Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3469

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-12-2016
Datum publicatie
28-12-2016
Zaaknummer
201601544/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 december 2015, kenmerk 15-091, heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein De Raaphof" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201601544/1/R2.

Datum uitspraak: 28 december 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Bunnik,

en

de raad van de gemeente Bunnik,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2015, kenmerk 15-091, heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein De Raaphof" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 september 2016, waar [appellant], bijgestaan door ing. W.G. Rigter, en de raad, vertegenwoordigd door mr. J. du Pont en F.H.M. Odijk, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Verder is ter zitting [belanghebbende] verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plangebied bestaat uit bedrijventerrein De Raaphof (hierna: het bedrijventerrein), dat eigendom is van [belanghebbende], en enkele ten noorden hiervan gelegen agrarische percelen. Het gebied ligt ten zuiden van Bunnik, direct ten zuiden langs de A12. Het plangebied grenst aan de afslag van de A12 naar Bunnik, Odijk en Wijk bij Duurstede. Tussen de A12 en het bedrijventerrein ligt direct tegen de noordgrens van het plangebied de Parallelweg. De noordoostgrens van het plangebied wordt gevormd door de provinciale weg N229, de Schoudermantel. Het plangebied wordt verder omgeven door het landelijk gebied van de gemeente Bunnik. Op de gronden van het plangebied zijn thans onder meer een veeverzamelplaats en -transportbedrijf, een touringcarbedrijf, een evenementenhal met discotheek (Brothers) en een stalling van vrachtwagens gevestigd, alle behorend tot het bedrijf van [belanghebbende]. Voorts staan er twee bedrijfswoningen. Het plan betreft een actualisatie van het vorige bestemmingsplan voor het bedrijventerrein uit 1982. Het plan voorziet grotendeels in een positieve bestemming voor legaal bestaande bebouwing en legaal bestaand gebruik. Voorts voorziet het plan in nieuwe bebouwings- en gebruiksmogelijkheden. [appellant] woont ten zuidoosten van het bedrijventerrein op het perceel Schoudermantel 54 langs de provinciale weg

N229. Het plan voorziet in een uitbreiding van bebouwing en bedrijvigheid in de categorie 3.2 in de richting van zijn perceel.

[appellant] kan zich niet met het plan verenigen. Hij vreest ervoor dat de met het plan mogelijk gemaakte ontwikkelingen leiden tot een toename van verkeer van en naar het bedrijventerrein. Omdat de provinciale weg N229 waaraan het bedrijventerrein en zijn woning liggen thans reeds een zeer drukke weg is vreest hij voor ernstige verkeershinder. Voorts meent hij dat in het plan onvoldoende rekening is gehouden met de verkeersveiligheid op de provinciale weg. Ook vreest hij voor een toename van geluidhinder door de met het plan mogelijk gemaakte ontwikkelingen.

Verkeershinder

3. [appellant] betoogt dat de provinciale weg N229 en in het bijzonder het kruispunt van de afslag A-12 en de Parallelweg met de N229, de verkeerstoename die ontstaat ten gevolge van het plan niet kan verwerken. In dit verband voert hij aan dat dit reeds een zeer druk, intensief gebruikt verkeerspunt is met veel divers verkeersaanbod en dit in de nabije en latere toekomst nog intensiever zal worden. Volgens [appellant] heeft de raad de gevolgen van de toename van de verkeersbelasting ten onrechte uitsluitend beoordeeld voor de spitsuren. Voorts wijst [appellant] op toekomstige ontwikkelingen als de mogelijke bouw van de woonwijk Odijk-West die ook tot een toename van verkeer op de provinciale weg zal leiden.

3.1. De raad stelt dat uit de in zijn opdracht verrichte mobiliteitsscan volgt dat als gevolg van de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt gedurende de maatgevende spitsuren weinig verkeer zal worden gegenereerd, gemiddeld nog geen 2 motorvoertuigen per minuut in- en uitgaand verkeer. Bij voortzetting van de reeds bestaande activiteiten is er voorts nauwelijks in- en uitgaand verkeer tijdens de spitsuren. De ontwikkeling van het bedrijventerrein levert volgen hem voor de verkeersafwikkeling op het kruispunt van de afslag A-12 en de Parallelweg met de N229 geen problemen op. De ter plaatse aanwezige wegenstructuur kan het verkeer dat het gevolg is van de met het plan toegestane extra gebruiksfuncties nu en in de toekomst voldoende adequaat verwerken. Ter zitting heeft de raad in dit verband nader toegelicht dat het aantal verkeersbewegingen van en naar het bedrijventerrein, gelet op de grote aantallen verkeersbewegingen op de Schoudermantel, relatief zeer gering is en dat hoewel de situatie op het kruispunt van de Parallelweg met Schoudermantel niet ideaal is, hij deze wel acceptabel acht. Over mogelijke toekomstige ontwikkelingen in de omgeving, waaronder woningbouw en de ontwikkeling van Odijk, neemt de raad het standpunt in dat hierover nog geen concrete besluitvorming heeft plaatsgevonden.

