Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:448

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-02-2016
Datum publicatie
24-02-2016
Zaaknummer
201505998/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 maart 2015 heeft het college zijn beslissing om op 19 februari 2015 wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag (hierna: de Afvalstoffenverordening) aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen spoedeisende bestuursdwang toe te passen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 126,00) voor rekening van [appellante] komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505998/1/A4.

Datum uitspraak: 24 februari 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Den Haag,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2015 heeft het college zijn beslissing om op 19 februari 2015 wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag (hierna: de Afvalstoffenverordening) aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen spoedeisende bestuursdwang toe te passen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 126,00) voor rekening van [appellante] komt.

Bij besluit van 28 april 2015 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 januari 2016, waar [appellante], bijgestaan door M. Fleur, en het college, vertegenwoordigd door H. Rosema, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 6:11 blijft ten aanzien van een na de afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2. Het bestreden besluit is verzonden op 30 april 2015, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift op 1 mei 2015 is aangevangen en op 12 juni 2015 is verstreken. [appellante] heeft bij brief van 21 juli 2015 beroep ingesteld. Het beroepschrift is derhalve buiten de voorgeschreven termijn van zes weken ingediend. Ter beoordeling staat of deze termijnoverschrijding verschoonbaar is.

3. [appellante] betoogt dat zij niet eerder beroep heeft kunnen instellen, omdat zij wegens beperkingen niet zelf een beroepschrift kan opstellen en de meeste instellingen haar daarbij niet hebben kunnen helpen.

3.1. Van [appellante] mag worden verwacht dat zij, indien zij op medische gronden niet in staat is zelf tijdig een beroepschrift op te stellen en in te dienen, daarvoor de hulp van anderen inroept. Het behoort tot haar verantwoordelijkheid om zorg te dragen dat wordt voldaan aan de wettelijke vereisten verbonden aan het instellen van beroep. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen, waarin aannemelijk wordt gemaakt dat er geen mogelijkheid was om daarvoor zorg te dragen, kan daarop in verband met het dwingende karakter van termijnen als de beroepstermijn een uitzondering worden aanvaard (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 mei 2009, nr. 200807026/1/H1).

[appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat er geen mogelijkheid was om zorg te dragen voor de tijdige indiening van het beroepschrift door een derde in te schakelen. De enkele stelling dat de meeste instellingen haar niet hebben kunnen helpen bij het opstellen van een beroepschrift, is niet voldoende voor het oordeel dat zich een zeer uitzonderlijk geval voordoet als hierboven bedoeld. De opmerking van haar gemachtigde ter zitting dat [appellante] haar instelling misschien wel tijdig voor hulp bij het schrijven van een beroepschrift heeft benaderd, maar dat het beroepschrift vervolgens te lang bij de instelling is blijven liggen, leidt evenmin tot dat oordeel. Met die opmerking is slechts een mogelijkheid geopperd en zijn geen feiten of omstandigheden gesteld.

4. Het beroep is niet-ontvankelijk.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. W. Sorgdrager, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, griffier.

w.g. Sorgdrager w.g. Visser

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2016

148.