Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:363

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-02-2016
Datum publicatie
17-02-2016
Zaaknummer
201504452/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 maart 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Kernen gemeente Simpelveld" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2016/2715
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201504452/1/R1.

Datum uitspraak: 17 februari 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], wonend te Simpelveld,

2. [appellante sub 2], wonend te Bocholtz, gemeente Simpelveld,

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Simpelveld,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 maart 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Kernen gemeente Simpelveld" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1], [appellante sub 2] en [appellant sub 3] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 december 2015, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigden], [appellante sub 2], bijgestaan door [gemachtigde], [appellant sub 3], bijgestaan door mr. F.Y. Gans, advocaat te Maastricht, en de raad, vertegenwoordigd door drs. S. Vreuls-Essers, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellante sub 1]

2. Het beroep van [appellante sub 1] richt zich tegen de in het plan voorziene mogelijkheid om te wonen op het perceel [locatie 1] te Simpelveld. Dit perceel is gelegen aan de achterkant van de percelen [locatie 2] en [locatie 3], waarvan [appellante sub 1] de eigenaresse is.

3. [appellante sub 1] betoogt dat onduidelijk is sinds wanneer het perceel [locatie 1] wordt bewoond. Voorts stelt [appellante sub 1] dat het plan in strijd met beleidsuitgangspunten voorziet in de mogelijkheid van woningsplitsing en toevoeging van een woning aan de woningvoorraad.

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het op grond van het vorige bestemmingsplan "Kern Simpelveld", vastgesteld op 10 juni 2010, was toegestaan het perceel [locatie 1] te gebruiken voor bewoning. Volgens de raad werd de woning op het perceel [locatie 1] al geruime tijd voor de inwerkingtreding van het bestreden plan bewoond.

3.2. Het perceel [locatie 1] is gelegen op gronden met de bestemming "Gemengd". Aan de noordwestelijke zijde grenst het perceel aan het perceel [locatie 4]. Het perceel [locatie 1] heeft een eigen voordeur. De toegang tot het perceel vindt plaats via een recht van overpad.

Ingevolge artikel 1, lid 1.22, van de planregels wordt onder "bestaand" verstaan bestaand ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan.

Ingevolge lid 1.135 wordt onder "woning/wooneenheid" verstaan een (gedeelte) van een gebouw dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

Ingevolge artikel 10, lid 10.1.1, onder j, zijn de voor "Gemengd" aangewezen gronden bestemd voor bestaande woningen.

3.3. Nu de bestemming "Gemengd" onder meer is bestemd voor bestaande woningen, dient te worden beoordeeld of ten tijde van de vaststelling van het plan sprake was van een bestaande woning op het perceel [locatie 1].

Het perceel [locatie 1] is medio 2010 betrokken in een inventarisatie in het kader van de Wet Basisadministraties Adressen en Gebouwen (BAG). Dit heeft ertoe geleid dat op 26 januari 2012 is geregistreerd dat het adres wordt bewoond. De raad heeft onbetwist gesteld dat de bewoning is voortgezet. Hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat geen sprake is van huisvesting voor een afzonderlijk huishouden in de zin van het plan. Derhalve laat het plan bewoning van het perceel toe.

3.4. Voor de bebouwing op het perceel [locatie 1] is bij besluit van 23 februari 1976 een bouwvergunning verleend.

In het vorige bestemmingsplan "Kern Simpelveld" was de bestemming "Gemengd" toegekend.

Ingevolge artikel 10, lid 10.1, onder a, van de planregels van het vorige bestemmingsplan waren de voor "Gemengd" aangewezen gronden onder meer bestemd voor wonen.

Uit de planregels van het vorige bestemmingsplan volgde niet dat op het perceel [locatie 1] geen zelfstandige bewoning was toegestaan. Derhalve was het gebruik van het perceel [locatie 1] voor zelfstandige bewoning in overeenstemming met het vorige bestemmingsplan. Dat anders dan in het bestreden plan in het vorige bestemmingsplan geen huisnummer op de verbeelding was ingetekend, is niet relevant.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden plan wat betreft het perceel [locatie 1] geen woningsplitsing en geen toevoeging van een woning aan de woningvoorraad tot gevolg heeft, zodat er geen gevolg is voor de woningvoorraad.