3.2. De Afdeling ziet zich in deze procedure geplaatst voor de vraag of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de toename van verkeer als gevolg van de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt, niet zal leiden tot een onaanvaardbare verkeerssituatie.

3.3. Om inzicht te krijgen in de te verwachten verkeersstromen van en naar het met het plan mogelijk gemaakte bedrijventerrein heeft de raad een onderzoek laten uitvoeren door het onderzoeksbureau Grontmij. De resultaten hiervan zijn neergelegd in de rapporten Mobiliteitsscan Bestemmingsplan De Raaphof van 25 november 2013 (hierna: de mobiliteitsscan) en Tweede Actualisatie Mobiliteitsscan De Raaphof van 31 juli 2015 (hierna: de tweede actualisatie).

In de mobiliteitsscan is allereerst een analyse opgenomen van de thans bestaande verkeersbewegingen van en naar het bedrijventerrein. Daarbij zijn de bestaande verkeersbewegingen die plaatsvinden in verband met de op het terrein gevestigde evenementenhal met discotheek Brothers, veeverzamelplaats, veetransportbedrijf, dieselvulpunt, touringcar- en busverhuurbedrijf, opslagbedrijf decoratiemateriaal, opslag van goederen, rijschool, stalling van vrachtwagens en het personeel van [belanghebbende] inzichtelijk gemaakt. In het rapport staat dat de totale verkeersgeneratie (jaardaggemiddelde) van het bedrijventerrein, inclusief Brothers 614 motorvoertuigen per etmaal bedraagt, onderverdeeld in 506 lichte motorvoertuigen, 23 bussen en 85 vrachtwagens.

Als bijlage zijn bij dit rapport voor het kruispunt van de Parallelweg met de Schoudermantel capaciteitsberekeningen gevoegd die een indicatie geven van de hoeveelheid verkeer dat met de kruispuntbelasting ten tijde van het onderzoek en binnen de huidige verkeersregeling tijdens de spitsuren van en naar het bedrijventerrein verwerkt kan worden. In de mobiliteitsscan staat dat uit die berekeningen blijkt dat in de bestaande situatie in de spitsuren sprake is van een goede verkeersafwikkeling met acceptabele bezettingsgraden en cyclustijden en dat dit overeenkomt met de bevindingen tijdens het op 24 en 26 september 2013 uitgevoerde locatiebezoek. In de mobiliteitsscan staat voorts dat er op het kruispunt van de afrit A12 en de Parallelweg met de Schoudermantel restcapaciteit is om de volgende verkeersaantallen naar of van de Raaphof af te wikkelen:

1. Ochtendspits: 600 motorvoertuigen per uur ingaand richting de Raaphof;

2. Avondspits: 500 motorvoertuigen per uur ingaand verkeer richting de Raaphof en 350 motorvoertuigen per uur uitgaand verkeer vanaf de Raaphof.

In de mobiliteitsscan is voorts een analyse gemaakt van de toekomstige verkeersbewegingen naar en van het bedrijventerrein rekening houdend met de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt, te weten de bestemmingsplanwijziging naar een regulier bedrijventerrein. Voor de beoordeling van de ten gevolge van de inrichting te verwachten verkeersbewegingen is gebruik gemaakt van Publicatie 256 "Verkeersgeneratie woon- en werkgebieden" van CROW. Daarbij is uitgegaan van de verkeersbewegingen die in die publicatie worden vermeld voor een gemengd bedrijventerrein, waarbij is uitgegaan van een brutovloeroppervlak van ongeveer 7,5 ha en een nettooppervlak van 5,78 ha. Voor een gemengd bedrijventerrein met die omvang bedraagt het werkdaggemiddelde 1.236 motorvoertuigen per etmaal (982 personenauto’s en 254 vrachtwagens) en het jaardaggemiddelde 927 motorvoertuigen per etmaal (737 personenauto’s en 191 vrachtwagens). Op grond van de CROW-kengetallen zal het aantal verkeersbewegingen in de maatgevende spitsuren van 08.00 - 09.00 uur en 17.00 - 18.00 uur respectievelijk 111 (84 ingaand en 27 uitgaand) en 99 (22 ingaand en 77 uitgaand) motorvoertuigen per uur bedragen.

De conclusie in de mobiliteitsscan is dat de verkeersgeneratie vanwege de in het plan voorziene ontwikkelingen gelijk is of lager is dan de restcapaciteit in de verkeersregeling en dat het in principe afwikkelingstechnisch mogelijk is een regulier (gemengd) bedrijventerrein op De Raaphof op de huidige wijze te ontsluiten.

