Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:420

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-02-2016
Datum publicatie
17-02-2016
Zaaknummer
201600194/1/A3 en 201600194/2/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:10769, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 22 september 2015 heeft de voorzitter van de Huurcommissie het verzoek van Vesteda Property Management (hierna: Vesteda), om de huurverhoging van het door [appellant A] en [appellant B] bewoonde pand aan [locatie] te [woonplaats] (hierna: het pand) te beoordelen, niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201600194/1/A3 en 201600194/2/A3.

Datum uitspraak: 10 februari 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg (hierna: de rechtbank) van 18 december 2015 in zaak nrs. 15/3122 en 15/3391 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B]

en

de Huurcommissie.

Procesverloop

Bij uitspraak van 22 september 2015 heeft de voorzitter van de Huurcommissie het verzoek van Vesteda Property Management (hierna: Vesteda), om de huurverhoging van het door [appellant A] en [appellant B] bewoonde pand aan [locatie] te [woonplaats] (hierna: het pand) te beoordelen, niet-ontvankelijk verklaard.

Bij brief van 22 oktober 2015 hebben [appellant A] en [appellant B] bezwaar gemaakt bij de Huurcommissie tegen het uitblijven van een besluit op hun verzoek van 14 augustus 2015 om het verzoek van Vesteda om de huurverhoging te beoordelen niet-ontvankelijk te verklaren.

Tevens hebben zij de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 10 november 2015 heeft de Huurcommissie een verweerschrift ingediend bij de rechtbank.

Bij brief van 19 november 2015 hebben [appellant A] en [appellant B] daartegen beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 18 december 2015 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening kennis te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.

Tevens hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Huurcommissie heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant A] en [appellant B] en de Huurcommissie hebben nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 21 januari 2016, waar [appellant A], in persoon, is verschenen. Voorts is ter zitting Vesteda, vertegenwoordigd door M.L. Hooiman, werkzaam bij Vesteda, gehoord.

Overwegingen

1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. [appellant A] en [appellant B] zijn huurders van het pand. Zij huren het pand van Vesteda. Bij brief van 23 april 2015 heeft Vesteda Investment Management B.V. aan hen medegedeeld dat de huurprijs van het pand met ingang van 1 juli 2015 met 5% wordt verhoogd. Nadat [appellant A] en [appellant B] schriftelijk hebben verklaard hiermee niet in te stemmen, heeft Vesteda de Huurcommissie bij brief van 23 juli 2015 verzocht te beoordelen of de voorgestelde huurverhoging redelijk is. Bij brief van 14 augustus 2015 hebben [appellant A] en [appellant B] hierop gereageerd. Volgens hen dient het verzoek niet-ontvankelijk te worden verklaard omdat het niet van de verhuurder afkomstig is. Voorts hebben [appellant A] en [appellant B] aangevoerd dat de huurverhoging betrekking heeft op 2014 en derhalve niet tijdig is.

3. Het wettelijk kader is vermeld in de aangehechte bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

4. Bij uitspraak van 22 september 2015 heeft de voorzitter van de Huurcommissie het verzoek van Vesteda niet-ontvankelijk verklaard, omdat de gevraagde kopie van het gedane voorstel tot huurwijziging niet is overgelegd. Vesteda heeft hiertegen verzet aangetekend.

[appellant A] en [appellant B] konden zich niet vinden in de motivering van de niet-ontvankelijkverklaring en hebben bezwaar gemaakt. Volgens hen is ten onrechte geen besluit genomen door de Huurcommissie op hun verzoek om het verzoek van Vesteda niet-ontvankelijk te verklaren. De brief van 14 augustus 2015 dient te worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb, aldus [appellant A] en [appellant B]. Tevens hebben zij de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat de uitspraak van de voorzitter van de Huurcommissie en het verzet dat daartegen is gedaan, worden geschorst totdat de voorzitter van de Huurcommissie de uitspraak van 22 september 2015 heeft ingetrokken en een besluit heeft genomen waartegen beroep openstaat bij de bestuursrechter. Volgens [appellant A] en [appellant B] kunnen zij de ontvankelijkheidskwestie niet meer bij de Huurcommissie aan de orde stellen als het verzet van Vesteda gegrond wordt verklaard. Omdat de Huurcommissie geen partij is bij een vordering op grond van artikel 262 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kantonrechter volgens hen evenmin oordelen over de ontvankelijkheid van het verzoek bij de Huurcommissie en is daarom in deze situatie de bestuursrechter bevoegd.

