Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:392

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-02-2016
Datum publicatie
17-02-2016
Zaaknummer
201503682/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2015:1544, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 maart 2014 heeft het college de stichting omgevingsvergunning verleend voor het gebruik van het gebouw aan de Brinkhoekweg 200 te Zwolle (hierna: het perceel) als leslocatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2016-0039
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503682/1/A1.

Datum uitspraak: 17 februari 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Deltion College, gevestigd te Zwolle,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 27 maart 2015 in

zaak nr. 14/2558 in het geding tussen:

de stichting

en

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle.

Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2014 heeft het college de stichting omgevingsvergunning verleend voor het gebruik van het gebouw aan de Brinkhoekweg 200 te Zwolle (hierna: het perceel) als leslocatie.

Bij besluit van 26 augustus 2014 heeft het college het door [belanghebbende A] en [belanghebbende B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [belanghebbende]) daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 5 maart 2014 herroepen.

Bij uitspraak van 27 maart 2015 heeft de rechtbank het door de stichting daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de stichting hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 januari 2016, waar de stichting, vertegenwoordigd door G.H. Daling, bijgestaan door mr. R.S. Wertheim, advocaat te Zwolle, en het college, vertegenwoordigd door H.C.S. van Dop, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], bijgestaan door mr. A.T. Onbelet, verschenen.

Overwegingen

1. De stichting huurt sinds maart 2013 van voetbalvereniging HTC het perceel op doordeweekse dagen voor de opleiding Veiligheid & Vakmanschap (hierna: de opleiding). Binnen deze opleiding worden studenten opgeleid voor een baan als beroepsmilitair. Op 28 november 2013 heeft de stichting een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor het gebruik van de bestaande faciliteiten op het perceel, waaronder de sportvelden, om onderwijsactiviteiten, bestaande uit theorielessen en buitenactiviteiten, uit te voeren. Bij besluit van 5 maart 2014 heeft het college de stichting omgevingsvergunning verleend voor het gebruik van het gebouw op het perceel als leslocatie. In de begeleidende brief bij dat besluit heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het gebruik van de sportvelden door studenten van de stichting in overeenstemming is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Berkum" (hierna: het bestemmingsplan).

[belanghebbende] woont naast het perceel en stelt geluidsoverlast te ondervinden van de activiteiten van de stichting op de sportvelden. Voorheen werd het perceel alleen in de avonden en het weekend gebruikt door de voetbalvereniging. Ook stelt [belanghebbende] overlast te ondervinden van de verkeersbewegingen van de studenten van de opleiding. Volgens [belanghebbende] bestaan de buitenactiviteiten op de sportvelden uit andere activiteiten dan bij sporten gebruikelijk is. Het college heeft bij besluit van 26 augustus 2014 het bezwaar van [belanghebbende] gegrond verklaard en het besluit van 5 maart 2014 herroepen. Het college stelt zich daarin op het standpunt dat de buitenactiviteiten van de studenten op de sportvelden in strijd zijn met het bestemmingsplan.

2. De stichting betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de buitenactiviteiten op de sportvelden niet in strijd zijn met het bestemmingsplan. Dit betekent volgens de stichting dat voor het gebruik van de sportvelden geen omgevingsvergunning is vereist. De stichting voert aan dat zij alleen gebruik van de sportvelden voor sportactiviteiten heeft aangevraagd. Het college heeft ten onrechte uit informatie van na de aanvraag afgeleid dat de stichting de sportvelden in het kader van de beroepsopleiding wil gebruiken voor militaire oefeningen, niet zijnde sportactiviteiten, aldus de stichting. Ter zitting heeft de stichting betoogd dat het lesprogramma voor een opleiding tot beroepsmilitair voor 90% gelijk is aan dat voor een opleiding tot sportleraar.

2.1. Ingevolge het bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming "Sportdoeleinden S".

Ingevolge artikel 10.1 van de planvoorschriften zijn de op de plankaart met "S" voor sportdoeleinden aangewezen gronden bestemd voor:

a. sportterreinen;

b. gebouwen ten behoeve van sportvoorzieningen, zoals een kantine.

2.2. Op het aanvraagformulier van 28 november 2013 staat als projectomschrijving het gebruik van het perceel door medemerkers en studenten van de stichting. Als beoogd gebruik is op het formulier onder meer vermeld dat de sportvelden door de studenten zullen worden gebruikt om sport te beoefenen. In de begeleidende brief bij het aanvraagformulier staat dat de stichting het perceel op werkdagen huurt om onderwijsactiviteiten uit te voeren, die bestaan uit theorielessen en sportactiviteiten. Vier groepen van 25 personen maken na de les/instructie gebruik van de sportvelden. De studenten dragen geen militair tenue als zij van de sportvelden gebruik maken. De begeleiding vindt plaats door instructeurs en sportdocenten. Het aanvraagformulier en de begeleidende brief vormen tezamen de aanvraag om omgevingsvergunning (hierna: de aanvraag).