In de tweede actualisatie zijn opnieuw capaciteitsberekeningen voor het kruispunt van de afrit A12 en de Parallelweg met de Schoudermantel uitgevoerd. Daarbij is gebruik gemaakt van de meest recente verkeerstellingen uit 2015 voor de zuidelijke aansluiting met de A12, opgehoogd met een groeifactor die vanuit VRU 3.1u gefilterd wordt voor de jaren 2020 en 2030 ten opzichte van 2015. Daarbij is vermeld dat het verkeer op de parallelweg in de modelcijfers 2010, 2015, 2020 en 2030 wisselende aantallen kent en met name in het jaar 2030 zeer hoog is in vergelijking met andere jaren en de telling uit 2015. In de tweede actualisatie is daarom tevens een berekening uitgevoerd van de toekomstige situatie in 2020 en 2030, met een groeifactor in alle richtingen, uitgezonderd de parallelweg, waarvoor is uitgegaan van de tellingen van 2015. De conclusie in de tweede actualisatie, uitgaande van die berekening, is dat in 2020 en 2030 tijdens de ochtend- en avondspits zonder verkeer vanaf het bedrijventerrein een goede verkeersafwikkeling bestaat, waarbij de verkeersafwikkeling in de avondspits wel tegen de kritische grens aanloopt. Bij het toevoegen van verkeer van en naar het bedrijventerrein is er in de ochtendspits nog steeds een goede verkeersafwikkeling. In de avondspits 2030 zal het kruispunt naar verwachting ook goed functioneren met kortstondig wat langere wachtrijen en wachtrijen op de parallelweg bij eventueel een uitgaanspiek vanaf het bedrijventerrein. De avondspits 2020 is kritischer door het toegenomen verkeersaanbod op andere richtingen, waardoor er nauwelijks ruimte is voor extra verkeer van en naar het bedrijventerrein. Verder staat in de conclusies van de tweede actualisatie dat de ontwikkeling van het bedrijventerrein bij omzetting naar een regulier bedrijventerrein in absolute zin tijdens de spitsuren weinig verkeer zal genereren (op basis van CROW-kencijfers) met respectievelijk 111 motorvoertuigen per uur in het ochtendspitsuur en 99 motorvoertuigen per uur in het avondspitsuur, derhalve minder dan twee verkeersbewegingen naar en van het bedrijventerrein per minuut. Voorts is daarin opgemerkt dat de uitgevoerde kruispuntberekeningen en de hierin gehanteerde uitgangspunten theoretisch zijn, uitgaan van een starre verkeersregeling en dat de regeling in de praktijk in het algemeen beter loopt omdat er bij drukte een betere groenbenutting is en de verkeersregeling voertuigafhankelijk is en afgestemd op het verkeersaanbod en dat bijvoorbeeld de Parallelweg eerder groen kan krijgen, doordat op andere richtingen niet de maximale groentijd nodig is, waardoor er kortere cyclustijden zijn.

Voor zover [appellant] heeft betoogd dat in de onderzoeken de gevolgen van de verkeersbewegingen vanaf het bedrijventerrein ten onrechte uitsluitend zijn onderzocht voor de spitsperioden overweegt de Afdeling dat in die periode de verkeerintensiteit het grootst is. De raad heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat die perioden maatgevend zijn voor de capaciteitsberekeningen. Voor zover [appellant] erop heeft gewezen dat toekomstige ontwikkelingen, zoals de mogelijke bouw van de woonwijk Odijk-West, ook kunnen leiden tot een toename van verkeer op de provinciale weg, staat in de mobiliteitsscan en de tweede actualisatie dat de berekeningen zijn uitgevoerd met het verkeersmodel VRU3, respectievelijk 3.1u. In die verkeersmodellen zijn de vastgestelde ontwikkelingen in de regio verdisconteerd. Over de mogelijke ontwikkeling van de door [appellant] genoemde woonwijk Odijk-West waren ten tijde van het besluit tot vaststelling van het plan nog geen concrete besluiten genomen. De raad heeft die mogelijke ontwikkeling daarom niet bij de vaststelling van dit plan behoeven te betrekken. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet heeft kunnen uitgaan van de uitgangspunten en de conclusies in de mobiliteitsscan en de tweede actualisatie. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat, gelet op het geringe aantal van minder dan twee verkeersbewegingen per minuut van en naar de inrichting in de maatgevende spitsuren, voor een onaanvaardbare verkeerssituatie niet behoeft te worden gevreesd.

Het betoog faalt.

