Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:354

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-02-2016
Datum publicatie
10-02-2016
Zaaknummer
201504017/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2015:2039, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 september 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201504017/1/V1.

Datum uitspraak: 5 februari 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 21 april 2015 in zaak nr. 14/27090 in het geding tussen:

[vreemdeling 1], [vreemdeling 2], [vreemdeling 3] en [vreemdeling 4] en [vreemdeling 5] (hierna: de vreemdelingen)

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 28 november 2014 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij besluit van 17 december 2014 heeft de staatssecretaris het besluit van 28 november 2014 ingetrokken en het door de vreemdelingen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 21 april 2015 heeft de rechtbank het tegen het besluit van 17 december 2014 door de vreemdelingen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. S.B. Kleerekooper, advocaat te Hoenderloo, hebben een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De vreemdelingen hebben een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in het kader van de Regeling langdurig verblijvende kinderen (hierna: de Regeling). Zij hebben een beroep gedaan op de van de Regeling deel uitmakende definitieve regeling, ten tijde van de aanvraag neergelegd in paragraaf B9/6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000).

De vreemdelingen vormen een gezin bestaande uit vader (hierna: vreemdeling 1), moeder (hierna: vreemdeling 2), een meerderjarige zoon en een minderjarige zoon en dochter. Zij hebben bij hun aanvraag de minderjarige zoon (hierna: vreemdeling 3) aangemerkt als hoofdpersoon.

2. Volgens paragraaf B9/6 van de Vc 2000, zoals luidend ten tijde van de aanvraag, verleent de staatssecretaris een verblijfsvergunning aan een vreemdeling die in het kader van de Regeling als hoofdpersoon kan worden beschouwd en die voldoet aan de in de Regeling weergegeven vereisten. De staatssecretaris verleent ook een verblijfsvergunning aan gezinsleden die deel uitmaken van het gezin van de vreemdeling (de hoofdpersoon) aan wie een verblijfsvergunning wordt verleend, tenzij de feitelijke gezinsband inmiddels is verbroken.

De staatssecretaris verleent vorenbedoelde verblijfsvergunning niet als bij de hoofdpersoon of een gezinslid sprake is van een of meer van de in paragraaf B9/6.2, onder a tot en met f, weergegeven contra-indicaties, zoals die ten tijde van de beoordeling van de aanvraag worden geconstateerd. Een van die contra-indicaties (e) houdt in dat de desbetreffende vreemdeling niet heeft meegewerkt aan zijn vertrek (hierna: de contra-indicatie).

De staatssecretaris neemt aan dat de vreemdeling heeft meegewerkt aan zijn vertrek als hij aannemelijk maakt dat hij zich, met het oog op zijn vertrek, heeft gewend tot:

1. de vertegenwoordiging van de eigen autoriteiten of die van een ander land waartoe toegang kan worden verkregen;

2. de Internationale Organisatie voor Migratie (hierna: de IOM), en deze organisatie heeft aangegeven dat zij niet in staat is het vertrek te realiseren om redenen gelegen buiten de invloedssfeer van de desbetreffende vreemdeling; en

3. de Dienst Terugkeer en Vertrek (hierna: de DT&V), ten behoeve van facilitering bij het verkrijgen van de vereiste (reis)documenten, en deze dienst heeft aangegeven dat dit niet is geslaagd om redenen gelegen buiten de invloedssfeer van de desbetreffende vreemdeling.

3. In zijn grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij onvoldoende heeft gemotiveerd wanneer en op welke wijze aan de vreemdelingen kon worden tegengeworpen dat zij niet hebben meegewerkt aan hun vertrek. Daartoe voert de staatssecretaris aan dat de rechtbank in haar oordeel het onderscheid tussen de vertrekplicht en de invulling van het beleidsmatig begrip 'meewerken aan vertrek' niet heeft onderkend en een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de in geding zijnde contra-indicatie, als gevolg waarvan de rechtbank niet van de juiste beoordelingsperiode is uitgegaan. Volgens de staatssecretaris mocht hij van de vreemdelingen in ieder geval vanaf de afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd redelijkerwijs verwachten dat zij, in afwachting van en anticiperend op de mogelijke uitkomst van het beroep, zelfstandig voorbereidingen voor vertrek zouden hebben verricht. Dit klemt temeer nu de vreemdelingen verscheidene malen door de DT&V waren uitgenodigd voor een gesprek in het kader van het voorbereiden van hun vertrek, aldus de staatssecretaris. Uit het advies van de DT&V van 24 september 2014 blijkt volgens hem dat de vreemdelingen niet willen meewerken aan vertrek.