Het betoog faalt.

4. [appellante sub 1] betoogt dat het gebruik van het perceel [locatie 1] voor bewoning privaatrechtelijke conflicten tot gevolg kan hebben, omdat toegang tot het perceel [locatie 1] slechts mogelijk is via de achteruitgang van het perceel [locatie 4], waarvoor een recht van overpad geldt.

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het perceel [locatie 1] een eigen toegang heeft.

4.2. Aan bestaande privaatrechtelijke verhoudingen komt uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening geen doorslaggevende betekenis toe. Dit is slechts anders indien op voorhand duidelijk is dat deze verhoudingen aan de verwezenlijking van de bestemming binnen de planperiode van tien jaar in de weg staan. Voor het oordeel van de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de vaststelling en de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan in de weg staat, is slechts aanleiding wanneer deze een evident karakter heeft. [appellante sub 1] heeft niet onderbouwd waarom het recht van overpad niet kan worden uitgeoefend. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding om uit te gaan van een privaatrechtelijke belemmering die in de weg staat aan de realisering van het plan. Het betoog faalt.

5. [appellante sub 1] betoogt dat de planologische regeling voor het perceel [locatie 1] waardedaling van haar panden op de percelen [locatie 2] en [locatie 3] tot gevolg heeft.

5.1. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de panden van [appellante sub 1] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. Het betoog faalt.

6. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 1] ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 2]

7. Het beroep van [appellante sub 2] richt zich tegen het ontbreken van duidelijke beperkingen aan de hoogte van woonbebouwing in de omgeving van haar perceel [locatie 5] te Bocholtz. De gebouwen in de omgeving zijn woningen, uitgezonderd een klein gebouw voor de nutsvoorziening.

8. [appellante sub 2] betoogt dat in de planregels ten onrechte niet is bepaald dat een zolder en dakopbouw een bouwlaag zijn. Zij is van mening dat vanwege de definities van bouwlaag, zolder en dakopbouw en het ontbreken van een maximale hoogte van een bouwlaag niet vaststaat hoe hoog in de omgeving kan worden gebouwd. Volgens haar biedt de planregeling geen duidelijkheid, mede gezien artikel 21, lid 21.2.8, van de bouwregels.

8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de maximale bouwhoogte van woningen wordt bepaald door de in de verbeelding aangegeven maximale goot- en bouwhoogte. Bij het vaststellen van de maximale bouwhoogte voor de woningen in de omgeving van het perceel van [appellante sub 2] is de raad uitgegaan van de bestaande situatie.

8.2. Ingevolge artikel 1, lid 1.31, van de planregels wordt onder een bouwlaag verstaan een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw, zolder, dakopbouw of setback en borstwering.

Ingevolge lid 1.40 wordt onder een dakopbouw verstaan een constructie ter vergroting van een gebouw, die zich tussen de dakgoot en de nok van dat gebouw bevindt en die in één of beide dakvlak(ken) is (zijn) geplaatst.

Ingevolge lid 1.144 wordt onder een zolder verstaan een ruimte in een gebouw die hoofdzakelijk is (zijn) afgedekt met schuine daken.

Ingevolge artikel 2, lid 2.2, van de planregels is de bouwhoogte van een bouwwerk de afstand vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

Ingevolge lid 2.9 is het peil:

a. voor bouwwerken, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van het midden van de hoofdtoegang, vermeerderd met 0,30 m;

b. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende maaiveld of het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het midden van de hoofdtoegang, vermeerderd met 0,30 m.

Ingevolge artikel 21, lid 21.2.2, onder i, van de planregels mag de bouwhoogte van een woning niet meer bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding "maximale goot-, bouwhoogte (m) en maximum bebouwingspercentage (%)".

Ingevolge lid 21.2.8, onder b, mag de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, maximaal 4,00 m bedragen.