Verkeersveiligheid

4. [appellant] betoogt dat de raad zich ten onrechte op het standpunt stelt dat verwezenlijking van het plan niet leidt tot een verkeersonveilige situatie. Volgens hem erkent de raad dat verkeersveiligheid op de provinciale weg een punt van aandacht is, maar schuift hij dit te gemakkelijk af naar de provincie als wegbeheerder. Ter zitting heeft [appellant] in dit verband toegelicht dat fietsers (waaronder zijn kinderen) zijn woning aan de provinciale weg alleen kunnen bereiken via het voetpad dat loopt vanaf de kruising van de Parallelweg met de provinciale weg tussen de provinciale weg en het bedrijventerrein waarop het plan ziet en dat zij daarbij ter plaatse van die inrit over de gronden van het bedrijventerrein langs het brandstofvulpunt moeten rijden om bij de opstelplaats voor de fietsoversteekplaats op voormelde kruising te komen. Omdat dat voetpad begint ter hoogte van de in- en uitrit van het bedrijventerrein en verwezenlijking van het plan leidt tot een toename van het aantal verkeersbewegingen, zal de verkeersveiligheid ter plaatse onaanvaardbaar verslechteren.

4.1. De raad stelt zich op het standpunt slechts een beperkte bijdrage te kunnen leveren aan de verkeersveiligheid op de provinciale weg en de daarbij behorende fiets- en voetpaden omdat de provincie Utrecht daarvan de wegbeheerder is. Volgens de raad is het gelegde verband tussen verkeersveiligheid en de vaststelling van het plan voor het bedrijventerrein niet op zijn plaats omdat de verkeersongelukken die in het verleden hebben plaatsgevonden op de kruising Parallelweg met de provinciale weg niet het gevolg waren van verkeer naar en van het bedrijventerrein, maar te wijten waren aan hoge snelheden op het kruispunt en ander risicogedrag van weggebruikers zoals het negeren van een rood verkeerslicht. Voorts zal de gemiddelde snelheid waarmee verkeer het bedrijventerrein op- dan wel afrijdt laag zijn, omdat het verkeer daarbij een bocht neemt. Gelet hierop zal verkeer van en naar het bedrijventerrein niet leiden tot extra verkeersonveilige situaties voor overige weggebruikers.

4.2. Het betoog van [appellant] inzake verkeersveiligheid ziet op de slechte bereikbaarheid van zijn woning voor fietsers. Vast staat dat aan de zijde van de provinciale weg waaraan de woning van [appellant] staat geen fietspad ligt. Evenmin is er ter plaatse van de woning van [appellant] een oversteekplaats voor fietsers waarmee zij het fietspad aan de overzijde van de provinciale weg kunnen bereiken. Wel ligt er aan die kant van de provinciale weg het door [appellant] genoemde voetpad, waarover fietsers thans, naar hij stelt, naar en van zijn woning fietsen. De gronden waarop dat voetpad ligt, maken geen deel uit van het plangebied.

Dat, naar [appellant] stelt, vanaf zijn woning een ontsluiting voor fietsers ontbreekt en de route via het door hem genoemde voetpad en een deel van het bedrijventerrein verkeersonveilig is, staat los van het plan. Die situatie geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in dit plan, dat niet voorziet in een planologische regeling voor de buiten het plangebied liggende provinciale weg, maar uitsluitend voor het bedrijventerrein, had moeten voorzien in een ontsluiting voor fietsers van de eveneens buiten het plangebied staande woning van [appellant]. Daarbij heeft de raad in aanmerking mogen nemen dat vaststelling van het plan niet leidt tot een dusdanige toename van het aantal verkeersbewegingen naar en van het bedrijventerrein dat reeds daarom extra verkeersonveilige situaties voor overige weggebruikers ontstaan.

Het betoog faalt.

Geluid

5. [appellant] voert aan dat als gevolg van de verruimde planologische mogelijkheden en het verruimde verkeersaanbod geluidoverlast zal ontstaan, ook in de nacht, de vroege ochtend en het weekend. Volgens hem is de van het bedrijventerrein te verwachten geluidhinder als gevolg van verkeersstromen niet deugdelijk onderzocht en zijn de aannames waarvan in het onderzoek naar de te verwachten geluidhinder is uitgegaan onzeker.

[appellant] stelt in dit verband dat voorbij is gegaan aan de mogelijkheid om op het terrein vrachtwagens met koelunits te parkeren. Ook is volgens hem geen rekening gehouden met de geluidhinder ten gevolge van extra verkeer als gevolg van de uitbreidingsmogelijkheden voor horeca-activiteiten.

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat uit akoestisch onderzoek volgt dat de geluidbelasting afkomstig van de discotheek en andere bedrijven op het bedrijventerrein, rekening houdend met het karakter van de omgeving en het omgevingsgeluid afkomstig van verkeer, acceptabel is.

5.2. De raad heeft bij de beoordeling of ter plaatse van omliggende woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd aansluiting gezocht bij de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging Nederlandse gemeenten uit 2009 (hierna: de brochure).

De raad heeft het plangebied en de omliggende gronden aangemerkt als gemengd gebied. Het plangebied grenst aan de A12 en de N229. Gelet hierop heeft de raad het gebied met juistheid als gemengd gebied aangemerkt.

