Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3437

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-12-2016
Datum publicatie
28-12-2016
Zaaknummer
201603202/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 april 2015 heeft de staatssecretaris de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (hierna: terugkeerbesluit) en een inreisverbod jegens hem uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201603202/1/V3.

Datum uitspraak: 22 december 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 1 april 2016 in zaken nrs. 15/9754 en 15/17835 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 21 april 2015 heeft de staatssecretaris de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (hierna: terugkeerbesluit) en een inreisverbod jegens hem uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Bij brief van 1 juni 2015 heeft de staatssecretaris gereageerd op een door de vreemdeling ingediend zogeheten kennisgevingsformulier.

Bij besluit van 10 september 2015 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 1 april 2016 heeft de rechtbank het tegen het besluit van 10 september 2015 ingestelde beroep ongegrond verklaard en het tegen het besluit van 21 april 2015 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit en voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.L. van Riel, advocaat te Alkmaar, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1. Op 6 november 2014 heeft de vreemdeling bij de staatssecretaris een zogeheten kennisgevingsformulier ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Bij besluit van 21 april 2015 heeft de staatssecretaris jegens de vreemdeling een terugkeerbesluit genomen en een inreisverbod uitgevaardigd. Op 1 juni 2015 heeft de staatssecretaris gereageerd op het door de vreemdeling ingediende kennisgevingsformulier en daarbij te kennen gegeven dat de zaak administratief is afgesloten. Bij besluit van 10 september 2015 heeft de staatssecretaris het door de vreemdeling tegen die reactie gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Op 6 oktober 2015 heeft de vreemdeling een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Bij besluit van dezelfde dag heeft de staatssecretaris die aanvraag afgewezen en de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten.

Grieven

2. De vreemdeling klaagt in grief 1 dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het door hem ingediende kennisgevingsformulier geen aanvraag is in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb, dat de reactie van de staatssecretaris op dit formulier daarom geen besluit is en dat de staatssecretaris het door hem tegen die reactie gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.1. De Afdeling heeft de door de vreemdeling opgeworpen rechtsvraag al beantwoord in haar uitspraak van 29 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:945. Uit 1.3. van die uitspraak volgt dat grief 1 slaagt. De Afdeling zal de aangevallen uitspraak in zaak nr. 15/17835 vernietigen en - doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen - het in die zaak ingestelde beroep alsnog gegrond verklaren, het besluit van 10 september 2015 vernietigen en de met een besluit gelijkgestelde brief van 1 juni 2015 herroepen. Voorts zal de Afdeling de staatssecretaris krachtens artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb opdragen binnen twaalf weken na de verzending van deze uitspraak een besluit te nemen op de door vreemdeling met het kennisgevingsformulier ingediende aanvraag.

3. De vreemdeling klaagt in grief 2 dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de op hem rustende vertrekplicht vanaf 6 oktober 2015 niet meer op het terugkeerbesluit van 21 april 2015 berust, maar op het terugkeerbesluit van 6 oktober 2015 en dat hij bijgevolg geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep voor zover gericht tegen eerstgenoemd terugkeerbesluit.

3.1. Het besluit van 21 april 2015 houdt onder meer een terugkeerbesluit in. Uit 2.2. van de uitspraak van de Afdeling van 15 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3349, volgt dat de door de vreemdeling op 6 oktober 2015 ingediende aanvraag tot gevolg heeft gehad dat de feitelijke tenuitvoerlegging van het terugkeerbesluit van 21 april 2015 is geschorst en met de afwijzing van die aanvraag is hervat. Dit betekent dat de in het besluit van 6 oktober 2015 vervatte opdracht de Europese Unie onmiddellijk te verlaten, niet op rechtsgevolg is gericht en om die reden geen terugkeerbesluit is. De staatssecretaris heeft dan ook slechts het terugkeerbesluit van 21 april 2015 genomen. De vreemdeling had derhalve belang bij een inhoudelijke beoordeling van het tegen dit terugkeerbesluit ingestelde beroep.

Grief 2 slaagt. De Afdeling zal de aangevallen uitspraak in zaak nr. 15/9754 vernietigen voor zover betrekking hebbend op het terugkeerbesluit. Nu de staatssecretaris gelet op 2.1. nog moet beslissen op de met het kennisgevingsformulier ingediende aanvraag en de vreemdeling op 21 april 2015 dus rechtmatig hier te lande verbleef, had de staatssecretaris op die dag niet de bevoegdheid om het terugkeerbesluit te nemen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit alsnog gegrond verklaren en het terugkeerbesluit vernietigen.

4. De vreemdeling klaagt in grief 3 gemotiveerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris geen aanleiding heeft hoeven zien om van het uitvaardigen van het inreisverbod af te zien.

4.1. Gelet op het bepaalde in artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, gelezen in verbinding met artikel 62, tweede lid, van die wet, mag de staatssecretaris uitsluitend een inreisverbod jegens de vreemdeling uitvaardigen, indien hij ook een terugkeerbesluit neemt. De Afdeling heeft onder 3.1. geoordeeld dat de staatssecretaris op 21 april 2015 niet de bevoegdheid had een terugkeerbesluit te nemen. Dit betekent dat hij op die dag evenmin een inreisverbod mocht uitvaardigen.

Grief 3 slaagt. De Afdeling zal de aangevallen uitspraak in zaak nr. 15/9754 ook voor het overige vernietigen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep voor zover gericht tegen het inreisverbod gegrond verklaren en het inreisverbod vernietigen.

Conclusies

5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak op de hierboven vermelde wijzen afdoen.

6. De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 1 april 2016 in zaken nrs. 15/9754 en 15/17835;

III. verklaart de door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaken ingestelde beroepen gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 10 september 2015, V-nr. […];

V. herroept de met een besluit gelijkgestelde brief van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 1 juni 2015, V-nr. […];

VI. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 21 april 2015, V-nr. […];

VII. draagt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie op binnen twaalf weken na de verzending van deze uitspraak een besluit te nemen op de door de vreemdeling ingediende aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd;

VIII. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van bezwaar, beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.976,00 (zegge: tweeduizend negenhonderdzesenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de vreemdeling het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 418,00 (zegge: vierhonderdachttien euro) voor de behandeling van beroep en hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, griffier.

w.g. Verheij w.g. Waasdorp

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 december 2016

714.