Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3467

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-12-2016
Datum publicatie
28-12-2016
Zaaknummer
201600863/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 oktober 2014 heeft het college het verzoek van [appellant] om een verkeersbesluit te nemen met betrekking tot een gedeelte van de Molendijk te Velden afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wegenverkeerswet 1994
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/14
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201600863/1/A1.

Datum uitspraak: 28 december 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Velden, gemeente Venlo,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 7 januari 2016 in zaak nr. 15/531 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Venlo.

Procesverloop

Bij besluit van 17 oktober 2014 heeft het college het verzoek van [appellant] om een verkeersbesluit te nemen met betrekking tot een gedeelte van de Molendijk te Velden afgewezen.

Bij besluit, verzonden op 26 januari 2015, heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 januari 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 november 2016, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. C.H.J.M. Michels, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant] is sinds 1 september 1992 eigenaar van de woning aan de [locatie] te Velden. In de nabije omgeving van de Molendijk liggen verschillende glastuinbouwbedrijven. Om deze glastuinbouwbedrijven te kunnen bereiken, maakt het vrachtverkeer onder meer gebruik van de Molendijk, waar ter hoogte van de woning van [appellant] maximaal 30 km/u gereden mag worden. [appellant] stelt dat hij door het gebruik van de Molendijk door vrachtverkeer aanzienlijke trillinghinder, geluidhinder en geurhinder ondervindt en dat een verslechtering van de luchtkwaliteit optreedt. [appellant] heeft het college verzocht een verkeersbesluit te nemen, inhoudende dat het deel van de Molendijk tussen de aanwezige verkeersborden "einde bebouwde kom Hasselderheide" en "begin bebouwde kom Schandelo" zodanig wordt ingericht dat het niet mogelijk is om daar feitelijk harder te rijden dan 30 km/u. Voorts heeft [appellant] het college verzocht om vrachtverkeer niet langer toe te staan over dit gedeelte van de Molendijk te rijden.

Bij het primaire besluit van 17 oktober 2014, gehandhaafd bij het besluit op bezwaar, heeft het college het verzoek van [appellant] om een verkeersbesluit te nemen afgewezen. De rechtbank heeft het besluit op bezwaar in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank kon het college in redelijkheid een groter belang toekennen aan het belang van de verkeersveiligheid en het belang van ondernemers in het glastuinbouwgebied om bereikbaar te zijn voor vrachtwagens dan aan de belangen van [appellant].

Toetsingskader

2. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994) kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

Ingevolge het tweede lid kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels voorts strekken tot:

a. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer;

b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden.

2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 26 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:59) komt aan het college van burgemeester en wethouders bij het nemen van een verkeersbesluit beoordelingsruimte toe bij de uitleg van de begrippen 'veiligheid op de weg', 'bruikbaarheid (van de weg)' en 'vrijheid van het verkeer'. Voorts is het aan het college om de verschillende belangen die betrokken moeten worden bij het nemen van een dergelijk besluit tegen elkaar af te wegen en om te beoordelen wanneer de in artikel 2 van de Wvw 1994 vermelde belangen het nemen van een verkeersmaatregel vergen. De rechter dient zich bij de beoordeling van een dergelijk besluit terughoudend op te stellen en te toetsen of de uitleg die het college van burgemeester en wethouders aan voormelde begrippen heeft gegeven, de grenzen van redelijke wetsuitleg te buiten gaat, of het besluit niet anderszins in strijd is met wettelijke voorschriften en of de afweging van de betrokken belangen zodanig onevenwichtig is dat dat college niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen.

Inrichtingsmaatregelen

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte heeft geweigerd een verkeersbesluit te nemen om het deel van de Molendijk bij zijn woning zo in te richten dat het voor het wegverkeer niet mogelijk is om op dat wegvak harder dan 30 km/u te rijden. Volgens [appellant] wordt deze maximumsnelheid regelmatig overschreden, ondanks de aanwezigheid van verkeersborden die ervan melding maken dat dit niet is toegestaan.

3.1. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Wvw 1994, geschiedt de plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, krachtens een verkeersbesluit.

Ingevolge het tweede lid geschieden maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg of tot het aanbrengen of verwijderen van voorzieningen ter regeling van het verkeer krachtens een verkeersbesluit, indien de maatregelen leiden tot een beperking of uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik kan maken.

3.2. Gelet op artikel 15, tweede lid, van de Wvw 1994 kan bij een verkeersbesluit worden besloten tot het treffen van maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg, als die maatregelen leiden tot een beperking of uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik kan maken. Maatregelen die alleen leiden tot een snelheidsbeperking, kunnen daarom niet krachtens een verkeersbesluit geschieden. De rechtbank heeft dan ook terecht geconcludeerd dat het college het verzoek om een verkeersbesluit te nemen in zoverre terecht heeft afgewezen.

Het betoog faalt.

