Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3433

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-12-2016
Datum publicatie
21-12-2016
Zaaknummer
201506321/3/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 juni 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Ruimte voor ruimte" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3995
JOM 2017/1205
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201506321/3/R4.

Datum uitspraak: 21 december 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Sommelsdijk, gemeente Goeree-Overflakkee, en anderen,

2. [appellant sub 2], wonend te Sommelsdijk, gemeente Goeree-Overflakkee,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Goeree-Overflakkee,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 juni 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Ruimte voor ruimte" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Onder meer [appellant sub 1] en anderen en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Estate Invest Middelharnis II B.V. (hierna: Estate Invest) hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 maart 2016, waar onder meer [appellant sub 1] en anderen, bij monde van [gemachtigde], bijgestaan door mr. E.M. van Bommel, advocaat te Amsterdam, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. T. de Beet, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door M.P. Hoogmoed, werkzaam voor de gemeente, bijgestaan door A.J. Kranenburg, werkzaam bij Kranenburg & de Weerd, en mr. T.E.P.A. Lam, advocaat te Nijmegen, zijn verschenen. Voorts is ter zitting gehoord Estate Invest, vertegenwoordigd door mr. T.E.P.A. Lam.

Bij uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak van 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1066 (hierna: de tussenuitspraak), heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 26 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 18 juni 2015 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 16 juni 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Ruimte voor ruimte" gewijzigd vastgesteld.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te brengen over de wijze waarop de gebreken zijn hersteld. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.

De Afdeling heeft de zaak op een tweede zitting behandeld op 8 december 2016 waar [appellant sub 1] en anderen, bij monde van [gemachtigde], bijgestaan door mr. E.M. van Bommel, advocaat te Amsterdam, [appellant sub 2], en de raad, vertegenwoordigd door M.P. Hoogmoed, werkzaam voor de gemeente, bijgestaan door mr. T.E.P.A. Lam, advocaat te Nijmegen, zijn verschenen. Voorts is ter zitting gehoord Estate Invest, eveneens vertegenwoordigd door mr. T.E.P.A. Lam.

Overwegingen

Inleiding

1. Het bestemmingsplan voorziet in de bouw van veertien nieuwe woningen op verschillende locaties in de gemeente Goeree-Overflakkee. De in deze uitspraak relevante locatie betreft de locatie aan de Prutweg te Sommelsdijk, waar de bouw van zeven nieuwe woningen is voorzien. Ten behoeve van de bouw van deze woningen is op verschillende plaatsen binnen de gemeente bebouwing gesloopt of wegbestemd.

2. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] zijn allen eigenaar van een woning nabij de Prutweg. Zij vrezen onder meer dat de bouw van zeven nieuwe woningen aan de Prutweg zal leiden tot een aantasting van de landschappelijke waarden van het open landbouwgebied.

Opzet uitspraak

3. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak een aantal gebreken geconstateerd in het bestemmingsplan "Ruimte voor ruimte" dat de raad op 18 juni 2015 heeft vastgesteld en de raad in de gelegenheid gesteld deze gebreken te herstellen.

In deze uitspraak zal de Afdeling na de weergave van het toetsingskader als eerste ingaan op het verzoek van [appellant sub 1] en anderen om terug te komen van een oordeel in de tussenuitspraak. Vervolgens zal de Afdeling de beroepsgronden van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] tegen het herstelbesluit bespreken en beoordelen of de raad de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken heeft hersteld. Aan het einde van deze uitspraak staat een conclusie.

4. De relevante bepalingen uit de Verordening ruimte 2010 en de Verordening ruimte 2014 van de provincie Zuid-Holland alsmede de relevante planregels behorende bij het op 16 juni 2016 gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan "Ruimte voor ruimte" zijn opgenomen in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

Toetsingskader

5. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Verzoek om terug te komen van oordeel in tussenuitspraak

6. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling onder 10.3 geoordeeld dat de locatie aan de Prutweg, gelet op de daar voorziene kleinschalige woningbouw, niet op zichzelf als een woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) kan worden aangemerkt. Voorts heeft de Afdeling geoordeeld dat de locatie aan de Prutweg evenmin in samenhang met de plannen van Estate Invest om naast de locatie aan de Prutweg in de Everdinapolder 53 woningen te realiseren, als woningbouwlocatie kan worden aangemerkt. Daartoe heeft de Afdeling redengevend geacht dat de ontwikkeling van het woningbouwproject in de Everdinapolder nog slechts een voornemen van Estate Invest betreft waarvoor nog verschillende onderzoeken moeten worden uitgevoerd en waarvoor de benodigde besluitvorming, waaronder de benodigde ontheffing op grond van de Verordening ruimte 2014, ontbreekt.

