Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:450

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-02-2016
Datum publicatie
24-02-2016
Zaaknummer
201503031/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 16 februari 2014 heeft [appellant] verzocht om intrekking van een instemmingsbesluit betreffende het houden van een bijeenkomst over een boycot van Israëlische universiteiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503031/1/A3.

Datum uitspraak: 24 februari 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 februari 2015 in zaak nr. 14/4476 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van bestuur van de Universiteit van Amsterdam.

Procesverloop

Bij brief van 16 februari 2014 heeft [appellant] verzocht om intrekking van een instemmingsbesluit betreffende het houden van een bijeenkomst over een boycot van Israëlische universiteiten.

Bij brief van 19 februari 2014 heeft het college van bestuur [appellant] medegedeeld dat onduidelijk is op welke bijeenkomst [appellant] doelt en dat het in zijn algemeenheid geen instemmingsbesluiten neemt over debatten en bijeenkomsten die binnen of door de universiteit worden georganiseerd.

Bij besluit van 10 juni 2014 heeft het college van bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 27 februari 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college van bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 november 2015, waar [appellant] en het college van bestuur, vertegenwoordigd door mr. N. van den Brink, werkzaam bij de Universiteit van Amsterdam, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Anders dan [appellant] betoogt, bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte geen kennis heeft genomen van door hem in beroep overgelegde stukken. De door [appellant] bedoelde stukken zijn bij aangetekende brief van 18 februari 2015, ingekomen op 19 februari 2015, aan de rechtbank toegezonden. De zitting bij de rechtbank heeft plaatsgevonden op 24 februari 2015. De bedoelde stukken zijn derhalve ingediend binnen de tiendagentermijn, als bedoeld in artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Gelet hierop, gezien het aantal stukken en nu het college van bestuur niet de mogelijkheid heeft gehad hierop toereikend te reageren, heeft de rechtbank deze stukken wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing mogen laten. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat [appellant] geen verklaring heeft gegeven voor de te late indiening van deze stukken en niet valt in te zien waarom hij deze niet eerder had kunnen indienen.

2. [appellant] betoogt voorts dat het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting bij de rechtbank niet de juiste vaststelling van feiten bevat wat betreft het horen van een door hem meegebrachte getuige dan wel het aanmerken van die persoon als een rechtsbijstandsverlener. Ter staving heeft hij een e-mail van die persoon overgelegd.

2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 3 april 2013 in zaak nr. 201207238/1/A1), moet in beginsel worden uitgegaan van de juistheid van hetgeen de griffier heeft vastgelegd in het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van het verhandelde ter zitting. Alleen indien er duidelijke aanwijzingen zijn dat het proces-verbaal geen juiste weergave is van het ter zitting verhandelde, kan van dit beginsel worden afgeweken.

Hetgeen [appellant] aanvoert, biedt onvoldoende grond voor het oordeel dat in dit geval dergelijke duidelijke aanwijzingen aanwezig zijn.

Het betoog faalt.

3. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek om oproeping van het Centrum Informatie en Documentatie Israël (hierna: CIDI) niet met toepassing van artikel 8:46, eerste lid, van de Awb heeft ingewilligd, maar dit wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing heeft gelaten. Voorts heeft de rechtbank hierin ten onrechte geen aanleiding gezien om zijn verzoek om heropening van het onderzoek, dat ter zitting was gesloten, te honoreren. Hierdoor is artikel 8:42, eerste lid, van de Awb geschonden, aldus [appellant].

3.1. Artikel 8:46, eerste lid, van de Awb bevat de discretionaire bevoegdheid van de rechtbank getuigen op te roepen. [appellant] heeft de rechtbank eerst ter zitting verzocht het CIDI als getuige te horen. Geen grond bestaat voor het oordeel dat de rechtbank dit verzoek niet wegens strijd met de goede procesorde heeft mogen afwijzen.

Voorts kan de rechtbank ingevolge artikel 8:68, eerste lid, van de Awb het onderzoek heropenen indien zij van oordeel is dat het onderzoek niet volledig is geweest. Dit is eveneens een bevoegdheid die ter discretie van de rechtbank staat. In het verzoek om oproeping van het CIDI, noch anderszins heeft de rechtbank aanleiding hoeven zien voor het oordeel dat het onderzoek onvolledig als bedoeld in artikel 8:68, eerste lid, van de Awb is geweest. Derhalve bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank het verzoek van [appellant] om heropening van het onderzoek ten onrechte heeft afgewezen. Verder valt niet in te zien dat de rechtbank door die afwijzing artikel 8:42, eerste lid, van de Awb, waarin de verplichting voor het bestuursorgaan is vervat de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter te zenden en een verweerschrift in te dienen, heeft geschonden.

Het betoog faalt.

4. Anders dan [appellant] voorts betoogt, bestaat geen grond voor het oordeel dat de aangevallen uitspraak een deugdelijke motivering ontbeert. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college van bestuur zich in het besluit van 10 juni 2014 met recht op het standpunt heeft gesteld dat de brief van 19 februari 2014 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De rechtbank heeft eveneens terecht in aanmerking genomen dat die brief slechts een feitelijke mededeling behelst, welke mededeling niet is gericht op rechtsgevolg. Voor zover [appellant] ter zitting ter staving van zijn betoog dat de brief wel als besluit moet worden aangemerkt, heeft verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 4 februari 2015 in zaak nr. 201401144/1/A3Z, kan hem dit niet baten. Hiertoe is van belang dat het in die uitspraak ging om een mededeling van de korpschef dat hij niet mag voldoen aan een verzoek om met toepassing van de Wet politiegegevens gegevens te verstrekken. Daarbij ging het om de reikwijdte van de bevoegdheid van de korpschef. In die uitspraak deed zich derhalve een andere situatie voor dan thans in geding.

De rechtbank heeft aldus gemotiveerd overwogen dat en waarom het college van bestuur het bezwaar van [appellant] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Voor zover [appellant] ter staving van zijn betoog verwijst naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 2 oktober 2014, nr. 15319/09, Hansen tegen Noorwegen (www.echr.coe.int), kan hem dit reeds hierom niet baten.

5. Voor zover [appellant] beoogt te betogen dat zijn bij de rechtbank ingediende verzoek om wraking van de behandelend rechter ten onrechte is afgewezen, faalt dit. Hiertoe is redengevend dat dit wrakingsverzoek eerst nadat de rechter de aangevallen uitspraak heeft gedaan, is ingediend.

6. Voor zover [appellant] nog opkomt tegen de afhandeling van een door hem bij de rechtbank ingediende klacht, kan dit in deze hogerberoepsprocedure niet aan de orde komen.

7. Ten slotte merkt de Afdeling nog het volgende op.

De Afdeling heeft het verzoek van [appellant] om voeging van de behandeling van deze zaak met een zaak betreffende een Wob-verzoek aangaande het debat over de boycot van Israëlische universiteiten bij brief van 2 november 2015 afgewezen. Daartoe is redengevend geweest de aard van de zaken en dat de zaak die [appellant] met deze zaak gevoegd behandeld wilde hebben, ten tijde van de indiening van het verzoek niet bij de Afdeling, maar bij de rechtbank aanhangig was.

8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van Mossel, griffier.

w.g. Hoekstra w.g. Van Mossel

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2016

741.