Bij brief van 10 november 2015 heeft de Huurcommissie een verweerschrift ingediend bij de rechtbank in het kader van het door [appellant A] en [appellant B] ingediende verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. Daarin hebben zij het standpunt ingenomen dat een uitspraak van de voorzitter van de Huurcommissie geen besluit is in de zin van de Awb en zodoende niet door de bestuursrechter kan worden geschorst. Na een uitspraak van de voorzitter van de Huurcommissie kunnen beide partijen een beslissing van de kantonrechter vorderen.

[appellant A] en [appellant B] hebben hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Het verweerschrift dient volgens hen te worden aangemerkt als een besluit op bezwaar waartegen beroep openstaat bij de bestuursrechter dan wel een weigering om dat besluit aan hen kenbaar te maken.

Bij uitspraak van 9 december 2015 is het verzet van Vesteda door de Huurcommissie gegrond verklaard.

5. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard. Volgens hen is de bestuursrechter bevoegd van de inhoud van de zaak kennis te nemen. Daartoe hebben zij aangevoerd dat, aangezien de Huurcommissie een bestuursorgaan is, een uitspraak als bedoeld in artikel 253 van Boek 7 van het BW een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Hun verzoek van 14 augustus 2015 om het verzoek van Vesteda niet-ontvankelijk te verklaren dient daarom te worden gekwalificeerd als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend. Voorts hebben [appellant A] en [appellant B] aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de ontvankelijkheidskwestie bij de kantonrechter aan de orde kan komen. Volgens hen staat in een procedure bij de kantonrechter alleen de materiële beslissing over de huurverhoging ter discussie. Zij hebben, indien de bestuursrechter niet bevoegd is, geen toegang tot de rechter voor een volledige toetsing of is voldaan aan de vereisten van artikel 253, eerste lid, van Boek 7 van het BW. Bovendien frustreert de Huurcommissie de toegang tot de kantonrechter, omdat niet duidelijk is welke rechtspersoon als verhuurder is aangemerkt en dus wie gedagvaard moet worden, aldus [appellant A] en [appellant B].

5.1. Het betoog faalt. Met de rechtbank is de voorzieningenrechter van oordeel dat de brief van 14 augustus 2015 moet worden gezien als een standpuntbepaling van [appellant A] en [appellant B] in de door Vesteda bij de Huurcommissie gestarte procedure en dat het daarin vervatte verzoek niet kan worden gekwalificeerd als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Dat de Huurcommissie als bestuursorgaan besluiten in de zin van de Awb kan nemen, zoals het bepalen dat een bedrag aan leges is verschuldigd (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2008 in zaak nr. 200705993/1), betekent niet dat een uitspraak van de Huurcommissie als hier aan de orde een besluit is in de zin van die wet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat op de bij de Huurcommissie door Vesteda gestarte procedure de rechtsgang en de daarmee gepaard gaande rechtsmiddelen van toepassing zijn, die worden beschreven in onder meer artikel 253, eerste lid, van Boek 7 van het BW, artikel 262 van Boek 7 van het BW en artikel 20, zesde en zevende lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte. Een uitspraak van de Huurcommissie als bedoeld in artikel 262, eerste lid, van Boek 7 van het BW, is geen publiekrechtelijke rechtshandeling.

Voor het oordeel dat [appellant A] en [appellant B], indien de bestuursrechter niet bevoegd is, geen toegang tot de rechter hebben voor een volledige toetsing of is voldaan aan de vereisten van artikel 253, eerste lid, van Boek 7 van het BW, ziet de voorzieningenrechter geen grond. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de door [appellant A] en [appellant B] aangevoerde gronden met betrekking tot de tijdigheid en de daadwerkelijke verhuurder in het verloop van de procedure bij de Huurcommissie dan wel bij de kantonrechter, aan de orde kunnen komen. Naar aanleiding van het gegrond verklaarde verzet zal de Huurcommissie het verzoek van Vesteda alsnog inhoudelijk behandelen. Voorts is niet gebleken dat de kantonrechter zich in een procedure op grond van artikel 262, eerste lid, van Boek 7 van het BW niet kan uitlaten over de vraag of de juiste verhuurder tijdig de procedure op grond van artikel 253 van Boek 7 van het BW is gestart. Het betreft een verplicht voortraject voor de procedure, waarbij moet zijn voldaan aan dwingende wettelijke bepalingen en de daarin genoemde termijnen.

