Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3493

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-12-2016
Datum publicatie
28-12-2016
Zaaknummer
201507024/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 juli 2015, kenmerk 2014-010529, heeft het college aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend voor het exploiteren van een geitenhouderij aan [locatie] in Rossum, gemeente Maasdriel.

Wetsverwijzingen
Natuurbeschermingswet 1998
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2017/7688 met annotatie van G. van den End
JOM 2017/4
JBO 2017/5 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Jurisprudentie Grondzaken 2017/129 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Jurisprudentie Grondzaken 2017/145 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201507024/1/R2.

Datum uitspraak: 28 december 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de stichting Stichting Dorp en Landschap Bommelerwaard, gevestigd in Brakel, gemeente Zaltbommel (hierna: de stichting),

2. de vereniging Vereniging Gelderse Natuur en Milieufederatie, gevestigd in Arnhem (hierna: de vereniging),

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 juli 2015, kenmerk 2014-010529, heeft het college aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend voor het exploiteren van een geitenhouderij aan [locatie] in Rossum, gemeente Maasdriel.

Tegen dit besluit hebben de stichting en de vereniging beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De stichting, de vereniging en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 augustus 2016, waar de stichting, vertegenwoordigd door P.R.M. van Haren, bijgestaan door mr. J.E. Dijk, advocaat te Haarlem, de vereniging, vertegenwoordigd door A.H. Stoltenborg, en het college, vertegenwoordigd door P.F.H.A. Tillie en A. Fopma, zijn verschenen. Voorts is ter zitting gehoord [vergunninghouder], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. P.P.A. Bodden, advocaat te Nijmegen.

Overwegingen

Inleiding

1. Aan de [locatie] in Rossum is een varkenshouderij gevestigd. Dit agrarische bedrijf ligt op ongeveer 1.100 meter van het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied "Rijntakken". [vergunninghouder] heeft op 15 juli 2014, laatstelijk aangevuld op 18 februari 2015, een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 ingediend voor het wijzigen van de varkenshouderij in een geitenhouderij. De vergunning is bij besluit van 24 juli 2015 verleend. De stichting en de vereniging hebben tegen dit besluit beroep ingesteld. Zij vrezen dat als gevolg van het bestreden besluit de natuurlijke kenmerken van de in de omgeving van de veehouderij gelegen Natura 2000-gebieden zullen worden aangetast.

Wettelijk kader

2. Ingevolge artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 is het verboden zonder vergunning projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten.

Ingevolge artikel 19f, eerste lid, maakt de initiatiefnemer voor projecten waarover gedeputeerde staten een besluit op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, nemen, en die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens gedeputeerde staten een besluit nemen, een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied. Ingevolge artikel 19g, eerste lid, kan, indien een passende beoordeling is voorgeschreven op grond van artikel 19f, eerste lid, een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, slechts worden verleend indien gedeputeerde staten zich op grond van de passende beoordeling ervan hebben verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast.

Het besluit

3. Het college heeft bij het bestreden besluit een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 verleend voor het exploiteren van een geitenhouderij aan [locatie] in Rossum. De vergunning heeft betrekking op een veebestand van 5.100 geiten ouder dan 1 jaar met een ammoniakemissie van 9.690 kg per jaar. Voor de exploitatie van de bestaande varkenshouderij aan de [locatie] is eerder een vergunning op grond van de Nbw 1998 verleend voor een veebestand met een ammoniakemissie van 2.795,3 kg per jaar.

Blijkens de vergunningaanvraag leidt de aangevraagde situatie tot een toename van stikstofdepositie op voor stikstofgevoelige habitats in het Natura 2000-gebied "Rijntakken" ten opzichte van de krachtens de Nbw 1998 vergunde situatie. Vanwege deze depositietoename is een passende beoordeling als bedoeld in artikel 19f, eerste lid, van de Nbw 1998 gemaakt van de gevolgen van de aangevraagde situatie voor het Natura 2000-gebied "Rijntakken". In de passende beoordeling is vermeld dat de depositietoename op dit gebied vanwege de gewenste bedrijfssituatie wordt gesaldeerd met de afname van stikstofdepositie als gevolg van gehele of gedeeltelijke beëindiging van milieuvergunningplichtige activiteiten bij de agrarische bedrijven aan de H.C. de Jonghweg 16 in Rossum, aan de Helvoirtseweg 25a in Haaren, aan de Jannestraat 3 in Hurwenen en aan de Ketelsteeg 21 in Hurwenen (hierna: de saldo-gevende bedrijven). Op basis van deze externe saldering is in het bestreden besluit geconcludeerd dat in overeenstemming met artikel 19g, eerste lid, van de Nbw 1998 is verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied "Rijntakken" niet zullen worden aangetast.

