Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3515

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-12-2016
Datum publicatie
04-01-2017
Zaaknummer
201509383/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 mei 2015 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201509383/1/V2.

Datum uitspraak: 30 december 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 26 november 2015 in zaak nr. 15/11272 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 13 mei 2015 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 26 november 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A. Kurt, advocaat te 's-Hertogenbosch, heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De vreemdeling is afkomstig uit Irak. Een eerder aan haar verleende asielvergunning is ingetrokken. Die intrekking staat in rechte vast. Aan haar huidige asielaanvraag heeft de vreemdeling ten grondslag gelegd dat zij is bekeerd tot het christendom en dat zij daardoor bij terugkeer naar Irak een gegronde vrees heeft voor vervolging, dan wel een reƫel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. In hoger beroep is aan de orde of de staatssecretaris deugdelijk heeft gemotiveerd dat die bekering ongeloofwaardig is.

2. De in de eerste twee grieven opgeworpen rechtsvraag heeft de Afdeling beantwoord in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2016:3502. Hieruit volgt dat de grieven slagen.

3. In zijn derde grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij zijn standpunt over de geloofwaardigheid van de bekering van de vreemdeling niet deugdelijk heeft gemotiveerd.

3.1. Bij zijn beoordeling van de geloofwaardigheid van een bekering kan de staatssecretaris doorslaggevend gewicht toekennen aan de motieven voor en het proces van die bekering (uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2801). Dit geldt in deze zaak temeer, nu de vreemdeling afkomstig is uit Irak, waar een bekering tot een andere dan de daar gangbare geloofsovertuiging maatschappelijk onacceptabel is (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 23 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:888).

3.2. De staatssecretaris heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat van de vreemdeling mag worden verwacht dat zij inzicht geeft in haar motieven voor en het proces van haar bekering en dat zij dit, met haar verklaringen over hoe zij met het geloof in aanraking is gekomen en door onder meer te verklaren dat het geloof de beste afleiding was omdat zij verder niets te doen had, niet heeft gedaan. Over de overweging van de rechtbank, dat de vreemdeling over haar motieven heeft verklaard door te verklaren dat het geloof voor haar een laatste redmiddel was en zij daardoor is gestopt met drugs, voert de staatssecretaris terecht aan dat uit het advies van het Bureau Medische Advisering van 16 oktober 2012 volgt dat de vreemdeling reeds in 2012 met drugs is gestopt, terwijl zij stelt in 2013 of 2014 te zijn bekeerd. De staatssecretaris heeft er voorts terecht op gewezen dat de vreemdeling heeft verklaard dat zij regelmatig kerkdiensten bijwoont, maar niet kan aangeven wie die kerkdiensten verzorgt en wat er tijdens die diensten wordt gezegd en ook anderszins nauwelijks over de inhoud van die kerkdiensten kan verklaren. Ten slotte heeft de staatssecretaris er terecht op gewezen dat de vreemdeling, die heeft verklaard dat zij de bijbel bestudeert, slechts enkele zeer algemene bijbelverhalen kent en niet in staat is haar favoriete verhaal te benoemen.

3.3. Met de overgelegde stukken, waaronder een rapport van stichting Gave van 7 mei 2015 en een e-mail van een diaken van 11 september 2015, heeft de vreemdeling voormelde onduidelijkheden niet weggenomen. De reactie van stichting Gave op de besluitvorming van de staatssecretaris maakt dat, gelet op hetgeen onder 3.2. is overwogen, niet anders. Over dergelijke stukken heeft de Afdeling voorts eerder overwogen dat deze kunnen dienen ter staving van een gestelde bekering van een vreemdeling, maar onverlet laten dat die vreemdeling (ook) tegenover de staatssecretaris overtuigende verklaringen af moet kunnen leggen over zijn bekering en het proces dat daartoe heeft geleid (zie voormelde uitspraak van de Afdeling van vandaag, en de uitspraken van 12 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4174, en 5 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1911). Gelet op hetgeen onder 3.2. is overwogen is de vreemdeling daarin niet geslaagd.

3.4. De grief slaagt.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Ten aanzien van het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 13 mei 2015 overweegt de Afdeling dat, voor zover met het vorenoverwogene niet op de bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden is beslist, aan deze gronden niet wordt toegekomen. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van de bij de rechtbank bestreden besluiten waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 26 november 2015 in zaak nr. 15/11272;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Van Loon

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 december 2016

791.