Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3492

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-12-2016
Datum publicatie
28-12-2016
Zaaknummer
201601568/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 januari 2016 heeft het college het wijzigingsplan "[locatie 1] Loon op Zand" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet geurhinder en veehouderij
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/23
JM 2017/22 met annotatie van P.B. Bokelaar
Jurisprudentie Grondzaken 2017/134 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201601568/1/R2.

Datum uitspraak: 28 december 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vennootschap onder firma [appellant], gevestigd te Loon op Zand,

appellant,

en

het college van burgemeester en wethouders van Loon op Zand,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 januari 2016 heeft het college het wijzigingsplan "[locatie 1] Loon op Zand" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 september 2016, waar [appellant], vertegenwoordigd [vennoot], bijgestaan door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, het college, vertegenwoordigd door P.J. Dudok, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [belanghebbende A], vertegenwoordigd door [bedrijf] en [belanghebbende B], gehoord.

Overwegingen

1. Het wijzigingsplan omvat het perceel [locatie 1] te Loon op Zand, dat in eigendom is van [belanghebbende A]. Op het perceel staat een boerderij uit 1931 met een woongedeelte en een stalgedeelte en overige agrarische bedrijfsgebouwen.

2. Het wijzigingsplan voorziet in de omzetting van de op het perceel rustende bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur en landschapswaarden" in de bestemming "Wonen - I".

3. [belanghebbende A] heeft het perceel [locatie 1] aangekocht met de bedoeling om de boerderij en agrarische bedrijfsbebouwing, zoals die momenteel aanwezig is, te slopen en op een andere locatie binnen het bouwvlak een nieuwe burgerwoning te bouwen. Het wijzigingsplan maakt dit mogelijk.

4. [appellant] exploiteert een agrarisch bedrijf aan de [locatie 2] te Loon op Zand tegenover het plangebied. Zij vreest dat het plan zal leiden tot een beperking van haar bedrijfsvoering en uitbreidingsmogelijkheden. Zij betoogt dat er plannen in voorbereiding zijn om te komen tot een uitbreiding van haar veehouderij. Bij het besluit inzake de verlening van een omgevingsvergunning zal het college de geurhinder door geurbelasting vanwege de tot veehouderijen behorende dierenverblijven betrekken op de wijze als aangegeven in artikel 3 van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wgv). [appellant] betoogt dat ten onrechte niet is onderzocht of ten gevolge van de voorziene woning aan artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wgv, kan worden voldaan. Er zijn alleen verouderde geurberekeningen uit 2014 voorhanden en daaruit is gebleken dat er wat betreft de geurhinder in de omgeving van de veehouderij sprake was van een overbelaste situatie. Er zijn geen actuele geurberekeningen uitgevoerd. [appellant] stelt dat het college wat betreft geurhinder ten onrechte heeft getoetst of in de nieuwe situatie na het realiseren van de voorziene burgerwoning aan de in artikel 3, tweede lid, van de Wgv opgenomen afstandsnorm kan worden voldaan. Het college heeft daarbij miskend dat bij toetsing van een aanvraag voor een omgevingsvergunning ten behoeve van een wijziging of uitbreiding van haar varkenshouderij zal worden getoetst aan de norm die is neergelegd in artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wgv. Het wijzigingsplan voorziet immers in een nieuw geurgevoelig object op een andere locatie binnen het bouwvlak dat nooit onderdeel heeft uitgemaakt van een andere veehouderij en derhalve ook niet op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij. De voorheen op het perceel aanwezige veehouderij is lang geleden beëindigd.

5. Het college bestrijdt het betoog van [appellant] dat wat betreft geurhinder aan de onjuiste norm is getoetst. Volgens het college worden de uitbreidingsmogelijkheden van de varkenshouderij niet belemmerd door de met het wijzigingsplan voorziene woning omdat artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wgv van toepassing is. Tevens blijft dit artikel van toepassing bij de toetsing van een wijziging of uitbreiding van de varkenshouderij zowel vóór als na onderhavige bestemmingswijziging derhalve ook als de huidige boerderij met woning na achtereenvolgens bestemmingswijziging en sloop wordt vervangen door een reguliere burgerwoning, aldus het college. Ook bij een omgevingsvergunning ten behoeve van de varkenshouderij van [appellant] zal de geurhinder door geurbelasting vanwege de varkenshouderij op geurgevoelige objecten in de omgeving zoals de voorziene woning, worden getoetst aan de afstandsnorm van artikel 3, tweede lid, van de Wgv. Vast staat dat daar in de huidige situatie en de toekomstige gewijzigde situatie aan wordt voldaan. Zolang dus als hier het geval is de in artikel 3, tweede lid, van de Wgv genoemde minimum afstand van 50 meter in acht wordt genomen, vormt de voorziene woning op [locatie 1] geen belemmering voor de bedrijfsvoering en eventuele ontwikkelingsmogelijkheden van de varkenshouderij en mag in beginsel zonder meer worden aangenomen dat bij het geurgevoelige object [locatie 1] een verantwoord woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, aldus het college.

