Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:411

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-02-2016
Datum publicatie
17-02-2016
Zaaknummer
201503073/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:2195, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 juli 2012 heeft NL Octrooicentrum een verzoek van [appellant] tot herstel in de vorige toestand van het op 1 augustus 2011 vervallen, door PAZ gehouden Europees-NL octrooi nr. 1154766 (hierna: het octrooi) ongegrond verklaard en het gevraagde herstel geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2016-0088
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503073/1/A3.

Datum uitspraak: 17 februari 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de rechtspersoon naar buitenlands recht PAZ Arzneimittel-Entwicklungsgesellschaft mbH (hierna: PAZ), gevestigd te Frankfurt am Main (Duitsland),

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 februari 2015 in zaak nr. 12/10845 in het geding tussen:

[appellant]

en

NL Octrooicentrum.

Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2012 heeft NL Octrooicentrum een verzoek van [appellant] tot herstel in de vorige toestand van het op 1 augustus 2011 vervallen, door PAZ gehouden Europees-NL octrooi nr. 1154766 (hierna: het octrooi) ongegrond verklaard en het gevraagde herstel geweigerd.

Bij besluit van 12 oktober 2012 heeft NL Octrooicentrum het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 februari 2015 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

NL Octrooicentrum heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 januari 2016, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J. Hemelaar, advocaat te Leiden, en NL Octrooicentrum, vertegenwoordigd door mr. C. Witteman, werkzaam bij NL Octrooicentrum, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De faillissementsprocedure van PAZ is op 18 mei 2011 in Duitsland aangevangen. Op 26 augustus 2011 heeft het Amtsgericht Frankfurt am Main het faillissement van PAZ uitgesproken en [appellant] als curator benoemd.

Het door PAZ gehouden octrooi nr. 1154766 is op 1 augustus 2011 van rechtswege vervallen wegens het niet vóór de vervaldatum op 17 januari 2011 van de twaalfde jaartaks, noch binnen de zogeheten boetetermijn, die eindigde op 31 juli 2011, betalen van die jaartaks voor de instandhouding van het octrooi. Bij brief van 24 oktober 2011 heeft [appellant] verklaard de niet-betaling van de jaartaks met toepassing van een hem ingevolge de Duitse Insolvenzordnung toekomende bevoegdheid ongedaan te maken onder gelijktijdige betaling van de verschuldigde jaartaks. Voorts heeft hij verzocht het octrooi met toepassing van artikel 23, eerste lid, van de Rijksoctrooiwet 1995 (hierna: de Row) in de vorige toestand te herstellen. NL Octrooicentrum heeft zich in het besluit van 5 juli 2012 op het standpunt gesteld dat [appellant] de niet-betaling van de jaartaks niet op grond van de Insolvenzordnung ongedaan kan maken. Tevens heeft NL Octrooicentrum zich op het standpunt gesteld dat niet aan de vereisten voor herstel krachtens artikel 23, eerste lid, van de Row, is voldaan omdat de als enige overgebleven werknemer van PAZ (hierna: de werknemer) niet de geboden zorgvuldigheid ten aanzien van de taksbetaling heeft betracht. De werknemer heeft een verkeerde datum voor de taksbetaling in zijn agenda ingevoerd en er heeft geen controle op de juistheid van deze invoer plaatsgevonden. In het besluit van 12 oktober 2012 heeft NL Octrooicentrum het bezwaar, voor zover gericht tegen het standpunt dat [appellant] de niet-betaling van de jaartaks niet op grond van de Insolvenzordnung kan herroepen of herstellen, niet-ontvankelijk verklaard. Voor het overige heeft NL Octrooicentrum het bezwaar ongegrond verklaard.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat NL Octrooicentrum niet ingevolge Verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures (hierna: de Verordening) de Insolvenzordnung moest toepassen, omdat een procedure als thans aan de orde losstaat van de faillissementsprocedure van PAZ en het faillissementsrecht. Hiertoe voert hij aan dat de rechtbank heeft miskend dat uit de Verordening volgt dat de bevoegdheden van een curator naar Duits recht ook in de Nederlandse rechtsorde werken. Volgens hem wordt anders het nuttig effect aan de Verordening ontnomen, omdat het de bedoeling van de Verordening is om de werking van de bevoegdheden van de curator van een insolvente grensoverschrijdend opererende onderneming niet tot één lidstaat te beperken. Hij wijst op overwegingen 3, 4 en 6 van de considerans van de Verordening, waaruit volgens hem kan worden afgeleid dat een procedure als thans aan de orde binnen het toepassingsbereik van de Verordening valt.

Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat NL Octrooicentrum buiten de in artikel 23, eerste lid, van de Row, bedoelde herstelbevoegdheid, geen bevoegdheid heeft om het verval van een octrooi ongedaan te maken. Hiertoe voert hij aan dat de rechtbank de argumenten die hij in dit kader heeft aangevoerd, behalve die over de Verordening, niet heeft besproken. In beroep heeft hij gewezen op de artikelen 19 en 102e van de Row, 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), 2, 5 en 24 van het Uitvoeringsbesluit Rijksoctrooiwet en de algemene regeling met betrekking tot rechtsmiddelen van de Awb.

Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat NL Octrooicentrum de weigering van het herstel terecht heeft gehandhaafd op de grond dat de werknemer niet de geboden zorgvuldigheid, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Row, heeft betracht. Hiertoe voert hij aan dat de rechtbank die bepaling onjuist heeft toegepast. Volgens hem was het de werknemer ingevolge het Duitse recht niet toegestaan de jaartaks te betalen, zodat de fout van de werknemer verontschuldigbaar was, en heeft de curator in het Duitse recht de mogelijkheid een fout als door de werknemer gemaakt te herstellen, zodat het systeem in een controle voorziet.

2.1. Volgens overweging 3 van de considerans van de Verordening hebben de activiteiten van ondernemingen meer en meer grensoverschrijdende gevolgen en vallen deze daardoor in toenemende mate onder de regels van het Gemeenschapsrecht (thans: het Unierecht). Ook de insolventie van ondernemingen heeft gevolgen voor de goede werking van de interne markt en vergt derhalve een handeling van de Gemeenschap (thans: de Unie) die dwingt tot coördinatie van de maatregelen die ten aanzien van het vermogen van een insolvente schuldenaar worden getroffen.

Volgens overweging 4 moet de goede werking van de interne markt verhinderen dat er prikkels voor partijen bestaan om ter verbetering van hun rechtspositie geschillen of goederen van de ene lidstaat naar de andere over te brengen ("forum shopping").

Volgens overweging 6 mag de Verordening op grond van het proportionaliteitsbeginsel alleen voorschriften behelzen tot regeling van de rechterlijke bevoegdheid inzake de opening van een insolventieprocedure en de beslissingen die rechtstreeks uit een insolventieprocedure voortvloeien en daarmee nauw samenhangen. Voorts moet de Verordening bepalingen bevatten betreffende erkenning van die beslissingen en betreffende het toepasselijke recht, die eveneens met het noodzakelijkheidsbeginsel stroken.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Verordening, zijn de rechters van de lidstaat waar het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar is gelegen, bevoegd de insolventieprocedure te openen. Bij vennootschappen en rechtspersonen wordt, zolang het tegendeel niet is bewezen, het centrum van de voornaamste belangen vermoed de plaats van de statutaire zetel te zijn.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, worden de insolventieprocedure en de gevolgen daarvan beheerst door het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan de insolventieprocedure wordt geopend, tenzij de Verordening iets anders bepaalt.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, kan de curator die is aangewezen door een krachtens artikel 3, eerste lid, bevoegde rechter in een andere lidstaat alle bevoegdheden uitoefenen die hem zijn verleend door het recht van de lidstaat waar de procedure is geopend, zolang in die andere lidstaat geen andere insolventieprocedure is geopend, of geen tegenstrijdige conservatoire maatregel na een verzoek tot opening van een insolventieprocedure in die lidstaat is getroffen.

Ingevolge het derde lid moet de curator bij de uitoefening van zijn bevoegdheden het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij wil optreden, eerbiedigen, in het bijzonder de voorschriften inzake het te gelde maken van de goederen. Deze bevoegdheden mogen niet de aanwending van dwangmiddelen, noch het recht om uitspraak te doen in gedingen of geschillen behelzen.

Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Row, wordt, indien de aanvrager of houder van een octrooi dan wel een Europees octrooi, ondanks het betrachten van alle in de gegeven omstandigheden geboden zorgvuldigheid, niet in staat is geweest een termijn ten opzichte van het bureau of het bureau bedoeld in artikel 99 in acht te nemen, op zijn verzoek door het bureau de vorige toestand hersteld, indien het niet in acht nemen van de termijn ingevolge de Row rechtstreeks heeft geleid tot het verlies van enig recht of rechtsmiddel.

Ingevolge artikel 62 vervalt een octrooi van rechtswege, wanneer de in artikel 61 genoemde bedragen niet binnen zes kalendermaanden na de daar genoemde vervaldag zijn betaald. Van dit vervallen wordt in het octrooiregister van het bureau aantekening gedaan.

2.2. [appellant] beroept zich op een ingevolge de Insolvenzordnung aan hem als curator toekomende bevoegdheid om rechtshandelingen die tot vier jaar vóór de aanvang van de faillissementsprocedure zijn verricht ongedaan te maken.

Uit de artikelen 3, eerste lid, 4, eerste lid, en 18, eerste lid, van de Verordening, volgt dat [appellant] als door een Duitse rechter aangewezen curator van een in Duitsland failliet verklaarde, in dat land gevestigde vennootschap, in Nederland alle bevoegdheden kan uitoefenen die hem door het Duitse recht zijn verleend. Uit artikel 18, derde lid, van de Verordening, volgt dat de uitoefening van die bevoegdheden wordt begrensd door het Nederlandse recht. Artikel 18, eerste en derde lid, van de Verordening, die op bevoegdheden van de curator ten aanzien van de boedel van een insolvente onderneming zien, zijn een uitwerking van de bedoeling van de Verordening, zoals deze mede uit de preambule blijkt, om gecoördineerde afwikkeling van de insolventie van grensoverschrijdend opererende ondernemingen met eerbiediging van het nationale recht van de lidstaten mogelijk te maken.