Beroepsgronden

Procedureel

4. De vereniging betoogt dat het college de belanghebbenden bij de beoogde ontwikkeling, gezien de grootschaligheid daarvan, voorafgaand aan de besluitvorming persoonlijk had moeten informeren over de aanvraag voor de Nbw-vergunning en hen bij de besluitvorming had moeten betrekken.

4.1. Ingevolge artikel 3:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geeft het bestuursorgaan voorafgaand aan de terinzagelegging in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op andere geschikte wijze kennis van het ontwerp. Volstaan kan worden met vermelding van de zakelijke inhoud.

Ingevolge artikel 42, derde lid, van de Nbw 1998 wordt van een besluit tot verlening van de vergunning als bedoeld in artikel 19d door het orgaan dat tot verlening van de vergunning bevoegd is kennis gegeven in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op andere geschikte wijze. Volstaan kan worden met vermelding van de zakelijke inhoud.

4.2. Het college heeft bij het verlenen van de Nbw-vergunning afdeling 3.4 van de Awb toegepast. Aan de wettelijke vereisten omtrent de kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerpbesluit en het bestreden besluit is voldaan. In de Awb, noch in enig ander wettelijk voorschrift valt een bepaling aan te wijzen op grond waarvan het college in een geval als hier aan de orde verplicht is eventuele belanghebbenden persoonlijk in kennis te stellen van een aanvraag voor een Nbw-vergunning dan wel de terinzagelegging van een ontwerpbesluit.

Het betoog faalt.

Inhoudelijk

Het uitrijden van mest

5. De vereniging betoogt dat niet inzichtelijk is gemaakt op welke wijze de van de veehouderij afkomstige mest wordt verwerkt. Omdat in Gelderland voor het mestoverschot onvoldoende verwerkingscapaciteit is, kan de van de veehouderij afkomstige mest volgens de vereniging alleen worden afgevoerd door het uitrijden daarvan op de gronden die behoren bij de veehouderij of op gronden elders. Volgens de vereniging dient het uitrijden van mest daarom als één project met het houden van de geiten te worden aangevraagd en vergund. Nu dit niet is gebeurd, zijn ten onrechte de gevolgen van het uitrijden van de veehouderij afkomstige mest niet beoordeeld.

5.1. De Afdeling stelt vast dat het uitrijden van mest geen onderdeel van het aangevraagde project is, nu dit project uitsluitend betrekking heeft op het wijzigen van de bestaande varkenshouderij in een geitenhouderij. Voorts is het houden van dieren en het mogelijke uitrijden van mest op de bij de veehouderij behorende gronden in dit geval niet zodanig onlosmakelijk met elkaar verbonden dat het college de vergunning voor het aangevraagde project had moeten weigeren. Uitrijden van mest op deze gronden is niet noodzakelijk voor de afvoer van de mest, nu er alternatieven zijn, zoals de verwerking hiervan op een andere locatie. Dat in Gelderland op dit moment mogelijk onvoldoende capaciteit is om het mestoverschot te verwerken, maakt naar het oordeel van de Afdeling niet dat voor de afvoer van de mest per definitie geen andere mogelijkheden bestaan dan het uitrijden daarvan. Dit betekent dat het uitrijden van mest niet als één project met het houden van vee behoefde te worden aangevraagd en vergund.

Het betoog faalt.

Externe saldering

6. De stichting betoogt dat het college de ammoniakemissie van de veehouderij aan de Jannestraat 3 in Hurwenen die voor saldering in aanmerking komt, onjuist heeft vastgesteld. Zij voert hiertoe aan dat uit een brief van 5 augustus 2010 van de gemeente Maasdriel kan worden afgeleid dat dit saldo-gevende bedrijf voor 1 januari 2013 zodanige emissiereducerende maatregelen heeft moeten treffen dat de stikstofdepositie als gevolg van dit bedrijf zou afnemen tot het niveau wanneer aan het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij zou worden voldaan. Volgens de stichting beschikt dit saldo-gevende bedrijf daardoor niet meer over toestemming voor het oorspronkelijke project, te weten het houden van een veebestand met een ammoniakemissie van 2.017 kg per jaar.

