Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:441

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-02-2016
Datum publicatie
24-02-2016
Zaaknummer
201408613/2/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 januari 2013 heeft de besliscommissie aan [appellant] een schadevergoeding toegekend van € 22.050,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 augustus 2007.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201408613/2/A2.

Datum uitspraak: 24 februari 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 11 september 2014 in zaak nr. 14/144 in het geding tussen:

[appellant]

en

de besliscommissie van het Schadeschap luchthaven Schiphol.

Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2013 heeft de besliscommissie aan [appellant] een schadevergoeding toegekend van € 22.050,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 augustus 2007.

Bij besluit van 18 september 2013 heeft de besliscommissie het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 september 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De besliscommissie heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 mei 2015, waar [appellant] en de besliscommissie, vertegenwoordigd door haar [voorzitter], vergezeld door mr. O.M. te Rijdt, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 24 juni 2015 heeft de Afdeling de besliscommissie opgedragen binnen 24 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van de overwegingen het besluit van 18 september 2013 nader te motiveren dan wel een nieuw besluit te nemen en de uitkomst daarvan aan de Afdeling toe te zenden.

Bij besluit van 8 december 2015 heeft de besliscommissie het bezwaar tegen het besluit van 29 januari 2013 gegrond verklaard, dat besluit herroepen en aan [appellant] een aanvullende schadevergoeding toegekend van € 5.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 augustus 2007.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [appellant] daarover een zienswijze gegeven.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft de Afdeling bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft en dat het onderzoek wordt gesloten.

Overwegingen

1. In de tussenuitspraak van 24 juni 2015 heeft de Afdeling de besliscommissie opgedragen te onderzoeken of en zo ja, in hoeverre de door [appellant] gestelde waardedaling van het perceel aan de [locatie] te Aalsmeer als gevolg van de inwerkingtreding van het Luchthavenverkeersbesluit Schiphol (hierna: Lvb 2003) voor vergoeding in aanmerking komt. Daarbij dient betrokken te worden of de bouwvergunning van 8 april 1997 aanleiding geeft het perceel op de peildatum 20 februari 2003 opnieuw te taxeren. Indien blijkt dat sprake is van voor vergoeding in aanmerking komende schade, dient dit bedrag in een nieuw besluit te worden toegekend.

2. Uit de tussenuitspraak volgt dat het hoger beroep gegrond is en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het besluit van 18 september 2013 dient te worden vernietigd, omdat dit in strijd met artikel 7:12, eerst lid, van de Awb niet toereikend is gemotiveerd.

3. De besliscommissie heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak een nader advies gevraagd aan de adviescommissie Mulder. Het advies van 10 november 2015 is ten grondslag gelegd aan het besluit van 8 december 2015. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 6:19 van deze wet, geacht eveneens voorwerp te zijn van dit geding. De Afdeling begrijpt het besluit van 8 december 2015 aldus dat de besliscommissie met de herroeping van het besluit van 29 januari 2013 en de toekenning van een aanvullende schadevergoeding heeft beoogd een schadevergoeding toe te kennen van € 22.050,00 + € 5.500,00 = 27.550,00.

4. Volgens het advies kon de op 8 april 1997 aan [appellant] verleende bouwvergunning nog steeds gebruikt worden op de peildatum en dient deze dus alsnog meegenomen te worden in de vaststelling van de omvang van de waardedaling van het perceel met daarop een woning als gevolg van de inwerkingtreding van het Lvb 2003.

De oppervlakte van de grond, waarop de bouw van een extra woning mogelijk is, bedraagt ongeveer 1855 m2. De adviescommissie heeft bij brief van 26 november 2015 op verzoek van de besliscommissie toegelicht dat deze grond in het advies van 8 oktober 2012 op de peildatum is gewaardeerd op € 90.000,00. De waarde van de woning met overige grond is getaxeerd op € 520.000,00. De gezamenlijke waarde op de peildatum bedroeg aldus € 610.000,00 (€ 520.000,00 + € 90.000,00). De waarde direct na de peildatum is getaxeerd op € 591.500,00. Voor de waardevermindering van het perceel met woning als gevolg van de inwerkingtreding van het Lvb 2003 heeft de besliscommissie € 18.500,00 (€ 610.000,00 - € 591.500,00) toegekend.

De grond waarop de bouw van een extra woning mogelijk is, is met inachtneming van de in 1997 afgegeven bouwvergunning op de peildatum gewaardeerd op € 275.000,00. De waarde van de gehele onroerende zaak op de peildatum, inclusief de bouwkavel, is getaxeerd op € 795.000,00. Vlak na de peildatum in de nieuwe situatie met het Lvb 2003 is de waarde getaxeerd op € 771.000,00. De waardevermindering bedraagt aldus € 24.000,00 (€ 795.000,00 - € 771.000,00). Omdat aan [appellant] eerder een schadevergoeding van € 18.500,00 is toegekend, komt hij in aanmerking voor een aanvullende vergoeding van € 5.500,00 (€ 24.000,00 - € 18.500,00).

