Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:403

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-02-2016
Datum publicatie
17-02-2016
Zaaknummer
201402115/2/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2014:563, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 februari 2013 heeft de raad het Groenbeheerplan Wageningen-Hoog, derde cyclus, eerste fase 2013 (hierna: het Groenbeheerplan) vastgesteld op grond waarvan 184 bomen zullen worden gekapt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201402115/2/A3.

Datum uitspraak: 17 februari 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, wonend te Wageningen,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 30 januari 2014 in zaak nr. 13/4819 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

de raad van de gemeente Wageningen.

Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2013 heeft de raad het Groenbeheerplan Wageningen-Hoog, derde cyclus, eerste fase 2013 (hierna: het Groenbeheerplan) vastgesteld op grond waarvan 184 bomen zullen worden gekapt.

Bij besluit van 1 juli 2013 heeft de raad de door [tien appellanten] daartegen gemaakte bezwaren niet-ontvankelijk verklaard en de door [appellant], [en negen appellanten] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 januari 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] en de anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]) daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 1 juli 2013 vernietigd, de ingediende bezwaren niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 september 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.F.A. van der Maes, advocaat te Amsterdam, [twee appellanten], en de raad, vertegenwoordigd door mr. M. Rétei, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 11 februari 2015 in zaak nr. 201402115/1/A3 heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen zestien weken na verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen het gebrek in het besluit van 1 juli 2013 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij beschikking van 6 mei 2015 in zaak nr. 201402115/3/A3 heeft de Afdeling de bij haar uitspraak van 11 februari 2015 bepaalde termijn verlengd tot en met 22 juli 2015.

Bij geschrift van 6 juli 2015 heeft de raad een nadere onderbouwing van het besluit van 1 juli 2013 gegeven.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [appellant] op 13 augustus 2015 een zienswijze naar voren gebracht.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de raad bij geschrift van 11 november 2015 een nadere toelichting gegeven op de nadere onderbouwing.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [appellant] op 25 november 2015 en 10 december 2015 schriftelijke reacties ingediend.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht heeft de Afdeling bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Voor de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen verwijst de Afdeling naar de tussenuitspraak.

2. Gelet op hetgeen onder 4.1., 4.2. en 6.4. in de tussenuitspraak is overwogen, is het hoger beroep van [appellant] gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 11 februari 2013 niet-ontvankelijk heeft verklaard en heeft bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Gelet op hetgeen de Afdeling in de tussenuitspraak onder 4.1. heeft overwogen, zal de Afdeling de rechtsgevolgen van dat besluit in stand laten voor zover daarbij de bezwaren van [tien appellanten] niet-ontvankelijk zijn verklaard. De Afdeling zal hierna bezien of aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten voor zover bij dat besluit de overige bezwaren ongegrond zijn verklaard.

3. Gevolg gevend aan de tussenuitspraak heeft de raad bij geschrift van 6 juli 2015 het besluit van 1 juli 2013 nader gemotiveerd. De raad heeft de huidige kroonprojecties gemeten en bepaald wat het dekkingspercentage van de kroonprojecties zal zijn na de kap van de door hem aangewezen bomen maar voor de aanplant van nieuwe bomen. Volgens de raad is het huidige gemiddelde dekkingspercentage 84,1% en na de kap maar vóór de aanplant 81,4%. Verder heeft de raad toegelicht dat bomen op twee gronden kunnen worden aangewezen als toekomstboom. De eerste grond houdt in dat de betreffende toekomstboom op een goede plek moet staan om oud te kunnen worden. Bomen met een mindere conditie of groeikracht, die concurrerend zijn voor de toekomstboom worden gekapt ten behoeve van de ontwikkeling van de toekomstboom. De tweede grond voor aanwijzing van een toekomstboom, die eventueel nieuw kan worden aangeplant, is dat de kroonprojectie in een straat onder de 75% daalt en de norm ten aanzien van de kroonprojectie niet wordt gehaald op open plekken. Bij de nadere onderbouwing heeft de raad een lijst gevoegd met de aangewezen toekomstbomen. Verder heeft de raad in de nadere onderbouwing per straat in een tabel vermeld welke bomen zullen worden gekapt en op grond van welk Toetsingscriterium. Bij de tabel heeft de raad vervolgens een toelichting gegeven. Tot slot heeft de raad zich als reactie op het rapport van Theunissen, inhoudende een beoordeling van de gevolgen van de jaarlijkse groenbeheerplannen voor de gemeentelijke groenstroken in Wageningen-Hoog (hierna: het eerste rapport van Theunissen), onder meer op het standpunt gesteld aan alle Toetsingscriteria te voldoen en dat de uit te voeren beheermaatregelen zijn gericht op het behoud van landschappelijke kwaliteiten en versterking van de biodiversiteit.

