Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:401

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-02-2016
Datum publicatie
17-02-2016
Zaaknummer
201502959/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2015:1038, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 oktober 2013 heeft de korpschef van politie het aan [appellant] verleende verlof tot het voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III (hierna: wapenverlof) ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201502959/1/A3.

Datum uitspraak: 17 februari 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 20 februari 2015 in zaak nr. 14/2837 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 16 oktober 2013 heeft de korpschef van politie het aan [appellant] verleende verlof tot het voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III (hierna: wapenverlof) ingetrokken.

Bij besluit van 24 maart 2014 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 februari 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 december 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. T. van der Weijde, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. R. van den Boom, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 7, tweede lid, aanhef en onder b en c, van de Wet wapens en munitie (hierna: Wwm) kunnen de in deze wet vermelde erkenningen, consenten, vergunningen, verloven en ontheffingen, onverminderd de bijzondere gronden tot wijziging of intrekking daarvan, door het bestuursorgaan dat deze heeft verleend of door de minister worden gewijzigd of ingetrokken indien er aanwijzingen zijn dat aan de houder daarvan het onder zich hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd of indien er reden is om te vrezen dat daarvan dan wel van wapens of munitie misbruik zal worden gemaakt.

Ingevolge artikel 38, tweede lid, volgt de korpschef bij de uitvoering van deze wet de aanwijzingen van de minister.

De Circulaire wapens en munitie 2013 (hierna: de Circulaire) vormde ten tijde van belang het geldende geheel van algemene aanwijzingen als bedoeld in artikel 38, tweede lid, van de Wwm. De relevante passages van de Circulaire zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

2. Aan [appellant] is op 2 februari 2013 een wapenverlof verleend voor een seinpistool, dat dient als noodsignaalmiddel voor de scheepvaart. De korpschef heeft aan de intrekking van dit wapenverlof verschillende mutatierapporten ten grondslag gelegd, waaruit volgt dat [appellant] op 27 juni 2013 in verwarde toestand is weggelopen en vervolgens naar het ziekenhuis is gebracht, waar hij is opgenomen. De staatssecretaris heeft de intrekking in zijn besluit van 24 maart 2014 gehandhaafd. Daartoe stelt hij zich op het standpunt dat de in het besluit van de korpschef genoemde feiten voldoende zijn voor de conclusie dat er meer dan geringe twijfel is of het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie aan [appellant] kan worden toevertrouwd. De door [appellant] overgelegde documenten zijn volgens de staatssecretaris onvoldoende om tot een andere conclusie te komen.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank hem ten onrechte niet is gevolgd in zijn standpunt dat de korpschef en de staatssecretaris bij het nemen van de besluiten van onjuiste feiten en omstandigheden zijn uitgegaan. Daarbij wijst hij op een door hem overgelegde brief van 17 juli 2013 van het Tergooi ziekenhuis en een brief van zijn behandelend neuroloog van het Tergooi Ziekenhuis van 15 april 2014. Volgens hem volgt uit deze documenten dat hij niet voor een psychiatrische aandoening op de psychiatrische afdeling van het ziekenhuis is behandeld, maar voor een neurologische aandoening op de afdeling neurologie. Onder verwijzing naar de door hem overgelegde uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 oktober 2013 in zaak nr. 13/1657, voert [appellant] voorts nog aan dat de politieagenten niet over voldoende medische kennis beschikken om een medische diagnose te stellen.