8.3. Het perceel van [appellante sub 2] is gelegen te midden van andere percelen met de bestemming "Wonen". Op de verbeelding is voor de bouwvlakken van deze percelen de maximale goothoogte en de maximale bouwhoogte aangegeven. De Wet ruimtelijke ordening en de daarop gebaseerde regelgeving verplichten er niet toe dat in een bestemmingsplan wordt bepaald dat een zolder en/of een dakopbouw vallen onder het begrip bouwlaag. Wat betreft de verwijzing door [appellante sub 2] naar de uitspraak van de Afdeling van 8 augustus 1996, inzake nr. H01.95.0548 (BR 1997, p. 37), overweegt de Afdeling dat die uitspraak betrekking heeft op een bouwvergunning. In die zaak was niet de vraag aan de orde of in een bestemmingsplan een zolder en/of dakopbouw vallen onder het begrip bouwlaag.

Dat in de planregeling, zoals [appellante sub 2] terecht stelt, geen maximale hoogte voor een bouwlaag is vastgesteld, neemt niet weg, dat voor de percelen in de omgeving van haar perceel de bouwhoogte volgt uit artikel 21, lid 21.2.2, onder i, in samenhang met artikel 2, lid 2.9, van de planregels. De bouwhoogte geldt voor het gehele gebouw inclusief eventuele zolder en/of dakopbouw. Uitgezonderd zijn alleen ondergeschikte bouwonderdelen. De regeling in artikel 21, lid 21.2.8, onder b, van de bouwhoogte voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde, heeft geen gevolg voor de regeling voor de hoogte van een gebouw.

In hetgeen [appellante sub 2] aanvoert, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de regeling voor de bouwhoogte geen duidelijke beperkingen bevat en in strijd is met de rechtszekerheid. Het betoog faalt.

9. [appellante sub 2] betoogt dat de planologische regeling voor de bouwhoogtes waardedaling van haar woning tot gevolg heeft.

Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellante sub 2] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. Het betoog faalt.

10. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 2] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3]

11. [appellant sub 3] exploiteert het [horecabedrijf] op het perceel [locatie 6] te Simpelveld. Haar beroep heeft betrekking op de gevolgen van het plan voor de exploitatie van het horecabedrijf. Verder richt zij zich tegen de haars inziens te beperkte mogelijkheden voor andere functies op het perceel.

12. [appellant sub 3] betoogt dat in het bestreden besluit niet op alle punten uit de zienswijze is ingegaan.

Artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken. Het betoog faalt.

13. [appellant sub 3] betoogt dat de functies horeca, detailhandel en wonen voor haar pand behouden dienen te blijven. De bestemming van het feitelijke gebruik van het perceel houdt voor [appellant sub 3] een beperking van de mogelijkheden in.

13.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de huidige bedrijfsvoering van het horecabedrijf kan worden voortgezet.

13.2. Het perceel [locatie 6] heeft de bestemming "Gemengd", de aanduiding "horeca" en de gebiedsaanduiding "wetgevingszone - wijzigingsgebied 5". De toegestane bouwhoogte is 4 m.

Ingevolge artikel 10, lid 10.1, van de planregels zijn de voor "Gemengd" aangewezen gronden bestemd voor:

a. bedrijven van categorie 1 en 2, als genoemd in de bij deze regels behorende bijlage 1 (Staat van bedrijfsactiviteiten), uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "bedrijf van categorie 1 en 2";

d. detailhandel, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "detailhandel";

e. horeca van categorie 1, 2 en 3, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "horeca";

j. bestaande woningen.

13.3. In het vorige bestemmingsplan "Kern Simpelveld", vastgesteld op 10 juni 2010, was aan het perceel [locatie 6] de bestemming "Gemengd" alsmede de aanduiding "horeca" toegekend. De toegestane bouwhoogte was 4 m.

Ingevolge artikel 10, lid 10.1, van de planregels van het bestemmingsplan "Kern Simpelveld" waren de voor "Gemengd" aangewezen gronden bestemd voor de volgende doeleinden:

a. wonen;

g. detailhandel, ter plaatse van de aanduiding "detailhandel";

h. horeca categorie 1, 2 en 3, ter plaatse van de aanduiding "horeca".