4. [appellant] betoogt dat de raad met de nadere onderbouwing van 6 juli 2015 niet heeft voldaan aan hetgeen hem door de Afdeling in haar tussenuitspraak is opgedragen. Daartoe voert hij aan dat nog steeds geen zorgvuldig en inzichtelijk onderzoek is verricht. In het besluit van 1 juli 2013 kwam geen enkele boom voor kap in aanmerking op grond van het derde Toetsingscriterium. In de nadere onderbouwing van 6 juli 2015 is bij 46 te kappen bomen dit criterium aangekruist, terwijl de raad dit niet toelicht. Verder blijkt uit een aanvullend rapport van Theunissen (hierna: het tweede rapport van Theunissen) dat de door de raad vastgestelde kroonprojecties op een veel te hoog percentage zijn vastgesteld, doordat de raad een gebrekkige en onnauwkeurige rekenmethode heeft gebruikt en doordat voor de berekening van de kroonprojecties ook de bomen in de naast de groenstroken gelegen bosstroken zijn meegenomen. Volgens het tweede rapport van Theunissen zal het vereiste dekkingspercentage van de kroonprojectie van 75% grotendeels niet worden gehaald, hetgeen in strijd is met het vierde Toetsingscriterium. Voorts wijst [appellant] erop dat de raad weliswaar een lijst met toekomstbomen heeft opgesteld en heeft vermeld op welke twee gronden toekomstbomen kunnen worden aangewezen, maar niet duidelijk is op welke grond deze bomen als toekomstboom zijn aangewezen. Bovendien zijn als toekomstboom aangewezen bomen met een verminderde conditie, met een beperkte levensduur en bomen die recent zijn aangeplant en derhalve te jong zijn om als toekomstboom te worden aangewezen. De raad heeft de toekomstbomen dan ook volstrekt willekeurig aangewezen, aldus [appellant].

Verder voert [appellant] aan dat de nadere onderbouwing van 6 juli 2015 geen blijk geeft van een belangenafweging om de aangewezen bomen al dan niet te kappen. Noch de algemene belangen uit artikel 5 van de Bomenverordening noch zijn belangen bij behoud van de bomen zijn meegewogen.

Ten slotte voert [appellant] aan dat de raad de bevindingen uit het eerste rapport van Theunissen niet heeft weerlegd, maar toch het besluit om de 184 aangewezen bomen te kappen heeft gehandhaafd.

4.1. De Afdeling heeft in haar tussenuitspraak geoordeeld dat de raad het besluit van 1 juli 2013 niet deugdelijk heeft gemotiveerd. [appellant] betoogt terecht dat de nadere onderbouwing van 6 juli 2015 evenmin deugdelijk is gemotiveerd. Met de nadere onderbouwing van 6 juli 2015 heeft de raad niet beoogd van het besluit van 1 juli 2013 terug te komen dan wel dat besluit te wijzigen. In de nadere onderbouwing heeft de raad per straat in een tabel met bijbehorende beschrijving vermeld welke bomen zullen worden gekapt en op grond van welk Toetsingscriterium. Hierin is bij enkele tientallen bomen het derde Toetsingscriterium als het van toepassing zijnde criterium vermeld. Deze grond om bomen te kappen heeft de raad hier voor het eerst vermeld, aangezien dit criterium in het onderzoek van K. Flier dat aan het besluit ten grondslag lag bij geen enkele boom van toepassing werd geacht. In de nadere onderbouwing is nergens toegelicht waarom het derde Toetsingscriterium van toepassing is op deze bomen. Bovendien is bij enkele bomen alleen dit criterium als reden voor kap van de desbetreffende boom genoemd, terwijl daarbij in het besluit van 1 juli 2013 een ander toetsingscriterium van toepassing werd geacht.