In de brochure staat dat, indien de aanbevolen richtafstanden voor geluid niet worden overschreden, verdere toetsing voor het aspect geluid achterwege kan blijven. Indien niet aan de richtafstanden wordt voldaan worden voor geluidgevoelige objecten in een gemengd gebied de volgende richtwaarden aanbevolen:

50 dB(A) voor het langtijdgemiddels beoordelingsniveau;

70 dB(A) voor het maximale geluidniveau;

50 dB(A) ten gevolge van verkeersaantrekkende werking.

Indien ook hieraan niet kan worden voldaan worden de volgende maximale richtwaarden aanbevolen:

55 dB(A) langtijdgemiddeld beoordelingsniveau;

70 dB(A) voor het maximale geluidniveau exclusief piekgeluiden door aan- en afrijden verkeer;

65 dB(A) ten gevolge van verkeersaantrekkende werking.

Het bevoegd gezag dient daarbij echter te motiveren waarom het deze geluidbelasting in de concrete situatie aanvaardbaar acht, waarbij tevens de cumulatie met eventueel reeds aanwezige geluidbelasting moet worden betrokken.

Ten behoeve van de vaststelling van het plan heeft de raad door de omgevingsdienst regio Utrecht akoestisch onderzoek laten verrichten, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "Akoestisch onderzoek bestemmingsplan De Raaphof" van oktober 2013 (hierna: het akoestisch rapport). In het akoestisch rapport staat dat voor de beoordeling van de akoestische situatie wat betreft discotheek Brothers is uitgegaan van muziekgeluid en voertuigbewegingen van komende en vertrekkende bezoekers van de discotheek. Daarnaast worden de gebouwen van Brothers gebruikt voor activiteiten die kunnen worden geschaard onder horeca in categorie 1 en 2. Wat betreft de voertuigbewegingen is uitgegaan van 40 personenauto’s in de dagperiode, 1020 in de avond- en 1020 in de nachtperiode. Voorts is uitgegaan van 16 bussen in zowel de avond- als de nachtperiode. Wat betreft de activiteiten van de overige op het bedrijventerrein toegelaten bedrijven staat in het akoestisch rapport dat daarvoor het geluid van voertuigbewegingen maatgevend is en wordt een overzicht van de voertuigbewegingen weergegeven in tabel 2. Hierin is ook het stallen van vrachtwagens meegenomen. [appellant] heeft niet nader geconcretiseerd in welk opzicht de genoemde verkeersbewegingen als gevolg van horeca en de stalling van vrachtwagens zouden zijn onderschat. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat in het rapport niet is uitgegaan van een representatieve bedrijfsvoering die overeenstemt met de maximale planologische mogelijkheden die het plan biedt. Het geeft evenmin aanleiding voor het oordeel dat het akoestisch rapport zodanige onjuistheden bevat of leemten in kennis vertoont dat de raad dit niet aan het besluit ten grondslag mocht leggen.

5.3. In het akoestisch rapport is de geluidhinder onderzocht voor de situatie waarin discotheek Brothers in bedrijf is en voor de overige situaties. Uit het akoestisch rapport volgt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van de geluidbelasting op de gevel van de dichtstbijzijnde woning aan de Schoudermantel 54, de woning van [appellant],

51 dB(A) bedraagt. Hiermee wordt de in de brochure aanbevolen voorkeurswaarde van 50 dB(A) uit bijlage 5, paragraaf B5.3 van de brochure overschreden. In het akoestisch rapport staat dat die overschrijding wordt veroorzaakt door muziekgeluid vanwege discotheek Brothers. De geluidbelasting blijft beneden de maximaal aanbevolen richtwaarde van 55 dB(A). Voorts volgt uit het akoestisch rapport dat het maximale geluidniveau op de woning in beide onderzochte situaties beneden de in de brochure maximaal aanbevolen richtwaarde van 65 dB(A) blijft. De raad heeft in de plantoelichting gemotiveerd dat, nu de in de brochure voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau aanbevolen richtwaarde uitsluitend in de avond- en nachtperiode met 1 dB(A) wordt overschreden, gedurende de uren dat discotheek Brothers in bedrijf is, en wel kan worden voldaan aan de maximaal aanbevolen richtwaarden, volgens hem geen onaanvaardbare geluidhinder zal optreden. Daarbij heeft de raad in aanmerking genomen dat het plangebied en de woning van [appellant] dichtbij de snelweg A12 zijn gelegen en dat de woningen aan de Schoudermantel zijn voorzien van geluidisolerende maatregelen die zijn aangebracht in het kader van een saneringsoperatie van de Wet geluidhinder met een geluidsisolerende werking van tenminste 26 dB(A). Gelet op die door de raad gegeven motivering heeft hij zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor onaanvaardbare geluidhinder niet behoeft te worden gevreesd.

Het betoog faalt.

Calamiteitenroute

6. [appellant] vreest dat de onderhouds-/calamiteitenroute aan de zuidkant van het plangebied als reguliere ontsluitingsroute zal worden gebruikt of op een later tijdstip wordt omgezet in een reguliere ontsluitingsroute.