6.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1931, is externe saldering in beginsel mogelijk met een milieuvergunning die is verleend voor de referentiedatum en die na die datum is ingetrokken. Hoewel niet relevant is of tot het moment van intrekking van de vergunning, of tot het moment waarop de overeenkomst over de overname van de stikstofemissie wordt gesloten, nog vee aanwezig was op het bedrijf, is wel relevant of het bedrijf op dat moment feitelijk nog aanwezig was (uitspraken van 29 juni 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ9630 en 14 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:714). Dat is het geval als de hervatting van het bedrijf mogelijk is zonder dat daarvoor een vergunning op grond van artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 voor de realisering van een project, is vereist. Deze voorwaarden zijn gesteld ten einde het mitigerende karakter van externe saldering te waarborgen.

6.2. Op het verzoek van 6 februari 2015 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasdriel bij besluit van 13 april 2015 beslist de omgevingsvergunning beperkte milieutoets voor de veehouderij aan de Jannestraat 3 in Hurwenen in te trekken ten behoeve van het bedrijf aan de [locatie] in Rossum. Blijkens dat besluit betreft het een intrekking die ziet op het houden van 202 vleesvarkens in stalsysteem D.3.100.1 en het houden van 504 vleesvarkens in stalsysteem D.3.1.1 met een ammoniakemissie van in totaal 2.017 kg per jaar. Uit de brief van de gemeente Maasdriel waar de stichting naar verwijst, blijkt dat dit saldo-gevende bedrijf voor 1 januari 2013 emissiereducerende maatregelen moest treffen om ervoor te zorgen dat de stikstofdepositie als gevolg van dit bedrijf zou afnemen tot het niveau waarop het bedrijf aan het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij zou voldoen. Voorts blijkt uit de stukken, waaronder het ‘Actieplan ammoniak veehouderij’ van 24 maart 2010, dat de voorgenomen maatregel inhield om op de locatie Jannestraat 3 in Hurwenen minder varkens in de stallen te houden. De omstandigheid dat sinds 1 januari 2013 mogelijk minder varkens in de stallen zijn gehouden, heeft evenwel niet tot gevolg dat dit saldo-gevende bedrijf niet meer beschikt over toestemming voor het oorspronkelijke project. Voorts is ook anderszins niet gebleken dat dit bedrijf tot het moment van de intrekking of tot het moment waarop de overeenkomst over de overname van de stikstofemissie is gesloten, niet meer beschikte over deze toestemming. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college de ammoniakemissie van de veehouderij aan de Jannestraat 3 in Hurwenen die voor saldering in aanmerking komt, onjuist heeft vastgesteld.

Het betoog faalt.

7. De vereniging betwist dat kon worden gesaldeerd met saldo van het bedrijf aan de Helvoirtseweg 25a in Haaren. Daartoe voert zij aan dat dit bedrijf sinds een aantal jaren niet meer als veehouderij in werking is en kan zijn omdat de stalruimtes aan derden worden verhuurd voor de opslag van goederen. De vereniging wijst in dit verband op een memo van 2 augustus 2010 over een controlebezoek en een brief van 25 maart 2015 van de gemeente Haaren waarin de bedrijfssituatie van dit bedrijf destijds is geïnventariseerd. Daarnaast wijst zij op diertelgegevens, ook wel aangeduid als meitellingen of landbouwtellinggegevens, waaruit blijkt dat over de periode van 2009 tot en met 2015 geen diertelgegevens voor dit bedrijf beschikbaar zijn.

Daarnaast voert zij aan dat het college ten onrechte niet heeft onderkend dat in ieder geval slechts een gedeelte van het saldo voor saldering in aanmerking kon komen. Ter onderbouwing van dit betoog wijst zij op een e-mail van 29 juli 2010 en het voornoemde memo van 2 augustus 2010. Volgens de vereniging kan uit deze documenten worden afgeleid dat bij de gemeente Haaren een verzoek zou worden ingediend tot het gedeeltelijk intrekken van de milieuvergunning voor dit bedrijf. Dit bedrijf beschikt volgens de vereniging dan ook niet meer over toestemming voor het oorspronkelijke project.