3.1. In het aan de besluiten ten grondslag gelegde mutatierapport van 27 juni 2013 is vermeld dat de echtgenote van [appellant] op 27 juni 2013 een melding bij de politie heeft gedaan, omdat [appellant] was weggelopen terwijl zij onderweg waren naar de huisartsenpost in verband met vreemd gedrag dat [appellant] vertoonde. De echtgenote heeft [appellant] echter gauw teruggevonden en hem alsnog naar de huisartsenpost gebracht. Het mutatierapport vermeldt dat [appellant], in verwarde toestand, van daaruit opnieuw is weggelopen. Politieagenten hebben [appellant] later op de avond aangetroffen op de Boissevainweg te Blaricum. Zij hebben geprobeerd [appellant] vrijwillig mee te nemen naar de huisartsenpost, maar hebben hem handboeien om gedaan toen hij dat weigerde. Bij de huisartsenpost is verzocht om [appellant] bij de spoedeisende hulp van het ziekenhuis af te leveren, alwaar de agenten hebben geholpen om hem op een bed te binden voor de psychiatrie. Eén van de agenten heeft aan [appellant] uitgelegd wat er zou gebeuren. Het mutatierapport vermeldt tot slot dat [appellant] is opgenomen op de afdeling psychiatrie ter observatie en de familie in kennis is gesteld door de dienstdoende artsen. Uit een ander aan de besluiten ten grondslag gelegd mutatierapport, van 18 juli 2013, volgt dat de klachten van [appellant] gerelateerd waren aan alcoholmisbruik. Dit wordt bevestigd in de door [appellant] overgelegde verklaringen van zijn huisarts en in het door hem overgelegde rapport van een psychisch onderzoek van 1 september 2014.

3.2. [appellant] heeft niet betwist dat hij op 27 juni 2013 in verwarde toestand in het ziekenhuis is opgenomen en vervolgens in de periode daarna medisch is behandeld voor klachten gerelateerd aan alcoholmisbruik. Deze feiten zijn aan de besluiten van 16 oktober 2013 en 24 maart 2014 ten grondslag gelegd. Op welke afdeling hij heeft gelegen tijdens zijn ziekenhuisopname, is dan ook niet van belang.

3.3. De door [appellant] overgelegde uitspraak van 31 oktober 2013 betrof een zaak, waarin een wapenverlof was ingetrokken omdat werd getwijfeld aan de psychische gesteldheid van de verlofhouder. Aan die intrekking waren twee mutatierapporten ten grondslag gelegd, waarin door politieagenten melding werd gemaakt van een chaos en onhygiënische situatie in de woning van de verlofhouder. De rechtbank Amsterdam heeft in die zaak overwogen dat de rapporteur tegen de verlofhouder heeft gezegd dat hij zich zeker zorgen maakt, maar dat hij niet deskundig genoeg was en de verlofhouder onvoldoende kende om hier een conclusie aan te verbinden. Volgens de rechtbank had de staatssecretaris uit de situatie in de woning zoals beschreven in de mutatierapporten niet zonder meer mogen afleiden dat er ernstige en gerede twijfel bestond aan het geestelijk welzijn van de verlofhouder.

De situatie die aan de orde was in de uitspraak van 31 oktober 2013 verschilt van de aan de orde zijnde situatie, omdat de mutatierapporten die aan de besluiten van 16 oktober 2013 en 24 maart 2014 ten grondslag zijn gelegd, melding maken van objectief toetsbare feiten die de psychische gesteldheid van de verlofhouder betreffen. Als voorbeelden kunnen in dit verband de melding van vermissing en de opname in het ziekenhuis worden genoemd. Daarnaast zijn in de mutatierapporten verklaringen van familieleden van [appellant] over zijn psychische gesteldheid opgenomen. De agenten hebben, anders dan [appellant] kennelijk veronderstelt, in de mutatierapporten geen medische oordelen gegeven.

3.4. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien om [appellant] te volgen in zijn standpunt dat de korpschef en de staatssecretaris bij het nemen van de besluiten van onjuiste feiten en omstandigheden zijn uitgegaan.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris ten tijde van het nemen van het besluit van 24 maart 2014 mocht aannemen dat hij nog onder psychische druk zou staan. Volgens [appellant] was op dat moment al bekend dat hij was gestopt met zijn behandeling in de Jellinek-kliniek en dat zijn huisarts toen al had verklaard dat het alcoholmisbruik zich niet langer voordeed. Daarnaast verwijst [appellant] naar het in beroep overgelegde rapport van een psychologisch onderzoek, dat is gedateerd op 1 september 2014, waarin is geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn voor een psychiatrische problematiek.