13.4. De Afdeling stelt vast dat de toegekende bestemming "Gemengd" en de aanduiding "horeca" het mogelijk maken dat de huidige bedrijfsvoering wordt voortgezet. De bestemmingsomschrijving staat ook de uitoefening van andere vormen van horeca categorie 1, 2 en 3 als vermeld in de planregels toe.

In het vorige bestemmingsplan "Kern Simpelveld" was aan het perceel [locatie 6] geen aanduiding "detailhandel" toegekend, zodat geen detailhandel kon worden uitgeoefend.

Op grond van het vorige bestemmingsplan was het toegestaan het perceel [locatie 6] te gebruiken voor bewoning. Aangezien op het perceel geen woning is gerealiseerd en de bestemmingsomschrijving niet voorziet in de mogelijkheid van een nieuwe woning, biedt het plan in zoverre minder mogelijkheden dan het vorige bestemmingsplan. Aan een voorheen geldend bestemmingsplan kunnen in het algemeen geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. In dit geval heeft de raad als beleidsuitgangspunt vastgesteld dat vanwege de bevolkingskrimp geen woningtoevoegingen mogelijk worden gemaakt en binnen de bestemming "Gemengd" alleen bestaande woningen zijn toegestaan. In het aangevoerde bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat dit uitgangspunt onredelijk is.

Uit het beroepschrift blijkt dat [appellant sub 3] beoogt haar horecabedrijf voort te zetten. Zij heeft niet aangegeven een concreet plan voor de uitoefening van detailhandel of horeca categorie 4 of 5 dan wel voor het realiseren van een woning op het perceel [locatie 6] te hebben. Derhalve is er geen sprake van voldoende concrete voornemens waarmee de raad bij de vaststelling van het plan rekening had kunnen houden. Het betoog faalt.

14. [appellant sub 3] betoogt dat, nu de bestemming "Centrum" meer geconcentreerd wordt rondom het Kloosterplein, het Oranjeplein in de schil rond het centrum komt te liggen, waardoor de aantrekkingskracht van het Oranjeplein en de omgeving daarvan voor bedrijven zal verminderen.

14.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in het vorige bestemmingsplan al de keuze is gemaakt voor een compacter centrum. In het bestreden plan komt het plandeel met de bestemming "Centrum" overeen met het plandeel met de bestemming "Centrum" uit het vorige bestemmingsplan. De raad is voorts van mening dat het met het oog op de leefbaarheid van de kern Simpelveld nodig is om de onbenutte overcapaciteit van detailhandel en horeca in te perken, omdat de bestaande ontwikkeling van afname van de bevolking zich de komende jaren zal voortzetten. De raad heeft in dit verband gewezen op de in de plantoelichting en het verweerschrift genoemde beleidsstukken, onder meer de na het vorige plan tot stand gekomen Retailstructuurvisie Parkstad Limburg 2010-2020, de Regionale Woonstrategie 2012-2020 en het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014.

14.2. In de Retailstructuurvisie Parkstad Limburg 2010-2020, de Regionale Woonstrategie 2012-2020 en het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 wordt aangegeven dat de stadsregio Parkstad Limburg, waarin het plangebied gelegen is, te maken heeft met een significante afname van de bevolking. Het uitgangspunt van de raad om in verband hiermee de onbenutte mogelijkheden voor detailhandel en horeca niet in het plan over te nemen, is in overeenstemming met het in genoemde stukken neergelegde beleid om terughoudend te zijn met nieuwe mogelijkheden voor detailhandel en horeca om leegstand zoveel mogelijk te voorkomen. De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk. Hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de raad had moeten terugkomen op zijn in het vorige bestemmingsplan neergelegde beleid om de omvang van de bestemming "Centrum" beperkt te houden en onbenutte overcapaciteit van detailhandel en horeca in te perken. Het betoog faalt.

