Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:413

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-02-2016
Datum publicatie
17-02-2016
Zaaknummer
201502846/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:1220, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 17 januari 2014 heeft het college aan [belanghebbende] omgevingsvergunningen verleend voor het plaatsen van een geluidscherm en voor het plaatsen van een erfafscheiding op het perceel [locatie 1] te Dordrecht (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/167
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201502846/1/A1.

Datum uitspraak: 17 februari 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B], wonend te Dordrecht, appellanten (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 februari 2015 in zaken nrs. 14/5066 en 14/5067 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht.

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 17 januari 2014 heeft het college aan [belanghebbende] omgevingsvergunningen verleend voor het plaatsen van een geluidscherm en voor het plaatsen van een erfafscheiding op het perceel [locatie 1] te Dordrecht (hierna: het perceel).

Bij afzonderlijke besluiten van 17 juni 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 februari 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep, voor zover dat betrekking heeft op het geluidscherm niet-ontvankelijk en voor zover dat betrekking heeft op de erfafscheiding ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [belanghebbende] een schriftelijke reactie ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 november 2015, waar [appellant A] en [appellante B], bijgestaan door mr. E.A.W. Driest, advocaat te Leiden, en het college, vertegenwoordigd door mr. Y. Spiele, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], bijgestaan door mr. J.J. Slump, advocaat te Rotterdam, als partij gehoord.

Overwegingen

1. Het hoger beroep heeft uitsluitend betrekking op de in bezwaar gehandhaafde omgevingsvergunning voor het plaatsen van een erfafscheiding, dat wil zeggen een nabij de grens met het perceel [locatie 2] gerealiseerde schanskorfwand en een groene panelen wand, ook wel klimplantscherm genoemd (hierna: het bouwplan).

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de besluiten van 17 januari 2014 en 17 juni 2014 onzorgvuldig zijn aangezien daarin de termen "erfafscheiding", "klimplantscherm" en "geluidscherm" door elkaar zijn gebruikt.

2.1. Blijkens de stukken is de omgevingsvergunning verleend voor een nabij de grens met het perceel [locatie 2] gerealiseerde schanskorfwand en een groene panelen wand, ook wel klimplantscherm genoemd. Niet gebleken is dat bij partijen onduidelijkheid bestaat over de vraag wat het bouwplan behelst.

3. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Stadspolder, Vissershoek en Oudelandshoek". Hij voert daartoe aan dat de groene panelen wand en de schanskorfwand niet als bouwwerken moeten worden gezien maar als erfafscheidingen. Volgens [appellant] geldt voor zo’n erfafscheiding een aparte regeling die is neergelegd in artikel 2, twaalfde lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht waarvan het bestemmingsplan niet heeft beoogd af te wijken. Er is daarom sprake van een kennelijke verschrijving in de planregels. Volgens [appellant] moet aangesloten worden bij de planvoorschriften die gelden voor erfafscheidingen die zijn gesitueerd achter de voorgevelrooilijn ter plaatse van de aanduiding "Tuin". Hiervoor geldt een maximale hoogte van 2 m, aldus [appellant].

3.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan rusten op het perceel de bestemming "Woondoeleinden (W) W(v)" met de aanduiding "erf" en de bestemming "Groenvoorzieningen".

Ingevolge artikel 1, vierde lid, van de planvoorschriften wordt daarin onder bouwwerk verstaan elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften zijn de als "Woondoeleinden (W) W(v)" aangewezen gronden bestemd voor woondoeleinden.

Ingevolge artikel 3, negende lid, gelden ter plaatse van de op de plankaart bij W en W(v) behorende en met "erf" aangeduide gronden per perceel de volgende regels:

a. toegestaan zijn aan- en bijgebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde;

b. (…)

c. de hoogte van aan- en bijgebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan 3 m;

Ingevolge artikel 16, eerste lid, zijn de op de plankaart als "Groenvoorzieningen" aangewezen gronden bestemd voor groenvoorzieningen.

Ingevolge artikel 16, derde lid, onder b, mag de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer bedragen dan 12 m.

3.2. Het bouwplan is voorzien op gronden waarop de bestemming "Woondoeleinden (W) W(v)" met de aanduiding "erf" en de bestemming "Groenvoorzieningen" rusten. De rechtbank heeft het bouwplan daarom terecht aan de daarop betrekking hebbende voorschriften getoetst en niet aan de planvoorschriften die gelden ter plaatse van de op de plankaart bij (W) W(v) en met "tuin" aangeduide gronden. In het aangevoerde kan evenmin grond worden gevonden voor het oordeel dat sprake is van een kennelijke verschrijving in de planregels.

Naar het oordeel van de Afdeling is het bouwplan een bouwwerk geen gebouw zijnde zoals bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de planvoorschriften. In artikel 3, negende lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften is bepaald dat zo’n bouwwerk voor zover gesitueerd op gronden met de bestemming "Woondoeleinden (W) W(v)" met de aanduiding "erf" niet hoger mag zijn dan 3 m. Verder is in artikel 16, derde lid, onder b bepaald dat zo’n bouwwerk voor zover gesitueerd op gronden met de bestemming "Groenvoorzieningen" niet hoger mag zijn dan 12 m. Niet in geschil is dat het bouwplan kleiner is dan 3 m. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan.

