Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3501

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-12-2016
Datum publicatie
28-12-2016
Zaaknummer
201603073/1/V6
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 februari 2015 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Nationaliteitsrecht 2017/847
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201603073/1/V6.

Datum uitspraak: 28 december 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 14 maart 2016 in zaak nr. 15/5410 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris (lees: de minister) van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 16 februari 2015 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 15 september 2015 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 maart 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 november 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. F.L.M. van Haren, advocaat te Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door drs. J.M. Sidler, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Onder de minister wordt tevens zijn rechtsvoorganger verstaan.

2. De minister heeft zich in het besluit van 16 februari 2015 op het standpunt gesteld dat voor vreemdelingen afkomstig uit Afghanistan geldt dat bij de indiening van een verzoek om verlening van het Nederlanderschap een geboorteakte of een identiteitsbewijs (taskera) moet worden overgelegd. De minister heeft het verzoek afgewezen, omdat [appellant] bij de indiening ervan niet één van deze documenten heeft overgelegd en zijn identiteit derhalve niet is komen vast te staan. Voorts heeft [appellant] volgens de minister niet aangetoond in bewijsnood te verkeren.

3. [appellant] betoogt dat hij behoort tot de Sikhs en dat hij daarom geen toegang heeft tot de overheidsdiensten van Afghanistan. Onder verwijzing naar een rapport van de United Nations High Commissioner for Refugees (hierna: de UNHCR) van 19 april 2016 over asielzoekers uit Afghanistan, HCR/EG/AFG/16/02, bladzijden 52 en 53, voert hij aan dat de positie van de Sikhs in Afghanistan dermate gemarginaliseerd is, dat in redelijkheid niet kan worden verondersteld dat Sikhs in staat zijn om vanuit Nederland een taskera te verkrijgen. Tevens verwijst [appellant] in dit verband naar een artikel in Trouw, waarvan hij een niet gedateerde kopie heeft overgelegd en waarin is vermeld dat de minister aan de Tweede Kamer heeft toegezegd dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst vreemdelingen die door het generaal pardon een verblijfsvergunning hebben verkregen maar nog niet zijn genaturaliseerd, wil helpen bij het verkrijgen van de voor naturalisatie vereiste documenten. Hij voert aan dat de minister hem ten onrechte niet heeft geholpen.

3.1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

Ingevolge artikel 23 kunnen bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur nadere regelen worden gesteld ter uitvoering van de RWN.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, aanhef en onder a en b, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap (hierna: het Besluit) verstrekt de verzoeker met betrekking tot zichzelf bij de indiening van het naturalisatieverzoek, voor zoveel mogelijk, gegevens met betrekking tot zijn geslachtsnaam en voornaam of voornamen en geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland.

Ingevolge het vijfde lid kan de autoriteit die het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt, alsook de minister, verlangen dat de verzoeker de juistheid van de verstrekte gegevens bewijst door middel van zonodig gelegaliseerde en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten.

Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN (hierna: de Handleiding) moet de verzoeker in beginsel een geldig buitenlands reisdocument en buitenlandse akten van de burgerlijke stand, waaronder een buitenlandse geboorteakte, overleggen. Van het vereiste van het overleggen van gelegaliseerde uit het buitenland afkomstige documenten stelt de minister vrij de verzoeker die in bewijsnood verkeert. Bewijsnood doet zich volgens de Handleiding voor indien de registers van de burgerlijke stand in het land waar de documenten vandaan moeten komen niet bestaan of onvolledig zijn en wanneer in dat land geen stukken kunnen worden verkregen door de op dat moment bestaande politieke situatie.

3.2. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 1 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV2474) volgt dat de verzoeker die betoogt dat hij in bewijsnood verkeert, moet aantonen dat hij al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van de gevraagde documenten.

Voorts volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 27 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ2546), dat de minister van Afghaanse verzoekers mag verwachten dat zij bij hun naturalisatieverzoek een taskera overleggen in plaats van een geboorteakte.

3.3. Uit de door [appellant] genoemde passage van het rapport van de UNHCR van 19 april 2016 blijkt dat Sikhs in Afghanistan te maken hebben met discriminatie en intimidatie als het gaat om deelname aan het politiek proces en het verkrijgen van overheidsbanen en onvoldoende bescherming zouden krijgen bij geschillen over eigendom van onroerende zaken.

3.4. Uit de hiervoor weergegeven informatie volgt niet dat [appellant] niet in staat is om vanuit Nederland een taskera aan te vragen, dan wel door (professionele) derden te laten aanvragen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat [appellant] een verzoek om hem een taskera te verstrekken bij de Afghaanse autoriteiten heeft ingediend, dat deze autoriteiten hem daarbij hebben geholpen, dat niet is gebleken van een weigering een taskera te verstrekken, dan wel van enige verklaring van de autoriteiten die inhoudt dat en waarom is geweigerd een taskera te verstrekken. Een door [appellant] overgelegde ongedateerde verklaring van [persoon] dat hij geen antwoord heeft ontvangen op zijn in november 2014 bij de Afghaanse autoriteiten ingediende verzoek om afgifte van een taskera aan [appellant], is onvoldoende om een zodanige weigering aanwezig te achten. Evenmin is gebleken dat [appellant] bij de Afghaanse autoriteiten navraag heeft gedaan of laten doen naar de voortgang van de behandeling van zijn verzoek. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] niet al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van een taskera. Het door [appellant] overgelegde artikel in Trouw doet er in het licht van het hetgeen hiervoor onder 3.2 is overwogen niet aan af dat het aan hem is om aan te tonen dat hij voldoet aan de in artikel 31 van het Besluit neergelegde eisen voor het verkrijgen van het Nederlanderschap.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, griffier.

w.g. Parkins-de Vin

lid van de enkelvoudige kamer

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 28 december 2016

164.