht van de ambassade van de DRC van 21 december 2004 valt af te leiden dat de Congolese autoriteiten kennis hadden van zijn hoedanigheid van asielzoeker. Hoewel niet is aangetoond dat die kennis de reden is van de detentie en mishandeling in de DRC, wordt dit echter, gezien de vragen die tijdens de detentie zijn gesteld, niet volledig uitgesloten. Daarom wordt een zekere mate van verantwoordelijkheid geaccepteerd. Wellicht is in de uitzettingsprocedure onvoldoende rekening gehouden met de kennis van de Congolese autoriteiten van zijn hoedanigheid van asielzoeker. Om de mate van verantwoordelijkheid te vertalen naar een schadevergoeding, is aansluiting gezocht bij het forfaitaire bedrag bij onrechtmatige bewaring in Nederland, zijnde € 80,00 per dag, dat tot de helft wordt gematigd. Omdat [appellant], volgens de informatie van zijn gemachtigde, gedurende 425 dagen in de DRC gevangen heeft gezeten, resulteert dat in een bedrag van € 17.500,00. Dit bedrag wordt, in verband met eventuele bijkomende kosten, afgerond op een schadevergoeding van € 20.000,00, aldus de staatssecretaris.

In het besluit van 2 juni 2014 heeft de staatssecretaris dit standpunt gehandhaafd. In dat besluit is benadrukt dat de geleden schade redelijkerwijs niet was te voorzien, dat de staatssecretaris geen aansprakelijkheid heeft aanvaard en dat is gezocht naar een passende oplossing, hoewel daarvoor geen directe juridische basis bestond.

6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de staatssecretaris onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. Daartoe voert hij aan dat de staatssecretaris, in het besluit van 8 oktober 2013, aansprakelijkheid uit onrechtmatige overheidsdaad heeft erkend, zodat slechts de hoogte van de schadevergoeding in geschil was.

6.1. Dat de staatssecretaris in het besluit van 8 oktober 2013 heeft erkend dat de schade, die een gevolg is van detentie en mishandelingen in de DRC, niet was ontstaan als de feitelijke uitzetting naar dat land achterwege was gebleven, laat onverlet dat uit dat besluit niet valt af te leiden dat hij heeft erkend dat de uitzetting onrechtmatig was. Verder heeft de staatssecretaris in dat besluit bestreden dat, naar [appellant] heeft gesteld, de escorts van de Koninklijke Marechaussee delen uit het asieldossier aan de Congolese autoriteiten hebben overhandigd. Uit dat besluit valt af te leiden dat de staatssecretaris uit morele overwegingen een tegemoetkoming aan [appellant] heeft toegekend, maar dat daarvoor, naar het oordeel van de staatssecretaris, geen juridische grondslag te vinden was. De rechtbank is [appellant] terecht niet gevolgd in het betoog dat de staatssecretaris in dat besluit aansprakelijkheid uit onrechtmatige overheidsdaad heeft erkend.

Het betoog faalt.

7. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen aanwijzingen zijn voor twijfel aan de rechtmatigheid van de feitelijke uitzetting naar de DRC en dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn asieldossier, of een deel daarvan, door de escorts van de Koninklijke Marechaussee aan de Congolese autoriteiten is overhandigd. Daartoe voert hij aan dat de staatssecretaris ten tijde van de uitzetting, mede gezien de aanhoudende berichten over arbitraire detentie en mishandeling van uitgeprocedeerde asielzoekers in de DRC, ten onrechte niet heeft onderzocht of hij bij terugkeer in dat land een reëel risico zou lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Voorts voert hij aan dat de staatssecretaris in het besluit van 8 oktober 2013 heeft erkend dat het mogelijk is dat informatie uit de asielprocedure in het bezit van de Congolese autoriteiten is gekomen. In dit verband voert hij tevens aan dat hij tijdens het nader gehoor van 25 juni 2010 heeft verklaard dat de escorts, bij aankomst op de luchthaven te Kinshasa, zijn dossier aan de Congolese autoriteiten hebben overhandigd en dat het besluit van 12 januari 2011, waarbij op grond van de gebeurtenissen in de DRC na de uitzetting een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend, impliceert dat de staatssecretaris zonder voorbehoud van de geloofwaardigheid van het asielrelaas uitgaat. Ten slotte voert hij aan dat het aan schadevergoeding toegekende bedrag van € 20.000,00 volledig uit de lucht is gegrepen en niet is onderbouwd.