6.1. Ten zuidwesten van het plangebied ligt het Raaphofse bos, een natuurgebied dat wordt beheerd door Staatsbosbeheer. In de plantoelichting staat dat voor het beheer en onderhoud van dat bos een toegangspad nodig is en dat dit toegangspad zal worden gecombineerd met een calamiteitenontsluiting voor het bedrijventerrein.

In het landschappelijk inrichtingsplan in bijlage 3 van de planregels is aan de zuidzijde van het plangebied een onderhouds-/calamiteitenroute weergegeven. Ingevolge artikel 4, lid 4.3.1, aanhef en onder c, en 6.3 aanhef en onder b van de planregels mogen de gronden met de bestemming "Bedrijventerrein" onderscheidenlijk "Tuin" ter plaatse van de in het inpassingsplan opgenomen onderhouds-/calamiteitenroute niet worden gebruikt als een gangbare in- en uitrit zonder toegangsbelemmeringen. Hiermee is planologisch gewaarborgd dat de calamiteitenroute niet mag worden gebruikt als een reguliere ontsluitingsroute van het bedrijventerrein of het Raaphofse bos. Voor zover [appellant] vreest dat de calamiteitenrouten niettemin zal worden gebruikt als reguliere ontsluitingsroute overweegt de Afdeling dat dit een kwestie van handhaving van het plan betreft die in deze procedure niet aan de orde kan komen. Voor zover [appellant] vreest dat in een volgend besluit alsnog wordt besloten het bedrijventerrein via die route te ontsluiten overweegt de Afdeling dat een dergelijk besluit thans niet ter beoordeling voorligt.

Het betoog faalt.

Geurhinder

7. [appellant] stelt dat de aanwezigheid van dieren vanwege de met het plan mogelijk gemaakte veeverzamelplaats op het bedrijventerrein zal leiden tot stankoverlast en een aantasting van zijn woongenot. In dit verband voert hij aan dat een toename van het aantal dieren op het bedrijventerrein meer stankoverlast geeft. Verder vreest hij voor geurhinder door uitlaatgassen van vrachtauto’s.

7.1. Ingevolge artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) wordt onder veehouderij verstaan: een inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aangewezen categorie behoort en is bestemd voor het fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, onder d, wordt een omgevingsvergunning met betrekking tot een veehouderij geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen buiten een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 8,0 odour units per kubieke meter (hierna Ou/m3) lucht.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, bedraagt de afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld en een geurgevoelig object ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

7.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.3.2, aanhef en onder a, van de planregels mogen ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf-veeverzamelplaats" op enig moment op het terrein en in de gebouwen maximaal 1.900 schapen of 1.400 varkens of 300 runderen en 100 paarden aanwezig zijn.

Ingevolge dat lid, aanhef en onder b, mogen met in achtneming van het bepaalde onder a, maximaal 100 dieren tegelijkertijd aanwezig zijn op het terrein en in de gebouwen ten behoeve van noodopvang van vee.

7.3. Gelet op het bepaalde in artikel 1 van de Wgv is zijn de veeverzamelplaats en het veetransportbedrijf een veehouderij in de zin van die wet. Het grondgebied van de gemeente Bunnik ligt buiten een concentratiegebied.

Voor paarden en runderen is geen geuremissiefactor als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, vastgesteld. Voorts is niet in geschil dat de woning van [appellant] buiten de bebouwde komt ligt. De in verband met geurhinder aan te houden afstand tussen de gronden waarop zich een veehouderij mag bevinden en de woning van [appellant] dient minimaal 50 meter te bedragen. De kortste afstand tussen de woning van [appellant] en de gronden in het plangebied met de bestemming "Bedrijventerrein", waarop een veehouderij mogelijk wordt gemaakt bedraagt ongeveer 52 meter, zodat wat betreft paarden en rundvee wordt voldaan aan de ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wgv vereiste afstand ter voorkoming van onaanvaardbare geurhinder.

Voor de beoordeling van geurhinder veroorzaakt door in de inrichting gehouden schapen en varkens zijn in de plantoelichting berekeningen opgenomen. Daarbij zijn afzonderlijke geurberekeningen gemaakt voor schapen en voor varkens omdat, gelet op het bepaalde in artikel 4, lid 4.3.2, aanhef en onder a, van de planregels, in de inrichting niet tegelijkertijd schapen en varkens mogen worden gehouden.

Uit de berekeningen in de plantoelichting volgt dat de geuremissie ter plaatse van de woning Schoudermantel 54 als gevolg van schapen en varkens 4,2, onderscheidenlijk 4,4 Ou/m3 bedraagt. De geurhinder blijft daarmee ruim beneden de ingevolge de Wgv voor veehouderijen geldende norm van 8 Ou/m3.