Daargelaten of het Duitse faillissementsrecht voorziet in een bevoegdheid van de curator tot het herroepen van het niet (tijdig) betalen van de jaartaks en het aldus bewerkstelligen dat een van rechtswege vervallen octrooi herleeft, en evenzeer daargelaten of die bevoegdheid onder het toepassingsbereik van de Verordening valt, betekent het voorgaande dat bij die uitoefening van zo'n bevoegdheid het Nederlandse recht moet worden geëerbiedigd. Een bevoegdheid tot herstel van een vervallen octrooi is in het Nederlandse recht in de Row uitputtend geregeld in de artikelen 61, 62 en 23 van die wet. Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Row, is die bevoegdheid alleen aan NL Octrooicentrum toegekend. De door [appellant] in beroep genoemde bepalingen geven NL Octrooicentrum voorts niet een van die van artikel 23, eerste lid, van de Row, te onderscheiden herstelbevoegdheid. [appellant] kan derhalve alleen door middel van een verzoek als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Row, herstel van het octrooi bewerkstelligen. De rechtbank heeft dit onderkend.

In zoverre faalt het betoog.

2.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 februari 2016 in zaak nr. 201502272/1/A3), moet artikel 23, eerste lid, van de Row, aldus worden uitgelegd dat, om die bepaling te kunnen toepassen, er een adequaat controlesysteem moet zijn, competent personeel en verontschuldigbare omstandigheden. Voorts moet er geen verwijt kunnen worden gemaakt aan degene die de misslag heeft begaan.

[appellant] heeft als oorzaak van het niet betalen van de jaartaks aangevoerd dat de werknemer een verkeerde betaaldatum in zijn agenda heeft ingevoerd wegens verwisseling met een ander octrooi. Zoals ook de rechtbank heeft geoordeeld, heeft NL Octrooicentrum zich terecht op het standpunt gesteld dat wegens het ontbreken van een controle op de ingevoerde datum niet de geboden zorgvuldigheid, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Row, is betracht. Dat de werknemer naar Duits recht de jaartaks niet mocht betalen, wat daarvan ook zij, is door [appellant] niet aangevoerd als reden voor het niet betalen van de jaartaks door de werknemer en laat het ontbreken van een controle onverlet. Dit kan daarom niet tot de conclusie leiden dat de geboden zorgvuldigheid wel is betracht. De mogelijkheid die het Duitse recht de curator zou bieden om een nalaten als het niet betalen van de jaartaks door de werknemer te herstellen, kan gezien hetgeen in 2.2 is overwogen evenmin tot die conclusie leiden. Bovendien kan herstel achteraf niet als tijdige controle gelden op een door de werknemer ingevoerde betaaldatum.

Ook in zoverre faalt het betoog.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte artikel 6:22 van de Awb heeft toegepast ten aanzien van de onterechte niet-ontvankelijkverklaring door NL Octrooicentrum van een deel van het bezwaar. Volgens hem had de rechtbank het besluit van 12 oktober 2012 wegens bedoeld gebrek moeten vernietigen met instandlating van de rechtsgevolgen ervan, zodat zij NL Octrooicentrum in de proceskosten zou hebben kunnen veroordelen.

3.1. Anders dan waarvan [appellant] uitgaat, behoefde de rechtbank het besluit van 12 oktober 2012 niet te vernietigen om tot een proceskostenveroordeling te kunnen komen. Omdat de rechtbank met toepassing van artikel 6:22 van de Awb het door haar geconstateerde gebrek in het besluit van 12 oktober 2012 heeft gepasseerd, had zij NL Octrooicentrum tot vergoeding van aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand toe te rekenen proceskosten moeten veroordelen. Voor een veroordeling in de bij de rechtbank opgegeven reiskosten van gemachtigden en deskundigen, kosten van deskundigen en vertaalkosten bestond geen aanleiding.

4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover de rechtbank NL Octrooicentrum niet tot vergoeding van aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand toe te rekenen proceskosten heeft veroordeeld. Voor het overige moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

5. NL Octrooicentrum dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 februari 2015 in zaak nr. 12/10845, voor zover de rechtbank NL Octrooicentrum niet tot vergoeding van aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand toe te rekenen proceskosten heeft veroordeeld;

III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IV. veroordeelt NL Octrooicentrum tot vergoeding van bij [appellant], in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de rechtspersoon naar buitenlands recht PAZ Arzneimittel-Entwicklungsgesellschaft mbH, in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.232,00 (zegge: tweeduizend tweehonderdtweeëndertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat NL Octrooicentrum aan [appellant], in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de rechtspersoon naar buitenlands recht PAZ Arzneimittel-Entwicklungsgesellschaft mbH, het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 558,00 (zegge: vijfhonderdachtenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier.

w.g. Vlasblom w.g. Hartsuiker

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2016

620.