7.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen (onder meer uitspraak van 26 maart 2013 in zaak nr. 201202818/1/V2), is de bevoegdheid tot uitzetting een rechtsgevolg van rechtswege van de afwijzing of buitenbehandelingstelling van een aanvraag tot verlening of verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning of de intrekking van zo een vergunning. Indien de vreemdelingenrechter zich heeft uitgelaten over het besluit tot afwijzing, buitenbehandelingstelling of intrekking en de daaruit voortvloeiende bevoegdheid tot feitelijke uitzetting, is de rechtmatigheid van die uitzetting gegeven. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 (Kamerstukken II 1998/99, 26 732, nr. 3, blz. 35 en 71) kan worden afgeleid dat de wetgever, gezien deze strekking van de meeromvattende beschikking, niet heeft beoogd zonder meer bezwaar tegen de feitelijke uitzetting mogelijk te maken. De mogelijkheid tot het maken van bezwaar krachtens artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 is beperkt tot een bezwaar over de wijze waarop de staatssecretaris van de bevoegdheid tot uitzetting gebruik maakt. Daarnaast is het maken van bezwaar krachtens die bepaling bij uitzondering mogelijk, indien de situatie ten tijde van de feitelijke uitzetting dusdanig verschilt van die ten tijde van het besluit tot afwijzing, buitenbehandelingstelling of intrekking, dat niet langer onverkort van de rechtmatigheid van de feitelijke uitzetting kan worden uitgegaan.

7.2. Voor zover [appellant] zich op het standpunt stelt dat ten tijde van de feitelijke uitzetting op 1 mei 2007, gezien de berichten over arbitraire detentie en mishandeling van uitgeprocedeerde asielzoekers in de DRC, niet langer onverkort van de rechtmatigheid van de uitzetting kon worden uitgegaan, had hij tegen de uitzetting bezwaar kunnen maken. [appellant] heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Derhalve dient van de rechtmatigheid van de uitzetting te worden uitgegaan, tenzij sprake is van een bijzondere omstandigheid, die ertoe leidt dat een uitzondering op dat uitgangspunt dient te worden gemaakt. Voor een zodanige uitzondering kan met name aanleiding bestaan in het geval de staatssecretaris de onrechtmatigheid van de uitzetting zou hebben erkend. Dat geval doet zich hier echter niet voor.

7.3. Dat de staatssecretaris in het besluit van 8 oktober 2013 heeft uiteengezet dat de Congolese autoriteiten wisten dat [appellant] als asielzoeker in Nederland had verbleven en dat niet valt uit te sluiten dat dit de reden van de detentie en mishandeling in de DRC was, betekent niet dat aannemelijk is dat, zoals [appellant] heeft gesteld, maar de staatssecretaris gemotiveerd heeft betwist, de Congolese autoriteiten door een handelen of nalaten van de escorts van de Koninklijke Marechaussee in het kader van de uitzetting naar de DRC, waarvoor de staatssecretaris verantwoordelijk is, op de hoogte zijn geraakt van delen van het asieldossier. Verder is de verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in het besluit van 12 januari 2011 niet gemotiveerd. Uit dit besluit valt niet af te leiden dat de staatssecretaris uitgaat van de geloofwaardigheid van alle elementen van het asielrelaas, zoals de verklaring van [appellant] tijdens het nader gehoor van 25 juni 2010 dat de escorts, bij aankomst op de luchthaven te Kinshasa, zijn dossier aan de Congolese autoriteiten hebben overhandigd.

7.4. In het besluit van 8 oktober 2013 is inzicht gegeven in de wijze van berekening van het bedrag van de - door de staatssecretaris uit coulance toegekende - schadevergoeding. Derhalve bestaat geen grond voor het oordeel dat, zoals [appellant] heeft gesteld, dit bedrag volledig uit de lucht is gegrepen en niet is onderbouwd.

7.5. Het betoog faalt.

8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Hazen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2016

452.