7.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het saldo-gevende bedrijf aan de Helvoirtseweg 25a in Haaren tot het moment van intrekking van de milieuvergunning beschikte over een op 17 mei 1994 verleende milieuvergunning voor een veebestand met een ammoniakemissie van 2.787 kg per jaar. Volgens het college is deze vergunde situatie bepalend en zijn er geen aanwijzingen dat deze milieuvergunning geheel of gedeeltelijk is ingetrokken of vanwege onderbezetting van vee van rechtswege deels is vervallen. Daarnaast stelt het college dat directe samenhang bestaat tussen de ingetrokken milieuvergunning van dit saldo-gevende bedrijf en de aangevraagde Nbw-vergunning voor het bedrijf aan de [locatie] in Rossum. Externe saldering met dit bedrijf kon dan ook als maatregel bij de passende beoordeling worden betrokken, aldus het college.

7.2. Vast staat dat op 17 mei 1994 ten behoeve van het saldo-gevende bedrijf aan de Helvoirtseweg 25a in Haaren een milieuvergunning is verleend voor een veebestand met een ammoniakemissie van 2.787 kg per jaar. Op 6 september 2014 is ten behoeve van het bedrijf aan de [locatie] in Rossum een overeenkomst gesloten over de overname van 1.254,3 kg ammoniakemissie per jaar van het bedrijf aan de Helvoirtseweg 25a in Haaren. De milieuvergunning van dit saldo-gevende bedrijf is op 19 januari 2015 ingetrokken onder meer ten behoeve van het saldo-ontvangende bedrijf aan de [locatie] in Rossum. Uit de depositieberekeningen behorende bij het bestreden besluit blijkt dat is gesaldeerd met de depositie die behoort bij 1.254 kg ammoniakemissie per jaar afkomstig van dit bedrijf.

7.3. Ten aanzien van de bedrijfssituatie van het saldo-gevende bedrijf aan de Helvoirtseweg 25a in Haaren op het moment van intrekken van de milieuvergunning, of op het moment waarop de overeenkomst over de overname van de stikstofemissie is gesloten, stelt de Afdeling het volgende vast.

Uit de overgelegde meitellingen blijkt dat dit bedrijf tot en met 2007 voornamelijk varkens hield. In het jaar 2008 werden zes stuks vrouwelijk jongvee gehouden. Van 2009 tot en met september 2015 zijn voor het bedrijf aan de Helvoirtseweg 25a geen diertelgegevens beschikbaar, zo volgt uit de overgelegde meitellingen.

In het memo van 2 augustus 2010 is naar aanleiding van een controlebezoek en een gesprek tussen onder meer de gemeente Haaren en de exploitant van dit bedrijf beschreven wat de situatie op dit bedrijf destijds was. Hierin is vermeld dat het bedrijf beschikt over een milieuvergunning voor het houden van varkens en dat de ruimtes op dat moment - in strijd met het bestemmingsplan - worden gebruikt om te verhuren voor de opslag van materiaal en apparatuur. Voorts is hierin vermeld dat tijdens een controlebezoek op 29 juli 2010 de veertien aparte opslagruimtes en de schuur die door de exploitant zelf wordt gebruikt, zijn ingezien. Daarnaast is vermeld dat op het terrein een vleesstier, een zoogkoe met kalf en een paard worden gehouden. De vleesstier wordt gehouden in een hok dat aan het eind van de schuur van de exploitant staat en naast het woonhuis is een stal voor een zoogkoe met kalf gemaakt.

In de brief van de gemeente Haaren van 25 maart 2015 is vermeld dat op 2 december 2014 door een toezichthouder een controle is uitgevoerd. Blijkens deze brief is tijdens de controle geconstateerd dat de stalinrichting is verwijderd en over de roostervloeren is een nieuwe betonvloer gestort. Voorts is geconstateerd dat de twee bedrijfsgebouwen opgedeeld zijn in veertien individueel te verhuren ruimtes. Het overgrote deel van de ruimtes is verhuurd aan derden, voornamelijk ondernemers uit de regio. Daarnaast is de varkensstal op drie plaatsen opgehoogd voor het aanbrengen van een overheaddeur ten behoeve van het huidige strijdige gebruik, zo volgt uit de brief.