3.1. Onder verwijzing naar de uitspraak van 29 juni 2015 in zaak nr. 201500480/1/V1 wordt overwogen dat de staatssecretaris in de periode vanaf de afwijzing van hun asielaanvragen bij besluiten van 9 februari 2010, verzonden op 12 februari 2010, tot de gegrondverklaring van hun hoger beroep in de asielprocedure bij uitspraak van de Afdeling van 12 november 2012 van de vreemdelingen medewerking aan hun vertrek mocht verlangen. Dat de besluiten tot afwijzing van de asielaanvragen van de vreemdelingen en de uitspraak van de rechtbank in de asielprocedure in hoger beroep geen stand hebben gehouden, zodat opnieuw op de asielaanvragen moet worden beslist, doet niet af aan het feit dat de vreemdelingen in voornoemde periode rekening moesten houden met de mogelijkheid dat de afwijzing van hun asielaanvragen zou worden bevestigd. De staatssecretaris heeft hun medewerking aan vertrek gevorderd door de vreemdelingen uit te nodigen voor vertrekgesprekken.

3.2. Volgens het advies van de DT&V van 24 september 2014 (hierna: het advies) hebben de vreemdelingen 1 en 2 in alle vertrekgesprekken met de DT&V te kennen gegeven dat zij niet zelfstandig zullen terugkeren naar Georgië en hebben zij herhaaldelijk gezegd dat zij niet zullen meewerken aan vrijwillige, zelfstandige terugkeer. Voorts volgt uit het advies dat de vreemdelingen 1 en 2 zijn gewezen op de mogelijkheid van ondersteuning door de IOM bij terugkeer, maar dat zij hiervan geen gebruik hebben gemaakt. De vreemdelingen hebben dit niet bestreden. Geen grond bestaat voor het oordeel dat de staatssecretaris dit advies niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen.

Uit het voorgaande volgt dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdelingen niet hebben meegewerkt aan hun vertrek, zodat de contra-indicatie zich voordoet.

De grief slaagt.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 17 december 2014 toetsen in het licht van de daartegen voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

5. De vreemdelingen hebben aangevoerd dat de staatssecretaris in het besluit van 17 december 2014 ten onrechte niet heeft bezien of de bijzondere omstandigheid dat zij zich nog in hun eerste asielprocedure bevinden aanleiding geeft tot afwijking van zijn beleid.

5.1. De vreemdelingen hebben er zelf voor gekozen hangende hun asielprocedure een aanvraag op grond van de Regeling in te dienen en te laten beoordelen of aan de in dat kader geldende voorwaarden voor vergunningverlening is voldaan. Niet valt in te zien dat de omstandigheid dat opnieuw op de asielaanvragen van de vreemdelingen moet worden beslist, afdoet aan de in de Regeling gestelde voorwaarden en contra-indicaties. Voorts volgt ook uit hetgeen hiervoor onder 3.1. is overwogen dat deze beroepsgrond faalt.

6. De vreemdelingen hebben verder aangevoerd dat zij ten onrechte niet de beschikking hebben gekregen over de aan het advies van de DT&V ten grondslag gelegde stukken en dat zij hierdoor in hun verdedigingsbelang zijn geschaad.

6.1. Vaststaat dat de vreemdelingen kort voor de zitting bij de rechtbank alsnog de beschikking hebben gekregen over de aan het advies van de DT&V ten grondslag gelegde stukken en dat de rechtbank deze stukken op verzoek van de vreemdelingen buiten haar beoordeling heeft gelaten. Gelet hierop behoeft deze beroepsgrond verder geen bespreking.

7. De vreemdelingen hebben voorts aangevoerd dat de staatssecretaris, mede gelet op het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: het IVRK), onvoldoende aandacht heeft besteed aan hun beroep op het door artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) beschermde recht op respect voor het privéleven. Zij wijzen in dit verband op de worteling van vreemdeling 3 in Nederland en op de medische situatie van vreemdeling 1.

7.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 13 november 2013 in zaak nr. 201207970/1/V3) volgt uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens - onder meer de arresten Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006, nr. 50435/99, Osman tegen Denemarken van 14 juni 2011, nr. 38058/09, Nunez tegen Noorwegen van 28 juni 2011, nr. 55597/09, en Butt tegen Noorwegen van 4 december 2012, nr. 47017/09, (hierna: het arrest Butt) (www.echr.coe.int) - en de jurisprudentie van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juli 2009 in zaak nr. 200903237/1/V2 - dat bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op respect voor het privéleven onderscheidenlijk het familie- en gezinsleven een fair balance moet worden gevonden tussen het belang van de betrokken vreemdeling en diens familie enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend met het voeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken.

