Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:453

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-02-2016
Datum publicatie
24-02-2016
Zaaknummer
201505290/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2015:2789, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 september 2014 heeft de raad een aanvraag van [appellant] om aan hem een toevoeging voor rechtsbijstand te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505290/1/A2.

Datum uitspraak: 24 februari 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 22 mei 2015 in zaak nr. 15/343 in het geding tussen:

[appellant]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 18 september 2014 heeft de raad een aanvraag van [appellant] om aan hem een toevoeging voor rechtsbijstand te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 16 december 2014 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 mei 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Met toestemming van partijen is afgezien van behandeling van de zaak ter zitting.

Overwegingen

1. Bij besluit van 15 augustus 2013 heeft het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee een aanvraag van [appellant] om een bijstandsuitkering afgewezen. Bij besluit van 22 april 2014 heeft het college een nieuwe aanvraag van [appellant] om een bijstandsuitkering afgewezen onder verwijzing naar het besluit van 15 augustus 2013. Volgens het college heeft [appellant] in zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vermeld.

[appellant] heeft tegen het besluit van 22 april 2014 een bezwaarschrift ingediend. Hangende dit bezwaar heeft hij de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam verzocht een voorlopige voorziening te treffen, opdat hij in afwachting van de afloop van de procedure een bijstandsuitkering ontvangt. [appellant] heeft de raad verzocht om een toevoeging voor die procedure. Dit verzoek is afgewezen.

2. Aan het besluit van 16 december 2014 heeft de raad een advies van de commissie voor bezwaar van 15 december 2014 ten grondslag gelegd. Volgens de commissie kan [appellant] zelf of met behulp van een ander dan een advocaat zijn belang behartigen. Uit de stukken blijkt niet dat sprake is van een juridische of feitelijke complexiteit die maakt dat een toevoeging dient te worden verstrekt.

3. De rechtbank heeft overwogen dat de raad zich op het standpunt mocht stellen dat voor het verzoek om een voorlopige voorziening in een geval als dit, in beginsel geen bijstand van een advocaat noodzakelijk is en het aan [appellant] is in het kader van zijn aanvraag om een toevoeging feiten en omstandigheden aan te dragen die aannemelijk maken dat bij wijze van uitzondering een toevoeging dient te worden verstrekt. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellant] met hetgeen door hem is aangevoerd, niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een zodanige feitelijke en/of juridische complexiteit, dat bijstand van een advocaat noodzakelijk is, aldus de rechtbank.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het om een juridisch en feitelijk gecompliceerd geschil gaat waarvoor de bijstand van een toegevoegde advocaat was vereist. Het geschil betrof niet zo zeer een feitelijke aangelegenheid, maar een juridische beoordeling, onder meer van de vraag of sprake was van een gemeenschappelijke huishouding. Zonder kennis van de juridische betekenis daarvan, was hij niet in staat de juiste feitelijke gegevens te verstrekken, terwijl hij geen gebruik kon maken van andere, voorliggende voorzieningen, aldus [appellant].

4.1. Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) wordt rechtsbijstand niet verleend indien het een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling van wie onderscheidenlijk waarvan de werkzaamheden niet vallen binnen de werkingssfeer van deze wet.

Ingevolge artikel 28 eerste lid, aanhef en onder c, kan de raad de toevoeging weigeren indien de aanvraag een rechtsprobleem betreft dat naar het oordeel van de raad eenvoudig afgehandeld kan worden.

4.2. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de raad zich op het standpunt mocht stellen dat voor het indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening hangende het bezwaar tegen het besluit van de gemeente Goeree-Overflakkee geen juridische bijstand noodzakelijk was. [appellant] moet in staat worden geacht zelf toe te lichten waarom zijns inziens wel sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Dat hij daarbij naar gesteld moet bewijzen waarom geen sprake is van een gemeenschappelijke huishouding, maakt niet dat de zaak zodanig feitelijk of juridisch complex is, dat aanspraak op gesubsidieerde rechtsbijstand bestond, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, griffier.

w.g. Bijloos w.g. Van Dokkum

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2016

480.