15. [appellant sub 3] betoogt voorts dat de in artikel 31, lid 31.6, van de planregels neergelegde wijzigingsbevoegdheid een beperking inhoudt van haar mogelijkheden, omdat hiermee de onbenutte detailhandel en horecamogelijkheden worden wegbestemd. Zij is voorts van mening dat, nu voor de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid een termijn van vijf jaar geldt, er te strenge voorwaarden zijn voor de in de wijzigingsbevoegdheid aangegeven mogelijkheden om detailhandel en horeca toe te staan.

15.1. Ingevolge artikel 31, lid 31.6, van de planregels is het college van burgemeester en wethouders bevoegd ter plaatse van de aanduiding "wetgevingszone - wijzigingsgebied 5" het plan te wijzigen om ruimere functies voor horeca en of detailhandel toe te staan door de aanduiding "horeca" dan wel "detailhandel" toe te voegen, met in achtneming van de volgende voorwaarden:

a. de initiatiefnemer moet zelf verzoeken om horeca en of detailhandel te realiseren;

b. de initiatiefnemer moet aannemelijk maken dat horeca en of detailhandel daadwerkelijk wordt gerealiseerd.

15.2. De Afdeling stelt vast dat in het geval van [appellant sub 3] geen sprake is van het wegbestemmen van mogelijkheden voor detailhandel en horeca. Zoals hiervoor is overwogen, was in het vorige bestemmingsplan aan het perceel [locatie 6] immers niet de aanduiding "detailhandel" toegekend en is in het in geding zijnde plan de aanduiding "horeca" gehandhaafd.

Wat betreft de voorwaarden voor de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid overweegt de Afdeling dat de in artikel 31, lid 31.6, van de planregels neergelegde wijzigingsbevoegdheid niet is gebonden aan een termijn van vijf jaar. Weliswaar wordt, zoals de raad heeft aangegeven in de plantoelichting een termijn van vijf jaar genoemd, maar daaraan is geen gevolg gegeven in genoemde planregel. Verder heeft de ter zitting door de raad genoemde mogelijkheid van intrekking na een termijn van vijf jaar van niet ingevulde bouwmogelijkheden voor wooneenheden, zoals neergelegd in artikel 33, lid 33.3, van de planregels, geen betrekking op het perceel van [appellant sub 3], waar het plan niet voorziet in wooneenheden.

Nu [appellant sub 3] voor het overige geen concrete bezwaren met betrekking tot de wijzigingsbevoegdheid heeft genoemd, is er geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de wijzigingsbevoegdheid heeft kunnen vaststellen.

Het betoog faalt.

16. [appellant sub 3] betoogt dat niet ten aanzien van alle ondernemers dezelfde regeling is getroffen. Zij wijst erop dat voor bijvoorbeeld de ondernemers aan de Vroenhofstraat de bestemming "Detailhandel" is gehandhaafd. Voorts betoogt [appellant sub 3] dat voor het naastgelegen perceel Schilterstraat 1 de mogelijkheid is opgenomen om na beëindiging van het bedrijf een woning te realiseren. Zij is van mening dat voor haar perceel die mogelijkheid ook moet worden opgenomen.

16.1. In het vorige bestemmingsplan was aan de tegenover de kerk gelegen percelen in het zuidelijke deel van de Vroenhofstraat de bestemming "Gemengd" toegekend. Aan de meest westelijk gelegen percelen in het zuidelijke deel was de aanduiding "horeca" toegekend en aan de daarnaast gelegen percelen de aanduiding "detailhandel". Het meest oostelijk gelegen perceel had geen aanduiding. Ter zitting heeft de raad onweersproken gesteld dat het plan voor de percelen in het zuidelijke deel van de Vroenhofstraat overeenkomt met de feitelijke situatie. Nu zoals in 13.4 is aangeven voor het perceel van [appellant sub 3] de op grond van het vorige bestemmingsplan toegestane en gerealiseerde situatie is bestemd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld.