4.1. [appellant] heeft niet betwist dat het alcoholmisbruik dat op 27 juni 2013 is geconstateerd, een uiting was gerelateerd aan sterke psychische druk als bedoeld in 1.2, ad b, van de Circulaire. [appellant] heeft niet aangetoond dat hij ten tijde van het nemen van het besluit van 24 maart 2014 niet meer onder sterke psychische druk stond dan wel dat zijn problemen niet langer een belemmering vormden voor het voorhanden hebben van een vuurwapen.

Uit de door [appellant] overgelegde verklaring van zijn huisarts van 2 januari 2014 volgt dat [appellant] zich na de ziekenhuisopname van ruim drie weken heeft gemeld bij de Jellinek-kliniek voor de behandeling van zijn alcoholverslaving en dat hij vanaf december 2013 uit controle bij de kliniek is ontslagen in verband met vroege volledige remissie van de alcoholafhankelijkheid. Anders dan [appellant] doet voorkomen, volgt uit die verklaring niet dat de huisarts zelf heeft vastgesteld dat het alcoholmisbruik zich niet langer voordeed en hij niet langer onder sterke psychische druk stond. In een tweede verklaring, gedateerd op 23 april 2014, dus na het nemen van het besluit van 24 maart 2014, heeft de huisarts gemeld dat zij tot dusverre geen verdenking heeft van recidief alcoholgebruik. De huisarts heeft ook op dat moment niet vastgesteld dat sterke psychische druk bij [appellant] afwezig was. Hierbij laat de Afdeling nog in het midden dat de verklaringen afkomstig zijn van de eigen huisarts.

Uit het door [appellant] overgelegde rapport van 1 september 2014 kan evenmin worden afgeleid dat [appellant] ten tijde van het nemen van het besluit van 24 maart 2014 niet langer onder sterke psychische druk stond. In dat rapport wordt namelijk niet ingegaan op de vragen of [appellant] op dat moment onder sterke psychische druk stond en of hij op dat moment andere problemen had die een belemmering vormden voor het voorhanden hebben van een vuurwapen.

4.2. Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris ten tijde van het nemen van het besluit van 24 maart 2014 op grond van de in de mutatierapporten neergelegde bevindingen en het tijdsverloop sinds 27 juni 2013, mocht aannemen dat [appellant] nog onder sterke psychische druk zou staan. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de staatssecretaris zich dan ook op het standpunt mogen stellen dat er meer dan geringe twijfel is of het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie aan [appellant] kan worden toevertrouwd.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat niet in redelijkheid tot intrekking van zijn wapenverlof over had kunnen worden gegaan. Daartoe voert hij aan dat uit een passage van de Circulaire over rijden onder invloed volgt dat overmatig alcoholgebruik geen grond is om het verlof in te trekken. Verder voert hij aan dat hij een groot belang heeft bij het behoud van zijn seinpistool, omdat het een erfstuk is dat een belangrijke emotionele waarde voor hem heeft. De niet-vergunningplichtige noodsignaalmiddelen, die hij nu moet aanschaffen, zijn volgens hem minder effectief en gevaarlijker dan een seinpistool. Tot slot voert hij aan dat met het verbinden van extra voorwaarden aan het wapenverlof, zoals het monteren van een wapen- en munitiekluis in de boot, had kunnen worden volstaan.

5.1. In de Circulaire, waarvan de relevante passages in de bijlage bij deze uitspraak zijn weergegeven, is een incidentele veroordeling wegens rijden onder invloed als voorbeeld genoemd van een veroordeling, die niet zonder meer hoeft te leiden tot intrekking van een wapenverlof. Of al dan niet tot intrekking moet worden overgegaan, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Hieruit kan geenszins worden afgeleid dat in geval van overmatig alcoholgebruik of bij verslaving aan alcohol, zoals thans aan de orde is geweest, niet tot intrekking van het verlof kan worden overgegaan.