Verder bevat de toelichting bij de tabel met daarin per straat de te kappen bomen veelal niet meer dan een beschrijving van hetgeen in de tabel is vermeld. Die beschrijving is in de meeste gevallen slechts een summiere motivering waarom bomen op grond van het desbetreffende criterium moeten worden gekapt. Deze beschrijvingen lijken niet op de concrete situatie te zijn toegespitst aangezien de motivering van het van toepassing zijnde Toetsingscriterium per straat in verscheidene gevallen een letterlijke herhaling is van de motivering bij een andere straat. Bovendien wordt in de beschrijving niet op alle van toepassing geachte criteria ingegaan. De raad had nader moeten motiveren waarom de aangewezen bomen voor kap in aanmerking komen.

Ten aanzien van de bomen die als toekomstboom zijn aangewezen geldt evenzeer een motiveringsgebrek. Weliswaar heeft de raad in de nadere onderbouwing van 6 juli 2015 twee gronden opgenomen voor het aanwijzen van een boom als toekomstboom en bij de nadere onderbouwing een lijst met aangewezen toekomstbomen gevoegd, maar zoals [appellant] terecht aanvoert heeft de raad niet gemotiveerd op basis van welke van deze twee gronden de aangewezen toekomstbomen als zodanig zijn aangewezen. Derhalve heeft de raad niet inzichtelijk gemaakt waarom de op de lijst vermelde bomen als toekomstbomen zijn aangewezen.

4.2. In de Toetsingscriteria zijn de criteria neergelegd waaraan het Groenbeheerplan moet voldoen. In het vierde Toetsingscriterium is bepaald dat de kroonprojectie van de bomen in de groenstroken gemiddeld genomen in Wageningen-Hoog minimaal 75% moet blijven en in de bosstroken minimaal 85-90%.

In de nadere onderbouwing van 6 juli 2015 heeft de raad van de meest voorkomende boomsoorten de stamdiameter en kroonprojectie gemeten en op basis daarvan een gemiddelde vastgesteld. Met de gemiddelden is digitaal de kroonprojectie weergegeven op kaarten. Uit de berekeningen van de raad volgt dat de gemiddelde kroonprojectie na de kap 81,4% is. Volgens de raad voldoet het Groenbeheerplan daarmee aan het vierde Toetsingscriterium. Bij de zienswijze hierop heeft [appellant] het tweede rapport van Theunissen ingediend. In dit rapport staat dat de berekening van de kroonprojectie door de raad onjuist is en dat de gemiddelde kroonprojectie in werkelijkheid lager ligt dan 75%. Vervolgens heeft de Afdeling de raad de gelegenheid gegeven schriftelijk te reageren op de zienswijze van [appellant] en het daarbij gevoegde tweede rapport van Theunissen ten aanzien van de kroonprojectie. In de nadere toelichting op de nadere onderbouwing van 11 november 2015 heeft de raad de kroonprojectie van de groenstroken herberekend, aangezien volgens hem in het tweede rapport van Theunissen terecht was geconstateerd dat enkele groenstroken en bosstroken in de nadere onderbouwing van 6 juli 2015 ten onrechte waren meegerekend bij de berekening van de kroonprojectie van de groenstroken. Zo is uitgangspunt dat alleen groenstroken van meer dan een meter breed in de berekening worden meegenomen maar waren wel enkele groenstroken meegerekend die smaller waren dan een meter. Ook waren ten onrechte de bosstroken tussen de Hermelijnlaan en de Reeboklaan en tussen de Mollaan en het Papenpad in de berekening betrokken. Volgens de herberekening van de raad in de nadere toelichting op de nadere onderbouwing is de gemiddelde kroonprojectie van de groenstroken na de kap 76,6% en is dus nog steeds voldaan aan het vierde Toetsingscriterium. Vervolgens heeft [appellant] daarop een reactie gegeven door middel van een derde rapport van Theunissen. In dit derde rapport worden de metingen van de raad niet langer bestreden. Aangevoerd wordt dat niet aan het vierde Toetsingscriterium wordt voldaan doordat ten onrechte de strook langs de Zoomweg (hierna: de Zoomweg) in de berekening is meegenomen, terwijl deze geen groenstrook is maar een bosstrook. Aan de hand van de resultaten van de metingen van de raad heeft Theunissen in het derde rapport berekend dat zonder de Zoomweg de gemiddelde kroonprojectie van de groenstroken na de kap op 69,8% komt te liggen.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling zich voor de vraag gesteld of het Groenbeheerplan aan het vierde Toetsingscriterium voldoet. Bij de berekening van de kroonprojectie van groenstroken mag de kroonprojectie van bosstroken niet worden meegenomen. De vraag dient te worden beantwoord of de Zoomweg een bosstrook is. In de Groenbeheervisie Wageningen-Hoog uit 2003 wordt onderscheid gemaakt tussen groenstroken en bospercelen. Onder het kopje ‘bospercelen’ worden onder meer de stroken langs de Hermelijnlaan, het Papenpad en de Zoomweg genoemd als bospercelen. Als bijlage bij de Groenbeheervisie is een kaart gevoegd waarop zichtbaar is wat de bospercelen zijn. Op deze kaart staan de gebieden tussen de Hermelijnlaan en de Reeboklaan en tussen de Mollaan en het Papenpad gemarkeerd als bosstroken. Ook het desbetreffende gedeelte langs de Zoomweg is als bosstrook gemarkeerd. Onder het begrip bosperceel in de Groenbeheervisie dient hetzelfde te worden verstaan als onder het begrip bosstrook in het vierde Toetsingscriterium, omdat de in de Groenbeheervisie vermelde bospercelen op de bijgevoegde kaart bosstroken worden genoemd en met name omdat in de inleiding van de Toetsingscriteria is vermeld dat de Toetsingscriteria zijn gebaseerd op de Groenbeheervisie. Gelet op het voorgaande moet ervan worden uitgegaan dat de Zoomweg een bosstrook is en dat de Zoomweg derhalve niet mag worden meegenomen in de berekening van het kroonpercentage van de groenstroken. De resultaten van de metingen voor de herberekening van de kroonprojectie, zoals weergegeven in de nadere toelichting op de nadere onderbouwing van 11 november 2015, zijn niet door [appellant] bestreden. Derhalve dient hiervan te worden uitgegaan. Uitgaande van deze resultaten is in het derde rapport van Theunissen terecht gesteld dat zonder de Zoomweg de gemiddelde kroonprojectie van de groenstroken op 69,8% komt na het kappen van de aangewezen bomen. Dit is minder dan de vereiste 75% volgens het vierde Toetsingscriterium. Dit betekent dat het in bezwaar gehandhaafde Groenbeheerplan in strijd is met de Toetsingscriteria.