7.4. Uit de in rechtsoverweging 6.1 genoemde uitspraak volgt dat het in het kader van externe saldering niet relevant is of tot het moment van intrekken van de milieuvergunning of tot het moment waarop de overeenkomst over de overname van de stikstofemissie is gesloten, nog vee aanwezig was op het saldo-gevende bedrijf, maar of het bedrijf feitelijk nog aanwezig was. Uit de dossierstukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat het college niet heeft onderzocht of het saldo-gevende bedrijf aan de Helvoirtseweg 25a in Haaren nog feitelijk aanwezig was, omdat het zich op het standpunt stelt dat de vergunde situatie van dit bedrijf bepalend is.

Naar het oordeel van de Afdeling had echter het memo van 2 augustus 2010 over het controlebezoek, waarnaar ook door de vereniging in de zienswijze is verwezen, voor het college aanleiding moeten zijn om in het kader van externe saldering de bedrijfssituatie op het moment van intrekken van de milieuvergunning, of op het moment waarop de overeenkomst over de overname van de stikstofemissie is gesloten, te bezien. In het memo is immers vermeld dat de stalruimtes destijds werden gebruikt om te verhuren voor de opslag van materiaal en apparatuur en daarvoor veertien aparte opslagruimtes zijn gerealiseerd. Het college had derhalve in dit geval moeten beoordelen of tot het moment van intrekken van de milieuvergunning, of tot het moment waarop de overeenkomst over de overname van de stikstofemissie is gesloten, in de bestaande stallen vee kon worden gehouden overeenkomstig de milieuvergunning van 17 mei 1994. In dat geval is namelijk hervatting van dit bedrijf mogelijk zonder dat daarvoor een vergunning op grond van artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 voor de realisering van een project is vereist. Nu deze beoordeling niet heeft plaatsgevonden en derhalve niet vast staat dat externe saldering met dit bedrijf als maatregel bij de passende beoordeling kon worden betrokken, heeft het college onvoldoende gemotiveerd dat het zich op grond van de passende beoordeling ervan heeft verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied "Rijntakken" niet zullen worden aangetast.

Gelet op het voorgaande slaagt het betoog van de vereniging. Dit heeft tot gevolg dat het college door middel van nader onderzoek dient te motiveren dat externe saldering met het saldo-gevende bedrijf aan de Helvoirtseweg 25a in Haaren als maatregel bij de passende beoordeling kon worden betrokken.

Ter voorlichting van het college overweegt de Afdeling dat indien het nader onderzoek de bedrijfssituatie zoals beschreven in het memo van 2 augustus 2010 en de brief van de gemeente Haaren van 25 maart 2015 bevestigt, er niet kon worden gesaldeerd met saldo van dit bedrijf. In dat geval dient [vergunninghouder] als aanvrager van de vergunning door het college in de gelegenheid te worden gesteld haar aanvraag aan te vullen.

8. Ten aanzien van het betoog van de stichting dat is gesaldeerd met saldo van het saldo-gevende bedrijf aan de Helvoirtseweg 25a in Haaren dat niet ten goede komt aan het bedrijf aan de [locatie] in Rossum omdat uit een e-mail van 27 november 2014 blijkt dat [vergunninghouder] aan de omgevingsdienst Brabant Noord heeft verzocht om slechts 627 kg NH3 per jaar te ontvangen voor het bedrijf aan de [locatie] in Rossum, overweegt de Afdeling het volgende. Zowel in de overeenkomst over de overname van de stikstofemissie als in het verzoek tot intrekking van de milieuvergunning van het bedrijf aan de Helvoirtseweg 25a in Haaren en het intrekkingsbesluit is vermeld dat een ammoniakemissie van 1.254,3 kg per jaar ten goede komt aan het bedrijf aan de [locatie] in Rossum. Dat [vergunninghouder] in een e-mail van 27 november 2014 aan de omgevingsdienst Brabant Noord heeft verzocht het verzoek tot intrekking van de milieuvergunning te wijzigen in zoverre dat zij slechts 627 kg NH3 per jaar wenst te ontvangen voor het bedrijf aan de [locatie] in Rossum, maakt niet dat geen betekenis toekomt aan hetgeen in het intrekkingsbesluit van 19 januari 2015 is vermeld. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat is gesaldeerd met saldo van het saldo-gevende bedrijf aan de Helvoirtseweg 25a in Haaren dat niet ten goede komt aan het bedrijf aan de [locatie] in Rossum.

Het betoog faalt.