Vrachtverkeerverbod

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren een verkeersbesluit te nemen om de Molendijk af te sluiten voor vrachtverkeer, reeds omdat hij al aan de Molendijk woonde voordat de desbetreffende glastuinbouwbedrijven zich in het gebied vestigden. Verder wijst hij erop dat het vrachtverkeer voor geluidhinder en luchtvervuiling zorgt en trillingen veroorzaakt, die tot schade aan zijn woning leiden. Volgens [appellant] is de Molendijk, gezien de breedte daarvan, ongeschikt voor vrachtverkeer. [appellant] stelt dat er bovendien goede alternatieve wegen zijn waar het vrachtverkeer gebruik van kan maken, zoals bijvoorbeeld de weg Bong. Ter zitting heeft [appellant] er nog op gewezen dat er veel mensen aan de Molendijk wonen die allen last van het vrachtverkeer hebben. Verder wijst [appellant] erop dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld, omdat andere wegen in de regio wel zijn afgesloten voor vrachtverkeer.

4.1. De Afdeling overweegt dat de enkele omstandigheid dat [appellant] reeds voor de vestiging van de glastuinbouwbedrijven in het gebied woonachtig was, niet betekent dat de rechtbank reeds daarom had moeten concluderen dat het college in redelijkheid had moeten besluiten de Molendijk af te sluiten voor vrachtverkeer. Zoals onder 2.1. is overwogen, dient het bestuursorgaan alle verschillende bij het nemen van een dergelijk besluit betrokken belangen tegen elkaar af te wegen.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de Molendijk geschikt is voor het gebruik door vrachtverkeer en dat het daarom niet nodig is vrachtverkeer niet langer toe te staan. Het college heeft in dit verband uiteengezet dat dit deel van de Molendijk is ingericht als een erftoegangsweg buiten de bebouwde kom. De weg bestaat uit een asfaltconstructie van 4,5 m breed met aan beide zijden een groene berm. Een dergelijke weg kan volgens een college een aanzienlijk hogere verkeersintensiteit aan dan zich voordoet op dit deel van de Molendijk. Ter zitting heeft het college toegelicht dat het zich wat betreft de geschiktheid van dit deel van de Molendijk voor vrachtverkeer heeft gebaseerd op richtlijnen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water-, en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (hierna: CROW).

[appellant] betoogt tevergeefs dat de Molendijk niet voldoet aan de richtlijnen van het CROW. Voor een erftoegangsweg buiten de bebouwde kom, waar het hier om gaat, zijn geen minimale inrichtingseisen van toepassing.

Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college geen betekenis heeft mogen toekennen aan een in 2014 gehouden verkeerstelling, waaruit volgens het college is gebleken dat op de drukste dag 517 voertuigen over de weg reden, waarvan 34 een trekker met oplegger waren. Deze aantallen heeft [appellant] als zodanig niet gemotiveerd bestreden. Het percentage vrachtverkeer is volgens het college niet hoog. Een verhouding van één trekker met oplegger op ongeveer 15 normale vervoersmiddelen is volgens het college een gebruikelijke verhouding tussen normaal en zwaar verkeer. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten dit uitgangspunt in dit geval onjuist te achten. Het college heeft zich, gelet op het vorenstaande, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het aantal vrachtwagens dat gebruik maakt van dit deel van de Molendijk als zodanig niet noopt tot een verbod voor vrachtwagens.

Niet in geschil is dat dat het vrachtverkeer op de Molendijk nadelige gevolgen, zoals geur-, geluid- en trillingshinder, met zich brengt voor [appellant]. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het, ondanks de door [appellant] gestelde nadelige gevolgen, ongewenst is om dit deel van de Molendijk voor vrachtverkeer af te sluiten. De Molendijk zorgt voor een verbinding tussen de N271 en het ten oosten daarvan gelegen glastuinbouwgebied en is daarom van economisch belang voor de desbetreffende glastuinbouwbedrijven. Volgens het college zijn er geen geschikte alternatieve wegen waarvan het vrachtverkeer, op een veilige manier, gebruik zou kunnen maken. Ter zitting heeft het college toegelicht dat andere nabijgelegen wegen smaller zijn dan dit deel van de Molendijk. Dat geldt ook voor de door [appellant] genoemde weg Bong. Als er geen vrachtwagens meer over de Molendijk zouden mogen rijden, zou dat er bovendien toe leiden dat meer vrachtverkeer door de kern van Velden zal rijden. Dit is volgens het college niet goed voor de verkeersveiligheid in Velden. [appellant] heeft hetgeen het college heeft gesteld niet gemotiveerd bestreden.

Reeds nu [appellant] zijn stelling dat het college bij soortgelijke situaties wel heeft besloten tot een verbod op vrachtverkeer niet met een concrete situatie heeft onderbouwd, komt daaraan geen betekenis toe.

Gezien het voorgaande, heeft de rechtbank, gelet op de aan het college bij het nemen van een verkeersbesluit toekomende beoordelingsmarge, terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de afweging van de betrokken belangen zodanig onevenwichtig is dat het college niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen.

Het betoog faalt.

Conclusie, schadevergoedingsverzoek en proceskosten

5. Het hoger beroep is ongegrond, in verband waarmee de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Nu hieruit volgt dat zich geen van de in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb opgenomen omstandigheden voordoen op grond waarvan een veroordeling tot vergoeding van geleden schade kan worden uitgesproken, zal het verzoek van [appellant] daartoe reeds daarom worden afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. D.J.C. van den Broek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

w.g. Van den Broek w.g. Van Heusden

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 december 2016

163-811.