Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:391

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-02-2016
Datum publicatie
17-02-2016
Zaaknummer
201504586/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 oktober 2014 heeft de minister het verzoek van de VvE om handhavend op te treden wegens geluidhinder van het verkeer op de rijksweg A73 bij Beesel afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet milieubeheer
Wet geluidhinder
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/168
JM 2016/66 met annotatie van F. Arents
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201504586/1/A4.

Datum uitspraak: 17 februari 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging Vereniging van Eigenaars Domaine de Villers aan de Waterlooseweg te Beesel (hierna: de VvE), gevestigd te Beesel,

appellante,

en

de minister van Infrastructuur en Milieu,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 oktober 2014 heeft de minister het verzoek van de VvE om handhavend op te treden wegens geluidhinder van het verkeer op de rijksweg A73 bij Beesel afgewezen.

Bij besluit van 28 april 2015 heeft de minister het door de VvE hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft de VvE beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 december 2015, waar de VvE, vertegenwoordigd door mr. H.P.J.G. Berkers, ir. E.R. Sterringa en drs. ing. L.A. Rijk, en de minister, vertegenwoordigd door mr. E.C.M. Schippers, advocaat te Den Haag, ir. P.S.J. Flapper, ing. E.J.C. Francois, dr. A.Y. Kok en L.T.A. Slabbers, allen werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De VvE betoogt dat de minister haar verzoek om handhavend op te treden wegens geluidhinder vanwege het wegverkeer op de rijksweg A73 bij Beesel ten onrechte heeft afgewezen. Daartoe voert zij aan dat uit een door haar overgelegd geluidrapport van HMB van 23 april 2010 blijkt dat de krachtens de Wet geluidhinder vastgestelde hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege de rijksweg A73 worden overschreden. De minister zou tegen overschrijding van die waarden moeten optreden.

1.1. Per 1 juli 2012 is de regeling in de Wet geluidhinder inzake geluidzones langs wegen gewijzigd. Ingevolge artikel 73, aanhef en onder a, van deze wet zijn de hierop betrekking hebbende bepalingen alleen nog van toepassing op wegen die niet zijn aangegeven op de geluidplafondkaart (dit is een kaart waarop staat aangegeven op welke (spoor)wegen de bepalingen van titel 11.3 van de Wet milieubeheer van toepassing zijn).

1.2. De rijksweg A73 is aangegeven op de geluidplafondkaart. Daarom zijn op het vanwege deze weg veroorzaakte geluid niet langer de in de Wet geluidhinder gestelde regels van toepassing, maar de bepalingen van titel 11.3 van de Wet milieubeheer. De minister heeft in zijn verweerschrift terecht betoogd dat hieruit volgt dat aan de krachtens de Wet geluidhinder vastgestelde hogere waarden geen betekenis meer toekomt. Reeds hierom was de minister niet bevoegd om handhavend op te treden ter zake van de gestelde overschrijding van die hogere waarden.

1.3. Ingevolge artikel 11.19 van de Wet milieubeheer gelden voor referentiepunten langs de rijksweg A73 geluidproductieplafonds. De geluidproductieplafonds zijn grenswaarden voor de gemiddelde geluidbelasting over de periode van een jaar.

De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat uit een verslag met betrekking tot de naleving van de geluidproductieplafonds in het kalenderjaar 2013 blijkt dat het nabij het gebouw van de VvE geldende geluidproductieplafond niet wordt overschreden. Volgens de minister is in dit verslag de jaargemiddelde geluidbelasting overeenkomstig de wettelijk voorgeschreven rekenmethode berekend. De VvE heeft niet gesteld dat de jaargemiddelde geluidbelasting op onjuiste wijze is berekend. Verder is evenmin aannemelijk gemaakt dat de situatie ter plaatse nadien zodanig is gewijzigd, dat alsnog een overschrijding van het geluidproductieplafond is opgetreden. Hetgeen in deze procedure is aangevoerd, geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de minister ten onrechte stelt dat geen overtreding plaatsvindt.

De minister was ook in zoverre niet bevoegd om handhavend op te treden.

1.4. De conclusie is dat de minister het verzoek om handhavend op te treden terecht heeft afgewezen, en deze afwijzing bij zijn bestreden besluit op bezwaar terecht heeft gehandhaafd.

2. Het beroep is ongegrond.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. Sorgdrager, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, griffier.

w.g. Sorgdrager w.g. Van der Zijpp

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2016

262-784.