2.3. Naar aanleiding van een zienswijze van [belanghebbende] heeft de stichting het college bij brief van 15 januari 2014 een toelichting gegeven op het beoogde gebruik van het perceel. Bij die brief is een kaart gevoegd waarop is weergegeven dat de stichting de sportvelden wil gebruiken voor buitenfitness en hindernisactiviteiten.

Tussen de stichting en het college heeft naar aanleiding van het bezwaarschrift van [belanghebbende] een gesprek plaatsgevonden op 18 juni 2014. Blijkens het verslag van die bespreking heeft de stichting naar voren gebracht dat de studenten de sportvelden onder meer gebruiken voor het uitzetten van een observatiepost, marcheren, commando’s krijgen, duurloop doen, met bepakking lopen en in de houding staan. Volgens de stichting zijn de activiteiten erop gericht dat de studenten voldoen aan de normen die het ministerie van Defensie stelt aan een beroepsmilitair.

2.4. In de planvoorschriften noch de plantoelichting is een uitleg gegeven van het begrip sportterrein. Nu het begrip sportterrein niet is gedefinieerd in de planvoorschriften, dient aansluiting te worden gezocht bij hetgeen in het algemeen spraakgebruik daaronder wordt verstaan. Volgens het "Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal" wordt onder het begrip "sportterrein" verstaan "terrein waar men de sport beoefenen kan en voor sportwedstrijden". Voorts wordt volgens Van Dale onder "sport" begrepen "het geheel van activiteiten die erop gericht zijn om de fysieke en/of mentale prestaties door middel van training en wedstrijden te verbeteren, zoals roeien, fietsen, zwemmen, schaatsenrijden, worstelen, voetballen enzovoorts". Dat geen definitiebepaling van een sportterrein is opgenomen in het bestemmingsplan, betekent, anders dan de stichting betoogt, niet dat dit begrip dermate ruim moet worden uitgelegd dat buitenactiviteiten, zoals hindernis-activiteiten, observatieposten uitzetten, marcheren, commando’s krijgen, duurloop doen, met bepakking lopen en in de houding staan door studenten van de opleiding, die onder begeleiding van instructeurs van de opleiding plaatsvinden, daaronder vallen.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de opleiding tot militair op de desbetreffende locatie ook andere buitenactiviteiten omvat dan alleen sportactiviteiten. Daarbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat in het aanvraagformulier weliswaar is vermeld dat het beoogde gebruik van de sportvelden het beoefenen van sport is, maar dat de stichting in het aanvraagformulier en de begeleidende brief ook heeft vermeld dat zij het perceel wil gebruiken voor het bieden van onderwijs aan studenten van de opleiding, die de studenten voorbereidt op een baan als beroepsmilitair. De rechtbank heeft, anders dan de stichting betoogt, bij haar oordeel dat de beoogde buitenactiviteiten tevens een educatief militair karakter hebben, het gespreksverslag van 18 juni 2014 kunnen betrekken. Daarin staat dat de studenten op de sportvelden onder meer observatieposten uitzetten, marcheren, commando’s krijgen, duurloop doen, met bepakking lopen en in de houding staan. Anders dan de stichting betoogt, maakt de omstandigheid dat in de begeleidende brief bij het aanvraagformulier is vermeld dat de studenten geen militair tenue op de sportvelden dragen en in het gespreksverslag staat dat de studenten wel een militair tenue op de sportvelden dragen, niet dat de rechtbank het gespreksverslag niet bij haar oordeel heeft kunnen betrekken.

Anders dan de stichting betoogt, leidt het gegeven dat bij de beoefening van sport - al dan niet in de vorm van educatie - ook geluidsoverlast kan optreden, niet tot het oordeel dat de buitenactiviteiten, anders dan sport, geen andere ruimtelijke uitstraling hebben dan het sporten op een sportterrein. Dat bij de bestemming "Bos BO" het gebruik van gronden en bouwwerken voor militaire oefening expliciet is uitgesloten, maakt, anders dan de stichting betoogt, niet dat bij de bestemming "Sportdoeleinden S" militaire oefeningen zijn toegestaan. Reeds nu de stichting niet nader heeft gemotiveerd dat het lesprogramma voor een opleiding tot beroepsmilitair voor 90% gelijk is aan het programma voor een opleiding tot sportleraar, kan dit betoog niet tot het oordeel leiden dat de onderhavige buitenactiviteiten niet in strijd zijn met het bestemmingsplan.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet alle beoogde buitenactiviteiten als sport op een sporterrein kunnen worden aangemerkt en dat die activiteiten derhalve in strijd zijn met de ter plaatse geldende bestemming "Sportdoeleinden S".

Het betoog faalt.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, griffier.

w.g. Wortmann w.g. Graaff-Haasnoot

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2016

531-761.