4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand.

[appellant] voert daartoe aan dat het positieve advies van de Welstandscommissie van Dordrecht van 2 december 2013 en de notitie van architect ir. W.J. Droog van 22 april 2014 (hierna: de notitie Droog) waarin het advies van 2 december 2014 nader wordt onderbouwd (hierna: de adviezen), zodanige gebreken vertonen dat het college deze niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen. Volgens [appellant] wordt er in de adviezen ten onrechte aan voorbijgegaan dat het bouwplan, onder meer vanwege de hoogte van 2,40 m, in strijd is met de in de welstandsnota neergelegde sneltoetscriteria.

[appellant] verwijst bij zijn betoog naar een door hem overgelegde brief van adviesbureau Jevanhet Architectuur van 20 maart 2014 (hierna: de brief Jevanhet).

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 oktober 2012 in zaak nr. 201202738/1/A1) mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook laatstgenoemde omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het college in strijd is met artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derde-belanghebbende.

4.2. In hetgeen is aangevoerd heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de adviezen zodanige gebreken vertonen dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen.

Dat het bouwplan niet voldoet aan de in de welstandsnota neergelegde sneltoetscriteria zoals door [appellant] onder verwijzing naar de brief Jevanhet wordt betoogd, leidt niet tot een ander oordeel. Dit is immers niet in geschil.

Er wordt reeds daarom niet toegekomen aan de beoordeling van de stelling van [appellant] dat het bouwplan geen 2,20 m, maar 2,40 m hoog is.

In de welstandsnota staat dat in geval een bouwplan in strijd is met de sneltoetscriteria dat bouwplan vervolgens moet worden getoetst aan de in de welstandsnota neergelegde basiscriteria. Volgens de adviezen die aan de besluitvorming ten grondslag zijn gelegd voldoet het bouwplan aan deze basiscriteria. Dit wordt door [appellant] niet, althans onvoldoende weersproken. Verder betoogt [appellant] tevergeefs dat het college door te toetsen aan de basiscriteria is afgeweken van de beleidsregel als neergelegd in de welstandsnota, reeds omdat deze basiscriteria onderdeel uitmaken van de beleidsregel.

Voor zover de opmerkingen in de brief Jevanhet al moeten worden geacht te zijn gericht tegen de basiscriteria, betoogt [appellant] tevergeefs dat hij bezwaren heeft tegen het afwijkend en verschillend materiaalgebruik van het bouwplan en de schanskorfwand en de groene panelenwand niet in onderlinge samenhang zijn bezien.

In de notitie Droog is vermeld dat het basiscriterium uit de welstandsnota met termen als duurzaamheid, verouderingsprocessen, materiaalkeuze, structuur, kleur en detaillering als geen betere passen bij het schanskorfprincipe en de groene kleur van de panelenwand opgaat in het groen van het struikgewas. Tevens is daarin vermeld dat de natuurlijke, landschappelijke uitstraling van schanskorven perfect past in de context van de eerder geschetste groene omgeving.

Hieruit blijkt dat de beide afscheidingen in onderlinge samenhang en in samenhang met de omgeving zijn bezien en de materiaalkeuze voldoet aan de geldende basiscriteria. Dat de welstandscommissie het bouwplan niet heeft bezichtigd aan de zijde van [appellant], maakt dit niet anders. Een commissie van deskundigen als de welstandscommissie kan in het algemeen geacht worden over voldoende kennis en ervaring te beschikken om aan de hand van de bij een bouwaanvraag overgelegde bouwtekeningen een oordeel te geven.

Ten slotte kan het betoog van [appellant] dat de schanskorf nadelige gevolgen heeft voor de haagbeuken die er tegenaan zijn geplant, niet leiden tot het ermee door hem beoogde doel, reeds omdat deze omstandigheid geen strijd oplevert met de welstandsnota.

Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand.

5. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel.

Hij verwijst hierbij naar een aan hem gerichte brief van wethouder P.H. Sleeking van 25 februari 2013.

5.1. Naar aanleiding van een verzoek van [appellant] om tegen het reeds gerealiseerde bouwplan handhavend op te treden, heeft wethouder Sleeking in voormelde brief toegezegd dat een handhavingstraject zou worden opgestart indien Dingemans de bouwwerken niet wilde verlagen of verwijderen. Niet in geschil is dat dit handhavingstraject is ingezet, maar dat Dingemans een aanvraag om omgevingsvergunning heeft ingediend om het bouwplan te legaliseren. Aangezien het college zich op het standpunt had gesteld dat het bouwplan niet in strijd was met het bestemmingsplan of redelijke eisen van welstand, heeft het college vervolgens het verzoek van [appellant] om handhavend optreden afgewezen. Blijkens de gedingstukken heeft [appellant] daartegen geen rechtsmiddelen aangewend. De rechtbank heeft aldus terecht in het aangevoerde geen aanknopingspunt gevonden voor het oordeel dat er namens het college concrete toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan [appellant] het in rechte te honoreren vertrouwen kon ontlenen dat het college de gevraagde omgevingsvergunning zou weigeren.

Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Van Leeuwen

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2016

543.