Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:380

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-02-2016
Datum publicatie
17-02-2016
Zaaknummer
201504161/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:4119, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 juli 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek van [appellant] om herziening van zijn recht op kinderopvangtoeslag over 2007, 2008 en 2009 afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201504161/1/A2.

Datum uitspraak: 17 februari 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 april 2015 in zaak nrs. 14/8505, 14/8523, 14/8524 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek van [appellant] om herziening van zijn recht op kinderopvangtoeslag over 2007, 2008 en 2009 afgewezen.

Bij besluit van 9 februari 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 april 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 januari 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. T. Altindag en S. Yücel, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, werkzaam bij die dienst, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij besluit van 2 oktober 2010 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aanspraak van [appellant] op kinderopvangtoeslag over 2007 herzien en op nihil gesteld.

2. Bij onderscheiden besluiten van 20 juni 2009, gehandhaafd bij besluit van 10 september 2010, heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellant] toegekende voorschotten kinderopvangtoeslag over 2008 en 2009 herzien en op nihil gesteld. De Afdeling heeft bij uitspraak van 25 januari 2012 in zaak nr. 201106930/1/A2 uiteindelijk geoordeeld dat die nihilstelling terecht is.

3. [appellant] heeft de Belastingdienst/Toeslagen verzocht om herziening van zijn recht op kinderopvangtoeslag over 2007, 2008 en 2009. De Belastingdienst/Toeslagen heeft het verzoek voor alle drie de jaren afgewezen.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de dienst het verzoek terecht heeft afgewezen.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de Belastingdienst/Toeslagen zijn verzoek ten onrechte niet aan artikel 21a van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) heeft getoetst. Dat artikel 21a van de Awir alleen van toepassing is op beschikkingen met een dagtekening gelegen na 31 december 2010 betekent, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet dat het besluit van 2 oktober 2010 niet kan worden herzien, nu de mogelijkheid van herziening voor die datum al in artikel 21 van de Awir was vastgelegd, aldus [appellant]. Bovendien heeft de rechtbank bij haar oordeel dat artikel 21a van de Awir niet van toepassing is op voorschotbeschikkingen, zodat het verzoek om herziening van de voorschotbesluiten over 2008 en 2009 volgens haar evenmin aan artikel 21a van de Awir getoetst kan worden, miskend dat die voorschotbesluiten als definitieve vaststellingen moeten worden aangemerkt, omdat de dienst de termijn voor het nemen van die besluiten, neergelegd in artikel 19 van de Awir, heeft overschreden, aldus [appellant].

Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte de door hem aangevoerde gronden, waaruit volgens hem blijkt dat de aan hem toegekende tegemoetkomingen te laag zijn vastgesteld, onbesproken heeft gelaten.

4.1. In artikel 21a van de Awir is bepaald dat de Belastingdienst/Toeslagen in bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen een toegekende of herziene tegemoetkoming die onherroepelijk is geworden herziet in het voordeel van de belanghebbende.

De in artikel 21a van de Awir bedoelde ministeriële regeling is de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Uitvoeringsregeling Awir).

Ingevolge artikel 5a, van de Uitvoeringsregeling Awir herziet de Belastingdienst/Toeslagen in het voordeel van de belanghebbende een toegekende of herziene tegemoetkoming die onherroepelijk is geworden zodra de Belastingdienst/Toeslagen is gebleken dat die tegemoetkoming op een te laag bedrag is vastgesteld, tenzij:

[…]

4.2. Niet in geschil is dat artikel 21a van de Awir alleen van toepassing is op besluiten met een dagtekening na 31 december 2010. Dit betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat deze bepaling niet van toepassing is op het verzoek om herziening van het besluit van 2 oktober 2010, dat betrekking heeft op toeslagjaar 2007. Anders dan [appellant] betoogt, is artikel 21 van de Awir, zoals dat luidde vóór 31 december 2010, evenmin op dit verzoek van toepassing, nu die bepaling voorzag in een herziening van een tegemoetkoming ten nadele van de belanghebbende.

4.3. Anders dan [appellant] stelt betekent de omstandigheid dat de Belastingdienst/Toeslagen zijn recht op toeslag over de jaren 2008 en 2009 niet binnen de in artikel 19 van de Awir neergelegde termijnen heeft vastgesteld, niet dat de voorschotbesluiten daarom als definitieve vaststellingen moeten worden aangemerkt. De vaststelling van de tegemoetkoming dient, indien deze vooraf is gegaan door een voorschotbesluit, te geschieden bij een separaat besluit waartegen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. De rechtbank heeft, gelet hierop, terecht overwogen dat artikel 21a van de Awir evenmin van toepassing is op het verzoek om herziening van de voorschotten kinderopvangtoeslag die zien op de toeslagjaren 2008 en 2009.

4.4. Nu artikel 21a van de Awir, en daarmee ook artikel 5a van de Uitvoeringsregeling Awir, niet van toepassing is op het herzieningsverzoek van [appellant] over de jaren 2007, 2008 en 2009, heeft de rechtbank, anders dan [appellant] betoogt, terecht de door hem aangevoerde gronden, waaruit volgens hem zou blijken dat de hem toegekende tegemoetkomingen over die jaren te laag zijn vastgesteld, onbesproken gelaten.

4.5. Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen van het horen in bezwaar heeft mogen afzien.

5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld uitspraak van 28 januari 2009 in zaak nr. 200805565/1), vormt het horen een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftenprocedure. Van horen mag met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht slechts worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gemaakte bezwaren niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden. De beslissing om die bepaling toe te passen dient te worden genomen op grond van hetgeen in het bezwaarschrift is aangevoerd.

Nu het herzieningsverzoek en het bezwaarschrift beogen om artikel 21a van de Awir toe te passen en deze bepaling kennelijk toepassing mist, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen van horen heeft mogen afzien. Dat, naar [appellant] stelt, uit beleid van de Belastingdienst/Toeslagen volgt dat een bezwaarschrift tegen een terugvorderingsbeschikking nooit kennelijk ongegrond kan zijn, zodat zijn bezwaar ook om die reden niet kennelijk ongegrond had mogen worden verklaard, kan niet tot een ander oordeel leiden, reeds omdat zijn bezwaar niet was gericht tegen een terugvorderingsbeschikking.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Ouwehand, griffier.

w.g. Borman w.g. Ouwehand

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2016

752.