Wat betreft de cumulatie van geurbelasting volgt uit berekeningen in de nota van zienswijzen dat de achtergrondbelasting in en rond het plangebied 1 Ou/m3 bedraagt. Volgens de nota correspondeert dit met een zeer goed woon- en leefklimaat. [appellant] heeft de juistheid van de aldus uitgevoerde berekeningen niet gemotiveerd betwist.

Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in het plan mogelijk gemaakte veeverzamelplaats niet leidt tot onaanvaardbare geurhinder.

Het betoog faalt.

7.4. Wat betreft het betoog inzake de geurhinder veroorzaakt door uitlaatgassen van vrachtauto’s overweegt de Afdeling dat de kortste afstand van de woning van [appellant] tot de gronden met de bestemming "Bedrijventerrein", waar volgens het bestemmingsplan vrachtwagens zijn toegestaan, ongeveer 52 meter bedraagt. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad die afstand niet in redelijkheid voldoende groot heeft kunnen achten om onaanvaardbare geurhinder ten gevolge van uitlaatgassen van vrachtauto’s te voorkomen. Het betoog faalt.

Fruitteelt

8. [appellant] stelt dat de raad de gevolgen van de uitstoot van zwevende deeltjes (PM10) voor bomen in zijn fruitboomgaard die naast het plangebied staat, ten onrechte niet heeft beoordeeld. Verder betoogt hij dat de met het plan mogelijk gemaakte bebouwing en de verkeersbewegingen gevolgen kunnen hebben voor de kwaliteit van het water in de sloot tussen het plangebied en zijn perceel, dat hij voor de bevloeiing van de fruitbomen op zijn perceel gebruikt.

8.1. [appellant] heeft zijn betoog over de gevolgen van zwevende deeltjes voor zijn fruitbomen niet nader toegelicht. Reeds hierom faalt dit betoog.

Ter zitting heeft hij voorts het betoog over de kwaliteit van het water in de sloot toegespitst op een mogelijke verontreiniging van het slootwater. Hierbij heeft hij gesteld dat het slootwater een aantal jaren geleden wel eens verontreinigd is geraakt.

De Afdeling overweegt dat zodanige verontreiniging in het verleden los staat van de met het plan mogelijk gemaakte uitbreiding van het bedrijventerrein. [appellant] heeft niet toegelicht waarom het plan volgens hem kan leiden tot verontreiniging van het slootwater. De enkel bij hem bestaande vrees dat de aanwezigheid van het bedrijventerrein zou kunnen leiden tot verontreiniging van de sloot is in dat verband onvoldoende.

Het betoog faalt.

Bebouwing en landschappelijke uitstraling

9. [appellant] stelt dat de met het plan mogelijk gemaakte uitbreiding van bebouwing met een grotere bouwhoogte zal leiden tot een aantasting van de dorpse en landelijke uitstraling van het gebied, waardoor de kwaliteit van het gebied afneemt. Voorts tast die bebouwing zijn uitzicht en daarmee zijn woongenot aan.

9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat met het in de bijlage bij de planregels opgenomen inrichtingsplan de bouwmassa op het bedrijventerrein grotendeels aan het zicht zal worden onttrokken. Volgens de raad is met het inrichtingsplan de landschappelijke inpassing voldoende gewaarborgd.

9.2. De woning van [appellant] ligt op een afstand van ongeveer 60 m van het bouwvlak op het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein". De maximaal toegestane bouwhoogte op die afstand bedraagt 9 m. Het maximale bebouwingspercentage aldaar is 50. De afstand van de woning van [appellant] tot het gedeelte binnen het bouwvlak waar de bouwhoogte maximaal 12 meter bedraagt en het maximale bebouwingspercentage 70 is ongeveer 110 m. De afstand van de woning van [appellant] tot het gedeelte binnen het bouwvlak waar de bouwhoogte maximaal 15 meter en het bebouwingspercentage maximaal 70 bedraagt, is ongeveer 215 meter. De gronden waarop de laatstgenoemde bouwmogelijkheden zijn opgenomen maken voorts een klein deel uit van het totale bouwvlak. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat, hoewel de bebouwing op het bedrijventerrein vanaf het perceel van [appellant] zichtbaar zal zijn, dergelijke bouwmogelijkheden op die afstanden het uitzicht van [appellant] niet onaanvaardbaar aantasten. Hierbij betrekt de Afdeling dat de gronden met de bestemming "Bedrijventerrein" met een bouwvlak bezien vanaf de Schoudermantel niet direct naast de woning van [appellant], maar schuin daarachter zijn gelegen. Naast diens woning voorziet het plan binnen de bestemming "Tuin" in groenvoorzieningen.