4.1. De adviescommissie heeft niet toegelicht waarop haar taxatie van de verkoopwaarde van de gehele onroerende zaak na de peildatum van € 771.000,00 is gebaseerd. De Afdeling heeft geconstateerd dat de taxatie neerkomt op een waardedaling van 3%. Een dergelijke waardedaling ligt - impliciet - ook ten grondslag aan het advies van 8 oktober 2012 waarop het besluit van 29 januari 2013 is gebaseerd, onder verwijzing naar het van dat advies deel uitmakende algemeen advies van 12 februari 2009 van de Bijzondere Adviescommissie.

5. [appellant] betoogt, onder verwijzing naar een taxatierapport van Eveleens makelaar o.z. van 25 januari 2016, dat de waardedaling € 156.818,00 bedraagt in plaats van het door de besliscommissie vastgestelde bedrag van € 24.000,00. In het taxatierapport van 25 januari 2016 is de totale waarde van het perceel na inwerkingtreding van het Lvb 2003 getaxeerd op € 1.150.000,00. De waarde van de bouwkavel van 1855 m2 maakt daarvan onderdeel uit en is getaxeerd op € 310.000,00.

5.1. Uit de tussenuitspraak volgt dat de besliscommissie diende te onderzoeken in hoeverre de waardedaling van het perceel te laag is vastgesteld in het geval ten onrechte geen rekening is gehouden met de mogelijkheid van de bouw van een tweede woning op het perceel. De besliscommissie heeft uitvoering gegeven aan deze opdracht en zich op het standpunt gesteld dat de onbebouwde grond door de bouwvergunning waarde als bouwkavel voor een burgerwoning heeft verkregen. De besliscommissie heeft aangegeven dat de desbetreffende 1855 m2 grond in het advies van 8 oktober 2012 is gewaardeerd op € 90.000,00. Daarbij is uitgegaan van € 50,00 per m2. Nadat rekening is gehouden met de verlening van de bouwvergunning, heeft de besliscommissie dezelfde grond in het advies van 10 november 2015 getaxeerd op € 275.000,00. Daarbij is uitgegaan van de waarde van bouwrijpe grond van € 350.000,00 onder aftrek van de kosten van het bouwrijp maken, groot € 50.000,00. Voorts is een aftrek voor de waardevermindering van de reeds bestaande woning van € 25.000,00 toegepast, omdat de bestaande woning door de bouw van een tweede woning enigszins minder vrij komt te liggen.

Uit het door [appellant] overgelegde taxatierapport valt niet af te leiden dat de waarde van de bouwkavel op de peildatum onjuist is vastgesteld. Dat volgens het rapport de waarde van de bouwkavel na inwerkingtreding van het Lvb 2003 € 310.000,00 bedraagt, is daartoe onvoldoende. Daarbij wordt uitgegaan van een hogere waarde van de bouwkavel dan de waardering van de bouwkavel voor de schadeveroorzakende gebeurtenis door de besliscommissie. Uit de taxatie van Eveleens makelaar niet valt af te leiden dat deze deskundige de voor [appellant] nadelige gevolgen van de inwerkingtreding van het Lvb 2003 op de bouwkavel zwaarder heeft ingeschat dan de adviescommissie Mulder. Voor zover [appellant] met het taxatierapport beoogt aan te tonen dat de besliscommissie haar besluitvorming ook voor andere aspecten dan de waardering van de bouwkavel niet kon baseren op het advies van de adviescommissie Mulder, treft dit geen doel. De Afdeling heeft de besliscommissie in de tussenuitspraak naar aanleiding van de door [appellant] eerst in hoger beroep overgelegde bouwvergunning alleen opgedragen te onderzoeken of bij de taxatie van het perceel met woning ten onrechte geen rekening is gehouden met de mogelijkheid van de bouw van een extra woning. Anders dan [appellant] stelt is in de tussenuitspraak geen opdracht gegeven het gehele perceel opnieuw te taxeren, maar alleen de invloed van de bouwvergunning op de waardedaling van het gehele perceel.

5.2. Het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 8 december 2015 is ongegrond.

6. Er is geen aanleiding tot vergoeding van proceskosten.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 11 september 2014 in zaak nr. 14/144;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de besliscommissie van het Schadeschap luchthaven Schiphol van 18 september 2013, kenmerk 1432AM-78/2013-19163;

V. verklaart het beroep tegen het besluit van de besliscommissie van het Schadeschap luchthaven Schiphol van 8 december 2015 ongegrond;

VI. gelast dat de besliscommissie van het Schadeschap luchthaven Schiphol aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 406,00 (zegge: vierhonderdzes euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, griffier.

w.g. Hagen w.g. Planken

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2016

299.