De rechtbank heeft het persoonlijke belang van [appellant] bij behoud van zijn seinpistool voorts terecht niet zo groot geacht, dat tot het oordeel moet worden gekomen dat niet in redelijkheid tot intrekking van het wapenverlof had kunnen worden overgegaan. Daarbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat [appellant] gebruik kan maken van andersoortige, in de scheepvaart gebruikelijke, noodsignaalmiddelen. Er is geen aanknopingspunt om aan te nemen dat deze noodsignaalmiddelen in algemene zin gevaarlijker zijn dan een seinpistool. Voorts acht de Afdeling van belang dat [appellant] is aangeboden om het wapen in overeenstemming met artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling wapens en munitie zodanig ongeschikt te laten maken dat het wapen zonder verlof bewaard kan worden als erfstuk.

5.2. De Afdeling volgt [appellant] voorts niet in zijn standpunt dat met het verbinden van voorwaarden aan het wapenverlof had kunnen worden volstaan. Niet aannemelijk is gemaakt dat met maatregelen de twijfel of het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie aan [appellant] kan worden toevertrouwd, kan worden weggenomen. Naar ter zitting door de staatssecretaris is toegelicht, is de door [appellant] voorgestelde maatregel om een wapen- en munitiekluis in de boot te monteren, voorts een maatregel die reeds verplicht is gesteld.

6. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de staatssecretaris zich op het standpunt mocht stellen dat de korpschef het aan [appellant] verleende wapenverlof mocht intrekken.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Binnema, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Binnema

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2016

589.

BIJLAGE

De Circulaire wapens en munitie 2013

Bijzonder deel (B)

1. Geen vrees voor misbruik

1.1. Algemeen

[…]

‘Vrees voor misbruik’ en ‘het niet langer kunnen toevertrouwen’ zijn twee verschillende omschrijvingen voor in feite dezelfde situatie. Hetgeen hierna wordt opgemerkt met betrekking tot de invulling van het ‘vrees voor misbruik-criterium’ kan daarom analoog worden toegepast indien het de intrekking of weigering van een vergunning betreft om reden dat het voorhanden hebben van wapens of munitie niet (langer) kan worden toevertrouwd.

1.2 Invulling van het ‘vrees voor misbruik’ criterium

Wapens en munitie vormen een potentieel ernstige bedreiging voor de veiligheid in de samenleving indien zij in handen komen van personen die onvoldoende betrouwbaar zijn om wapens en munitie voorhanden te hebben. Derhalve wordt er een restrictief beleid gevoerd waar het de toepassing van het criterium ‘geen vrees voor misbruik’ betreft.

Degene aan wie een vergunning wordt verleend voor het voorhanden hebben van wapens en/of munitie komt in een bijzondere positie te verkeren ten opzichte van zijn medeburgers, voor wie immers het algemene wettelijke verbod geldt om wapens of munitie voorhanden te hebben. Die positie brengt met zich mee dat van de vergunninghouder stipte naleving van de (wapen)wettelijke voorschriften moet kunnen worden verlangd en dat van hem tevens wordt verwacht dat hij zich onthoudt van overtredingen die kunnen worden beschouwd als een (ernstige) aantasting van de rechtsorde.

Het weigeren dan wel intrekken van een verlof is uitdrukkelijk geen strafrechtelijke sanctie, maar is een maatregel ter bescherming van de veiligheid in de samenleving. Tegen de achtergrond van het eerdergenoemde maatschappelijke belang, is daarom reeds geringe twijfel aan het verantwoord zijn van de te maken (of gemaakte) uitzondering - ook naar de vaste jurisprudentie van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State - voldoende reden om een verlof niet te verlenen respectievelijk in te trekken. Het spreekt voor zich dat die twijfel gebaseerd moet zijn op een objectief toetsbare motivering (zie hierna).

Voor de beoordeling van de vraag of in een bepaald geval vrees voor misbruik bestaat worden in dit onderdeel een aantal concrete criteria gegeven. De korpschef zal aan de hand van deze criteria in elk geval afzonderlijk moeten bezien of er sprake is van ‘vrees voor misbruik’.