9.3. Voor zover [appellant] betoogt dat de in het plan mogelijk gemaakte uitbreiding van de bebouwing leidt tot aantasting van de landelijke en dorpse uitstraling van het gebied heeft de raad gesteld het belang van een goede landschappelijke inpassing van het bedrijventerrein te onderschrijven. In de plantoelichting staat dat daarom voor het bedrijventerrein een landschappelijk inrichtingsplan is opgesteld. In de plantoelichting staat dat het uitgangpunt van het inrichtingsplan is om de kavelrichting van het onderliggende landschap te respecteren. Voorts staan in de plantoelichting de in het inrichtingsplan opgenomen maatregelen ten behoeve van landschappelijke inpassing vermeld. Daarbij gaat het onder meer om de volgende maatregelen. De beplanting wordt uitgevoerd in streekeigen soorten. Dat betekent dat vreemde beplantingssoorten worden gerooid. De tuin en het gazon aan de voorzijde blijven in stand, waardoor de oude hoeve goed tot zijn recht komt. De daarachter gelegen grondwal schermt geluid en zicht af van erachter gelegen functies en bebouwing. De wal zal over de gehele lengte worden beplant met houtwalsoorten. Voorts staat daarin dat aan de zuidoostzijde van het plangebied, tussen de onderhoudsstrook ten behoeve van de daar liggende sloot en het onderhouds/calamiteitenpad een bomenrij wordt geplaatst, bijvoorbeeld hoogstamfruitbomen of een windsingel van streekeigen bomen. De begroeide betonnen muur aan de zuidwestzijde van het bedrijventerrein blijft behouden ter voorkoming van geluid- en lichthinder in het ten zuidwesten van het bedrijventerrein liggende Raaphofse Bos en wordt uitgebreid langs het gehele parkeerterrein aan de zuidwestzijde van het bedrijventerrein. De bestaande grondwal tussen het parkeerterrein en de opslag wordt aangepast en beplant met

een houtwal. Om het zicht op vrachtwagens en de schuren iets te breken zullen enkele solitaire bomen in de landschappelijke haag worden geplant. Voor hagen wordt gekozen uit sleedoorn, meidoorn of veldesdoorn. Voor houtwallen zijn elzen, essen en wilgen op zijn plaats.

In de planregels is de uitvoering van het inrichtingsplan verzekerd. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de landschappelijke inpassing van het met het plan mogelijk gemaakte bedrijventerrein. De raad heeft zich voorts, gelet op de in het inrichtingsplan beschreven maatregelen, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat verwezenlijking van de in het plan voorziene bebouwing niet leidt tot aantasting van het landschappelijke karakter van het plangebied en de omgeving ervan.

Het betoog faalt.

Afwijkingsbevoegdheden

10. [appellant] voert aan dat uit artikel 4, lid 4.4, van de planregels, waarin is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning kan afwijken van het bepaalde in 4.1, onvoldoende blijkt hoe wordt omgegaan met de belangen van omwonenden.

10.1. Ingevolge artikel 4, lid 4.4, van de planregels kan het bevoegd gezag door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van:

a. het bepaalde in 4.1 en de vestiging van andere bedrijven toestaan mits deze, gezien de gevolgen daarvan voor de omgeving, naar aard en invloed vergelijkbaar zijn met de rechtstreeks toegelaten bedrijven;

b. het bepaalde in 4.1, onder d, en uitbreiding van horeca-activiteiten van categorie 3 toestaan als bedoeld in de bij deze regels behorende "Staat van horeca-activiteiten", mits:

1. voor de omgeving een goed woon- en leefklimaat wordt gegarandeerd;

2. de wijziging geen onevenredig nadelig effect heeft op het verkeer ter plaatse.

10.2. De raad stelt zich op het standpunt dat de in artikel 4, lid 4.4 opgenomen afwijkingbevoegdheid niet zal leiden tot aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. De in artikel 4, lid 4.4, opgenomen voorwaarden voor de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid zijn niet ongebruikelijk, aldus de raad. Het college zal per geval een afweging over de invulling van deze criteria dienen te maken. Daarbij kan enkel een omgevingsvergunning voor de vestiging van andere bedrijven worden verleend als de gevolgen van deze andere bedrijven voor omwonenden vergelijkbaar zijn met rechtstreeks toegelaten bedrijven, dan wel in het geval van verlening van een omgevingsvergunning ten behoeve van categorie 3 horeca, een goed woon- en leefklimaat voor omwonenden wordt gegarandeerd.

10.3. De Afdeling acht het standpunt van de raad niet onredelijk. Daarbij neemt zij in aanmerking dat van de daarin opgenomen afwijkingsbevoegdheid uitsluitend gebruik kan worden gemaakt indien voor de omgeving een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wordt gegarandeerd en gebruikmaking van de afwijkingsbevoegdheid geen onevenredig nadelig effect heeft op het verkeer ter plaatse. Daarmee is naar het oordeel van de Afdeling voldoende gewaarborgd dat bij de verlening van een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 4, lid 4.4, van de planregels rekening wordt gehouden met de gevolgen voor omwonenden en de verkeerssituatie.

Het betoog faalt.

Eindconclusie

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, griffier.

w.g. Uylenburg w.g. Taal

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 december 2016

325-656.