De stelling van [appellant A] en [appellant B] dat zij niet weten welke rechtspersoon zij moeten dagvaarden heeft, wat daar ook van zij, geen betrekking op de vraag of de bestuursrechter in deze bevoegd is.

6. De rechtbank heeft zich terecht onbevoegd verklaard van het beroep van [appellant A] en [appellant B] kennis te nemen.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. B. Nell, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Nell

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2016.

597.

BIJLAGE WETTELIJK KADER

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 1:3

1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

(…)

3. Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.

(…).

Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek

Artikel 253

1. Indien de huurder voor het tijdstip waarop de verhoging van de huurprijs blijkens het voorstel had moeten ingaan, schriftelijk verklaart met het voorstel van de verhuurder niet in te stemmen, kan de verhuurder tot zes weken na dat tijdstip onder overlegging van een afschrift van dat voorstel en van voornoemde verklaring van de huurder de huurcommissie verzoeken uitspraak te doen over de redelijkheid van het voorstel. (…).

(…).

Artikel 262

1. Wanneer de huurcommissie op een verzoek van de huurder of verhuurder als bedoeld in de paragrafen 1 en 2 uitspraak heeft gedaan, worden zij geacht te zijn overeengekomen wat in die uitspraak is vastgesteld, tenzij een van hen binnen acht weken nadat aan hen afschrift van die uitspraak is verzonden, een beslissing van de rechter heeft gevorderd over het punt waarover de huurcommissie om een uitspraak was verzocht.

2. Tegen een beslissing krachtens dit artikel is geen hogere voorziening toegelaten.

Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte

Artikel 4

(…)

2. De huurcommissie doet uitspraak:

(…)

b. ingevolge artikel 7:253 van het Burgerlijk Wetboek over de redelijkheid van het voorstel tot verhoging van de huurprijs;

(…)

4. De huurcommissie doet uitspraak indien ingevolge artikel 20, zesde lid, verzet is gedaan tegen een uitspraak van de voorzitter.

Artikel 9

1. Een verzoek aan de huurcommissie wordt schriftelijk ingediend.

2. De huurcommissie toetst bij aan haar gedane verzoeken of voldaan is aan de voor die verzoeken bij of krachtens titel 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, bij de Wet op het overleg huurders verhuurder en bij of krachtens deze wet gestelde voorschriften.

(…).

Artikel 20

1. De voorzitter doet onverwijld, in ieder geval binnen vier weken na het verstrijken van de in artikel 7, vierde lid, genoemde termijn, dan wel, indien de in dat artikellid bedoelde oproep niet behoeft te worden gedaan, na het tijdstip waarop de aldaar bedoelde vergoeding van de verzoeker is ontvangen, of binnen vier weken na het voorbereidend onderzoek, bedoeld in artikel 28, schriftelijk en met redenen omkleed uitspraak, indien:

a. het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is,

b. het verzoek kennelijk redelijk of niet redelijk is,

c. het voorstel dat ten grondslag ligt aan het verzoek, kennelijk redelijk of niet redelijk is,

d. de bezwaren tegen het aan het verzoek ten grondslag liggende voorstel kennelijk ongegrond zijn.

(…)

6. Tegen de uitspraak, bedoeld in het eerste lid, kan de huurder, verhuurder , huurdersorganisatie of bewonerscommissie binnen drie weken na verzending van het afschrift van die uitspraak schriftelijk en gemotiveerd in verzet gaan bij de huurcommissie. De voorzitter wijst in zijn uitspraak partijen op deze mogelijkheid, alsook op de vorm en de termijn die daarbij in acht genomen moeten worden.

7. Is de huurcommissie van oordeel dat het verzet, bedoeld in het zesde lid, gegrond is, dan vervalt de uitspraak, bedoeld in het eerste lid, en wordt het aan de in het eerste lid bedoelde uitspraak ten grondslag liggende verzoek overeenkomstig hoofdstuk III door de huurcommissie in behandeling genomen.

8. Indien geen van de in het zesde lid genoemde partijen binnen de in dat lid genoemde termijn in verzet is gegaan, is hetgeen in artikel 7:262 van het Burgerlijk Wetboek dan wel artikel 8a van de wet op het overleg huurders verhuurder is bepaald met betrekking tot een uitspraak van de huurcommissie, van overeenkomstige toepassing op de uitspraak van de voorzitter.