Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3508

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-12-2016
Datum publicatie
04-01-2017
Zaaknummer
201608134/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 oktober 2016 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201608134/1/V3.

Datum uitspraak: 29 december 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 24 oktober 2016 in zaak nr. 16/22909 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 6 oktober 2016 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 24 oktober 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. P.E.J.M. Bartels, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De vreemdeling is op 15 september 2016 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000). Op 6 oktober 2016 heeft hij een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Daarop heeft de staatssecretaris de maatregel van 15 september 2016 opgeheven en de vreemdeling in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Daaraan voorafgaand heeft de staatssecretaris de vreemdeling gehoord.

2. In de eerste grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het gehoor van 6 oktober 2016 voldoet aan de door de Afdeling in de uitspraak van 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:949, gestelde eisen en dat de staatssecretaris voldoende actief heeft onderzocht of sprake was van gewijzigde omstandigheden ten opzichte van de eerder opgelegde maatregel van bewaring.

Daartoe betoogt de vreemdeling, samengevat weergegeven, dat de rechtbank niet heeft onderkend dat uit het proces-verbaal van het gehoor van 6 oktober 2016 noch uit de motivering van de maatregel van bewaring van die datum blijkt dat de staatssecretaris hem heeft gevraagd of actief heeft onderzocht of zich gewijzigde omstandigheden voordeden ten opzichte van de eerder opgelegde maatregel van bewaring. De stukken met betrekking tot die maatregel bevinden zich niet in het dossier, zodat de rechtbank ook niet op grond daarvan deugdelijk heeft kunnen beoordelen of de staatssecretaris voldoende actief heeft onderzocht of zich gewijzigde omstandigheden voordeden. Volgens de vreemdeling vormt de door hem ingediende asielaanvraag reeds een gewijzigde omstandigheid. Hij betoogt dat aan de maatregel van bewaring een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek kleeft, omdat de staatssecretaris heeft nagelaten voldoende kennis te vergaren over de af te wegen belangen in het kader van het opleggen van een lichter middel.

2.1. Uit de voormelde uitspraak van de Afdeling van 30 maart 2016 en de memorie van toelichting bij de wijziging van de Vw 2000 (Kamerstukken II 2014/15, 34 088, nr. 3, blz. 35), volgt dat een krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 opgelegde maatregel van bewaring niet kan worden aangemerkt als een voortzetting van een eerder krachtens artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000 opgelegde maatregel en omgekeerd. De maatregel van 6 oktober 2016 is derhalve een nieuwe maatregel ten opzichte van de maatregel van 15 september 2016.

Uit de voormelde uitspraak van 30 maart 2016 volgt ook dat de staatssecretaris voorafgaand aan een zodanige nieuwe maatregel van bewaring moet onderzoeken of zich, ten opzichte van de recente voorgaande gehoren, nieuwe of nog niet eerder door de vreemdeling gestelde bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot zijn persoonlijke belangen voordoen die tot het oordeel kunnen leiden dat in zijn geval met toepassing van een lichter middel moet worden volstaan. Aan deze onderzoeksplicht kan de staatssecretaris voldoen door de vreemdeling in persoon te horen. De staatssecretaris mag de vreemdeling echter ook eerst in de gelegenheid stellen kenbaar te maken of er nieuwe of nog niet eerder door hem gestelde bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot zijn persoonlijke belangen zijn en bij een bevestigend antwoord de vreemdeling daarover nader in persoon horen.

In dit geval heeft de staatssecretaris de vreemdeling voorafgaand aan de inbewaringstelling op 6 oktober 2016 gehoord. Uit het proces-verbaal van dat gehoor blijkt niet dat de staatssecretaris de vreemdeling in de gelegenheid heeft gesteld kenbaar te maken of zich nieuwe of nog niet eerder gestelde bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot zijn persoonlijke belangen voordeden die tot het oordeel konden leiden dat met toepassing van een lichter middel moest worden volstaan. Evenmin blijkt uit het proces-verbaal dat de staatssecretaris de vreemdeling duidelijk heeft gemaakt dat het aan hem was om eventuele zodanige feiten of omstandigheden aan te voeren. Ten slotte blijkt niet uit het proces-verbaal dat de staatssecretaris, in plaats van of in aanvulling op deze voorlichting, zelf concrete vragen over mogelijke bijzondere feiten of omstandigheden heeft gesteld. De door de vreemdeling gegeven antwoorden hebben namelijk geen betrekking op zijn gezondheidssituatie, eventueel in Nederland aanwezige familieleden en daarmee samenhangende zorgtaken en andere persoonlijke belangen die de inbewaringstelling onevenredig zouden kunnen maken (vergelijk overweging 1.2. van de uitspraak van de Afdeling van 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:424).

De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat het gehoor van 6 oktober 2016 voldoet aan de door de Afdeling in de uitspraak van 30 maart 2016 gestelde eisen en dat de staatssecretaris voldoende actief heeft onderzocht of sprake was van gewijzigde omstandigheden ten opzichte van de eerder opgelegde maatregel van bewaring. Dat geldt te meer nu het dossier geen processen-verbaal van de gehoren voorafgaand aan de maatregel van 15 september 2016 bevat en zich daarin wel een medisch Advies horen en beslissen van de Forensisch Medische Maatschappij Utrecht van 14 oktober 2016 bevindt, waaruit blijkt dat de vreemdeling medische klachten heeft en is doorverwezen naar de medische dienst.

Nu de staatssecretaris niet heeft betoogd dat de vreemdeling door het gebrek in het gehoor niet in zijn belangen is geschaad, komt de Afdeling niet toe aan de beantwoording van de vraag of dit gebrek, dat als een schending van het verdedigingsbeginsel kan worden aangemerkt, de vreemdeling daadwerkelijk de mogelijkheid heeft ontnomen om zich zodanig te verweren dat de besluitvorming een andere afloop had kunnen hebben (vergelijk het arrest van het Hof van Justitie van 10 september 2013, C-383/13 PPU, M.G. en N.R., punten 39 tot en met 41, 44 en 45; ECLI:EU:C:2013:533).

De grief slaagt.

3. Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. De tweede grief behoeft daarom geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 6 oktober 2016 van de staatssecretaris alsnog gegrond verklaren. Nu de vrijheidsontnemende maatregel reeds is opgeheven, kan een daartoe strekkend bevel achterwege blijven. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000 na te melden vergoeding toegekend over de periode van 6 oktober 2016 tot 25 oktober 2016, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven.

4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 24 oktober 2016 in zaak nr. 16/22909;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 1520,00 (zegge: vijftienhonderdtwintig euro), ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1488,00 (zegge: veertienhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, griffier.

w.g. Sevenster w.g. Van Laar

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 december 2016

551.