Bij het onderzoek in verband met de vraag of er vrees voor misbruik bestaat kan gebruik worden gemaakt van informatie afkomstig uit de registers van de justitiële documentatie en van andere, politiële informatie, die afkomstig kan zijn uit verschillende bronnen.

Bij dergelijk onderzoek kan blijken van:

a. veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken;

b. andere omtrent de aanvrager bekende feiten.

Ad a. (veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken)

Strafbare feiten

De aanvrager of houder van een in de Wet wapens en munitie genoemde vergunning mag op het moment van de aanvraag en tijdens het houderschap niet:

a. met toepassing van artikel 37 respectievelijk artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht binnen de afgelopen acht jaren in een psychiatrisch ziekenhuis zijn geplaatst dan wel ter beschikking zijn gesteld;

b. binnen de laatste acht jaren bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak zijn veroordeeld wegens:

1. het plegen van een misdrijf waarbij een (on)voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd;

2. het plegen van een misdrijf waarbij geweld of bedreiging met geweld heeft plaatsgevonden;

3. het plegen van een misdrijf of overtreding op grond van de Wet wapens en munitie;

4. het plegen van een misdrijf of overtreding op grond van de Opiumwet.

c. binnen de laatste vier jaren bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak zijn veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een geldboete of een taakstraf is opgelegd;

[…]

Afwijking termijnen

Er is ruimte om (gemotiveerd) van bovengenoemde leidraad af te wijken. De korpschef kan indien het gaat om een (toekomstig) vergunninghouder een kortere periode hanteren als de aard of de ernst van de verweten gedragingen, de kans op recidive, de recente persoonlijke ontwikkelingen van de betrokkene, de pleegdatum of eventuele disculperende omstandigheden dat toelaten. Zo hoeft bijvoorbeeld een incidentele veroordeling wegens rijden onder invloed, of een lichte onregelmatigheid met betrekking tot de naleving van de aan een vergunning verbonden voorschriften en beperkingen, niet zonder meer te leiden tot intrekking of weigering van een vergunning maar kan dit, afhankelijk van de omstandigheden, worden afgedaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing.

[…]

ad b. (andere omtrent de aanvrager bekende feiten)

[…]

Psychische gesteldheid

In beginsel is het niet verantwoord om aan iemand die - door oorzaken van zowel interne, als externe aard - onder sterke psychische druk staat, wat tot uitdrukking komt in een onvoorspelbaar gedragspatroon of (bijvoorbeeld) alcohol- en drugsmisbruik en waarbij de indruk bestaat dat de vergunninghouder zichzelf niet in de hand heeft, het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie toe te vertrouwen. In het bezit van een vuurwapen zou de vergunninghouder een gevaar zijn voor zichzelf en voor de openbare orde en veiligheid. Indien de aanvrager of vergunninghouder - in tegenstelling tot de korpschef - van mening is dat het voorhanden hebben van wapens en munitie wel aan hem kan worden toevertrouwd dan dient hij dit aan te tonen middels een schriftelijke verklaring van een arts/psychiater. Uit deze verklaring moet duidelijk blijken dat de arts/psychiater bekend is met de problemen van betrokkene en dat deze niet (langer) een belemmering vormen om aan betrokkene een vergunning te verlenen voor het voorhanden hebben van (vuur)wapens.

Risicofactoren betreffende de psychische gesteldheid van aanvragers of houders van een wapenverlof met het oog op potentieel misbruik van een (legaal) vuurwapen zijn:

• Klinische factoren (psychische stoornis, verslaving, gedwongen opname, forensische zorg en suïcidale gedachten);

• Stressvolle omstandigheden (problemen in relationele sfeer, problemen in de arbeidssfeer of opleiding, gebrekkig sociaal steunsysteem en stressvolle levensomstandigheden);

• Specifieke kenmerken van de aanvrager (agressie, crimineel gedrag, impulsiviteit en zelfregulatie, zelfstandige handelingsbekwaamheid, fascinatie voor geweld, extreme uitingen en/of uitingen van radicalisering).