Uit het arrest Butt kan voorts worden afgeleid dat zwaarwegende redenen van migratiebeleid in beginsel aanleiding zijn het gedrag van de ouders van een vreemdeling aan de desbetreffende vreemdeling toe te rekenen, in verband met het risico dat ouders gebruikmaken van de positie van hun kinderen om een verblijfsrecht te verkrijgen. Indien de desbetreffende vreemdeling dan wel diens ouders konden - althans hadden moeten - weten dat het verblijfsrecht van die vreemdeling onzeker was, bestaat slechts onder bijzondere omstandigheden reden voor de conclusie dat op grond van artikel 8 van het EVRM een verplichting bestaat tot het laten voortzetten van het privéleven onderscheidenlijk familie- en gezinsleven.

7.2. De rechter dient te beoordelen of de staatssecretaris alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, indien dit het geval is, of de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een fair balance tussen enerzijds het belang van de vreemdeling bij de uitoefening van het privéleven en familie- en gezinsleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Deze maatstaf impliceert dat de toetsing door de rechter enigszins terughoudend dient te zijn.

7.3. Zoals de Afdeling voorts eerder heeft overwogen (onder meer bij uitspraken van 7 februari 2012 in zaak nr. 201103064/1/V2 en 23 augustus 2012 in zaak nr. 201100449/1/V1), heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat het eerste lid van artikel 3 van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient door de bestuursrechter in dit verband te worden getoetst of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze toets heeft een terughoudend karakter.

7.4. Niet in geschil is dat geen van de vreemdelingen ooit rechtmatig verblijf hier te lande heeft gehad op grond van een verblijfsvergunning. De vreemdelingen konden gelet op het vorenstaande weten dat hun verblijfspositie onzeker was, zodat slechts onder bijzondere omstandigheden reden bestaat voor de conclusie dat op grond van artikel 8 van het EVRM een verplichting bestaat tot het laten voortzetten van het privéleven in Nederland.

Voor het oordeel dat de staatssecretaris zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van vreemdeling 3 bestaat geen grond. De staatssecretaris heeft niet ten onrechte de omstandigheid dat vreemdeling 3 sedert 2009 in Nederland verblijft, hier naar school gaat en sociale banden heeft opgebouwd en in Nederland geworteld is geraakt, niet als bijzondere omstandigheid aangemerkt, nu dit gebruikelijk is bij langdurig verblijf van minderjarige kinderen. De staatssecretaris heeft voorts in de medische situatie van vreemdeling 1 niet ten onrechte geen reden gezien om aan te nemen dat vreemdeling 1 voor uitoefening van zijn privéleven gebonden is aan Nederland. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het Bureau Medische Advisering in het kader van een verzoek om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 te kennen heeft gegeven dat vreemdeling 1 in staat is om te reizen onder voorwaarden en dat in het land van herkomst de noodzakelijke medische behandeling mogelijk is.

In het licht van het vorenstaande heeft de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM in het nadeel van de vreemdelingen uitvalt.

De beroepsgrond faalt.

8. De vreemdelingen hebben aangevoerd dat de staatssecretaris zich in het besluit van 17 december 2014 ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat reeds omdat de lopende asielprocedure niet is ingetrokken de aanvraag op grond van de Regeling moet worden afgewezen.

8.1. De staatssecretaris heeft hangende beroep te kennen gegeven dat de tegenwerping dat de asielprocedure niet is ingetrokken ten onrechte in het besluit op bezwaar is opgenomen en heeft alle overwegingen in dat besluit, die hierop betrekking hebben, laten vervallen en het besluit voor het overige gehandhaafd. Aangezien de resterende motivering van het besluit dat besluit kan dragen is de beroepsgrond weliswaar terecht voorgedragen, maar kan deze niet leiden tot het ermee beoogde doel.

De beroepsgrond faalt.

9. De vreemdelingen hebben tenslotte aangevoerd dat de staatssecretaris ten onrechte van het horen in bezwaar heeft afgezien. Zij voeren daartoe aan dat gelet op de bijzondere omstandigheden van hun geval geen sprake is geweest van een kennelijk ongegrond bezwaar.

9.1. Van het horen mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de motivering van het besluit van 29 september 2014 en hetgeen de vreemdelingen daartegen in bezwaar hebben aangevoerd, is aan voormelde maatstaf voldaan.

De beroepsgrond faalt.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 21 april 2015 in zaak nr. 14/27090;

III. verklaart het door de vreemdelingen in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Hanrath

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2016

392.