Betrokken Natura 2000-gebieden

9. De vereniging betoogt dat het agrarische bedrijf aan de [locatie] in Rossum niet alleen nabij het Natura 2000-gebied "Rijntakken" ligt, maar ook in de omgeving van de Brabantse Natura 2000-gebieden "Kampina & Oisterwijkse Vennen", "Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek", "Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen" en "Langstraat". De stichting betoogt dat dit agrarische bedrijf tevens ligt in de omgeving van de Gelderse Natura 2000-gebieden "Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem" en "Lingegebied & Diefdijk-Zuid". Volgens de stichting en de vereniging zijn de gevolgen van het aangevraagde project voor deze gebieden ten onrechte niet beoordeeld.

9.1. Artikel 2a, tweede lid, van de Nbw 1998 bepaalt dat indien een aanvraag van een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, betrekking heeft op een project dat hoofdzakelijk gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied of gedeelte daarvan in één van de provincies, gedeputeerde staten van die provincie beslissen over de aanvraag. Artikel 2, zesde, lid, is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 2, zesde lid, van de Nbw 1998 betrekken gedeputeerde staten bij een besluit op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, tevens de gevolgen die het project of de andere handeling kan hebben voor een in een andere provincie of een buiten Nederland gelegen Natura 2000-gebied.

Deze bepalingen zijn op 1 juli 2015 in werking getreden. Voor de bevoegdheidsregeling in bovengenoemde bepalingen is niet in overgangsrecht voorzien. Hierdoor zijn deze bepalingen vanaf 1 juli 2015 van toepassing op een besluit omtrent een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van deze wet.

9.2. Vast staat dat in de vergunningaanvraag met bijbehorende passende beoordeling en in het bestreden besluit uitsluitend de gevolgen van het aangevraagde project voor het Natura 2000-gebied "Rijntakken" zijn beoordeeld. Het college heeft in het verweerschrift en ter zitting onderkend dat het tevens de gevolgen van voornoemde andere Natura 2000-gebieden bij de besluitvorming had moeten betrekken. Het bestreden besluit is derhalve genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Weliswaar heeft het college na het nemen van het bestreden besluit ook voor voornoemde gebieden depositieberekeningen overgelegd, maar ook in deze berekeningen is uitgegaan van externe saldering met saldo van het bedrijf aan de Helvoirtseweg 25a in Haaren en daarnaast laten deze berekeningen zien dat de stikstofdepositie op voor stikstofgevoelige habitats in de Gelderse Natura 2000-gebieden "Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem" en "Lingegebied & Diefdijk-Zuid" toeneemt ten opzichte van de krachtens de Nbw 1998 vergunde situatie.

De betogen slagen.

Conclusie

10. De beroepen van de stichting en de vereniging zijn gegrond. Gelet op hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 7.4 is overwogen, is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 19g, eerste lid, van de Nbw 1998. Voorts is het bestreden besluit gelet op hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 9.2 is overwogen, genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het bestreden besluit dient wegens strijd met genoemde wettelijke bepalingen te worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven hierdoor geen bespreking meer.

11. Gelet op de aard van de in rechtsoverwegingen 7.4 en 9.2. geconstateerde gebreken, ziet de Afdeling geen aanleiding om, zoals het college en de vergunningaanvrager hebben verzocht, toepassing te geven aan artikel 8:51d van de Awb dan wel de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Het college dient derhalve met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op de aanvraag te nemen. De beoordeling van de vergunningaanvraag dient te geschieden naar het recht zoals dat geldt ten tijde van het nemen van het nieuwe besluit.

Proceskostenveroordeling

12. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van de stichting Stichting Dorp en Landschap Bommelerwaard en de vereniging Vereniging Gelderse Natuur en Milieufederatie gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 24 juli 2015, kenmerk 2014-010529;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij de stichting Stichting Dorp en Landschap Bommelerwaard in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.029,70 (zegge: duizendnegenentwintig euro en zeventig cent), waarvan € 992,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij de vereniging Vereniging Gelderse Natuur en Milieufederatie in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 52,55 (zegge: tweeënvijftig euro en vijfenvijftig cent);

IV. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 331,00 (zegge: driehonderdeenendertig euro) voor de stichting Stichting Dorp en Landschap Bommelerwaard en € 331,00 (zegge: driehonderdeenendertig euro) voor de vereniging Vereniging Gelderse Natuur en Milieufederatie vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.E. Reichardt, griffier.

w.g. Hagen w.g. Reichardt

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 december 2016

772.