4.3. Het betoog slaagt. Hetgeen [appellant] overigens heeft aangevoerd behoeft geen bespreking meer.

5. De conclusie is dat de raad met de nadere onderbouwing van 6 juli 2015 en de nadere toelichting daarop van 11 november 2015 het in bezwaar gehandhaafde Groenbeheerplan niet deugdelijk nader heeft gemotiveerd en dat het Groenbeheerplan in strijd is met het vierde Toetsingscriterium. Om die reden ziet de Afdeling geen reden de rechtsgevolgen van het besluit van 1 juli 2013 in stand te laten voor zover het de ongegrondverklaring van de bezwaren van [appellant], [en negen appellanten] betreft. De Afdeling zal op na te melden wijze zelf in de zaak voorzien. Het Groenbeheerplan van 11 februari 2013 zal worden herroepen. De Afdeling zal verder bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 1 juli 2013 voor zover het de bezwaren van laatstgenoemde personen betreft.

6. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 30 januari 2014 in zaak nr. 13/4819, voor zover de rechtbank de bezwaren van [appellant] en anderen tegen het besluit van de raad van de gemeente Wageningen van 11 februari 2013, kenmerk 12.0217032, niet-ontvankelijk heeft verklaard en heeft bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van de raad van de gemeente Wageningen van 1 juli 2013, kenmerk VG/13.0103467, in stand blijven, voor zover daarbij de bezwaren van [tien appellanten] niet-ontvankelijk zijn verklaard;

IV. herroept het besluit van 11 februari 2013;

V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit voor zover het de bezwaren van [appellant], [en negen appellanten] betreft;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Wageningen tot vergoeding van bij de onder V. vermelde personen in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 992,00 (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VII. veroordeelt de raad van de gemeente Wageningen tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.488,00 (zegge: veertienhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VIII. gelast dat de raad van de gemeente Wageningen aan [appellant] en anderen het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 246,00 (zegge: tweehonderdzesenveertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. De Vries

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2016

582-805.