6. Ingevolge artikel 6, lid 6.7.7, van de planvoorschriften behorende bij het bestemmingsplan en de recent vastgestelde "Herziening Buitengebied 2015" is het college bevoegd om de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur en landschapswaarden" te wijzigen in de bestemming "Wonen - 1". Daartoe dient aan een aantal opgenomen voorwaarden te worden voldaan.

7. Gebleken is dat [appellant] al lange tijd bezig is met voorbereidingen om tot een uitbreiding van haar veehouderij te komen waarover gesprekken zijn gevoerd met de gemeente. Niet in geschil is dat de veehouderij thans nog uitbreidingsmogelijkheden heeft.

8. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wgv betrekt het bevoegd gezag bij een beslissing inzake de omgevingsvergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij de geurhinder door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot met 9.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, wordt een omgevingsvergunning met betrekking tot een veehouderij geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, is gelegen:

a. binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 3,0 odour units per kubieke meter lucht;

b. binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht;

c. buiten een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 2,0 odour units per kubieke meter lucht;

d. buiten een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 8,0 odour units per kubieke meter lucht.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, bedraagt in afwijking van het eerste lid de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij:

a. ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en

b. ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Ingevolge artikel 3, derde lid, wordt indien de geurbelasting, bedoeld in het eerste lid, groter is dan aangegeven in dat lid of de afstand, bedoeld in het tweede lid, kleiner is dan aangegeven in dat lid, een omgevingsvergunning, in afwijking van het eerste en tweede lid, niet geweigerd indien de geurbelasting niet toeneemt en het aantal dieren van één of meer diercategorieën niet toeneemt.

Ingevolge artikel 3, vierde lid, dan wordt indien de geurbelasting, bedoeld in het eerste lid, groter is dan aangegeven in dat lid, het aantal dieren van één of meer diercategorieën toeneemt, en een geurbelastingreducerende maatregel zal worden toegepast, een omgevingsvergunning verleend voor zover het betreft de wijziging van het aantal dieren, voorzover de toename van de geurbelasting ten gevolge van die wijziging niet meer bedraagt dan de helft van de vermindering van de geurbelasting die het gevolg zou zijn van de toegepaste geurbelastingreducerende maatregel bij het eerder vergunde veebestand.

9. Vast staat dat op de locatie [locatie 1] een boerderij met bedrijfswoning aanwezig was die in het verleden onderdeel uitmaakte van een andere veehouderij, en op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij, als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Wgv. Na het realiseren van het wijzigingsplan zal elders op het perceel binnen het voormalige bouwvlak een nieuwe burgerwoning worden opgericht. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het college wat geurhinder betreft aan de juiste norm heeft getoetst.

10. De Afdeling is van oordeel dat de eerst met het wijzigingsplan mogelijk te maken burgerwoning niet kan worden aangemerkt als (of gelijkgesteld met) een bedrijfswoning die op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij, als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Wgv. Immers de thans voorziene burgerwoning maakt geen deel uit van een veehouderij als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Wgv. Dat de voormalige te slopen boerderij in het verleden heeft deel uitgemaakt van een andere veehouderij is daarom in deze situatie niet van belang.

11. Vast staat dat in het kader van de vaststelling van het wijzigingsplan ten onrechte geen geuronderzoek heeft plaatsgevonden naar de geurbelasting vanwege de op het perceel [locatie 2] aanwezige tot de veehouderij behorende dierenverblijven met mogelijke uitbreidingsmogelijkheden. Het bestreden besluit is derhalve niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

12. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

13. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Loon op Zand van 19 januari 2016 tot vaststelling van het wijzigingsplan "[locatie 1] Loon op Zand";

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Loon op Zand tot vergoeding van bij de vennootschap onder firma [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 992,00 (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Loon op Zand aan de vennootschap onder firma [appellant] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 334,00 (zegge: driehonderdvier en dertig euro) vergoedt;

V. draagt het college van burgemeester en wethouders van Loon op Zand op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat onderdeel II wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, http://www.ruimtelijkeplannen.nl.

Aldus vastgesteld door mr. J. Kramer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, griffier.

w.g. Kramer w.g. Ouwehand

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 december 2016