Het perceel Schilterstraat 1 had in het vorige bestemmingsplan de bestemming "Gemengd" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - mortuarium". In het bestreden plan heeft het perceel de bestemming "Gemengd" en de aanduidingen "specifieke vorm van bedrijf - mortuarium" en "specifieke vorm van wonen - woningtoevoeging". Onbetwist is dat een mortuarium aanwezig is en dat feitelijk geen woning aanwezig is. De aanduiding "specifieke vorm van wonen - woningtoevoeging" in het bestreden plan heeft tot gevolg dat de onbenutte mogelijkheid voor realisatie van een woning uit het vorige bestemmingsplan wordt gehandhaafd. De raad heeft ter zitting toegelicht dat in de plantoelichting van het vorige bestemmingsplan voor drie percelen waaronder het perceel Schilterstraat 1, is gewezen op de mogelijkheid een niet-woonfunctie om te zetten in een woonfunctie en hieraan medewerking te verlenen. Gezien de relatief korte tijd tussen de vaststelling van het vorige bestemmingsplan en het bestreden plan bestond volgens de raad aanleiding om rekening te houden met de in de plantoelichting opgewekte verwachtingen. Nu [appellant sub 3] niet heeft gesteld dat ten aanzien van haar vergelijkbare specifieke verwachtingen zijn gewekt, is er naar het oordeel van de Afdeling in zoverre een relevant verschil ten opzichte van het perceel Schilterstraat 1.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt.

17. [appellant sub 3] betoogt dat het bestemmingsplan de parkeerproblemen in de omgeving van haar pand niet oplost. In dit verband heeft zij erop gewezen dat het voor het mortuarium bestemde verkeer bijdraagt aan de parkeerdruk. In dit verband heeft zij gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 18 juni 2014, inzake nr. 201308584/1/A1.

17.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat er voldoende parkeergelegenheid is in Simpelveld. In dit verband is in de plantoelichting gewezen op het Gemeentelijk verkeer- en vervoersplan (hierna: GVVP), dat eind 2013 is vastgesteld. Volgens het GVVP zijn er in Simpelveld geen structurele parkeerproblemen, omdat knelpunten zijn opgelost door de infrastructuur aan te passen of door regulering in de vorm van blauwe zones.

17.2. In de uitspraak van 18 juni 2014, inzake nr. 201308584/1/A1, is beslist over het hoger beroep in de procedure over de bij besluit van 2 november 2007 verleende vrijstelling van het bestemmingsplan voor het gebruik van het perceel Schilterstraat 1 voor een mortuarium en de in verband hiermee bij besluit van 22 mei 2008 verleende bouwvergunning. In die uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet draagkrachtig heeft gemotiveerd waarom het krachtens artikel 2.5.30, vierde lid, onder a, van de bouwverordening bevoegd is ontheffing te verlenen van de verplichting om op het perceel voldoende parkeergelegenheid te realiseren. In het beroep over de vaststelling van het bestemmingsplan staan de verleende vrijstelling en bouwvergunning alsmede de daaropvolgende besluitvorming als zodanig niet ter beoordeling.

Het mortuarium is als zodanig bestemd in het vorige bestemmingsplan en is feitelijk aanwezig. Nu het horecabedrijf en het mortuarium naast elkaar zijn gelegen is aannemelijk dat nabijgelegen parkeerplaatsen door bezoekers en medewerkers van beide bedrijven zullen worden gebruikt. Daaruit volgt echter niet dat sprake is van een ernstig tekort aan parkeerplaatsen. Onbetwist is dat het plan een overwegend consoliderend karakter heeft. [appellant sub 3] heeft afgezien van de aanwezigheid van het mortuarium niet gewezen op omstandigheden waardoor parkeren in de omgeving van haar bedrijf een probleem vormt. In hetgeen [appellant sub 3] aanvoert, ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid ervan heeft kunnen uitgaan, dat het plan geen ernstige gevolgen voor de parkeerdruk tot gevolg heeft. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het bestreden plan niet hoeft te voorzien in een oplossing van een bestaand tekort aan parkeerplaatsen. Het betoog faalt.

18. [appellant sub 3] betoogt dat de waarde van haar perceel [locatie 6] zal dalen door de in het plan voorziene ontwikkelingen.

Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van het perceel [locatie 6] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. Het betoog faalt.

19. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 3] ongegrond.

Proceskosten

20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, griffier.

w.g. Van Ettekoven

voorzitter

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2016

191.