6.1. [appellant sub 1] en anderen betogen in hun zienswijze dat de Afdeling moet terugkomen van het hiervoor weergegeven oordeel. Volgens hen dient de locatie aan de Prutweg wel degelijk in samenhang met het woningbouwproject dat Estate Invest in de Everdinapolder wil realiseren als een woningbouwlocatie te worden aangemerkt. Daartoe voeren zij aan dat na de zitting bij de Afdeling van 4 maart 2016 duidelijk is geworden dat de plannen voor het woningbouwproject in de Everdinapolder zich allerminst in een pril stadium bevinden. [appellant sub 1] en anderen stellen daartoe dat inmiddels is gebleken dat de raad herhaaldelijk heeft uitgesproken positief tegenover dit project te staan, omdat Estate Invest in ruil voor de woningbouwontwikkeling in de Everdinapolder zorg zal dragen voor de sanering van een geurbelastende varkenshouderij in Oude Tonge. Van deze zogenoemde saneringsafspraak en de positieve grondhouding van de raad zijn [appellant sub 1] en anderen naar eigen zeggen pas recent op de hoogte geraakt. Zij verwijzen daartoe onder meer naar een brief van het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) van 14 juni 2016 over het nieuwe woningbouwprogramma voor de gemeente, waarin van de saneringsafspraak melding is gemaakt, alsmede naar opnames van de raadsvergadering van 27 november 2014 waaruit volgens hen blijkt dat de raad zich reeds in die vergadering positief heeft uitgesproken over de woningbouwontwikkeling in de Everdinapolder. [appellant sub 1] en anderen stellen dat hen niet kan worden verweten dat zij niet eerder op deze raadsvergadering en de positieve grondhouding van de raad hebben gewezen, omdat op de agenda van de raadsvergadering van 27 november 2014 niet is vermeld dat in die vergadering de sanering van de geurbelastende varkenshouderij in Oude Tonge en de daarmee samenhangende woningbouwontwikkeling in de Everdinapolder aan de orde zijn gesteld. Dat de zeven woningen die in het onderhavige bestemmingsplan aan de Prutweg zijn voorzien één nieuwe woningbouwlocatie vormen samen met het - eveneens door Estate Invest - te realiseren woningbouwproject in de Everdinapolder, blijkt volgens [appellant sub 1] en anderen verder uit het door de raad vastgestelde "woningbouwprogramma 2016-2020 en 2020-2030" (hierna: het woningbouwprogramma), waarin staat dat beide projecten waarschijnlijk tussen 2016 en 2019 worden ontwikkeld.

6.2. De Afdeling stelt voorop dat zij behoudens zeer uitzonderlijke gevallen niet kan terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel.

Van de omstandigheid dat het eventuele toekomstige woningbouwproject in de Everdinapolder samenhangt met de sanering van een geurbelastende varkenshouderij in Oude Tonge was de Afdeling reeds voorafgaand aan de tussenuitspraak op de hoogte. De Afdeling verwijst hiertoe naar de brief van Estate Invest van 7 november 2014 en de notulen van de vergadering van het college van 16 december 2014, welke stukken [appellant sub 1] en anderen reeds als bijlage 8 bij hun beroepschrift van 7 augustus 2015 hebben overgelegd. In deze stukken is vermeld dat het college de bereidheid heeft uitgesproken om in ruil voor de sanering van een geurbelastende varkenshouderij in Oude Tonge onderzoek te doen naar de haalbaarheid van woningbouw in de Everdinapolder. Dat de raad reeds in zijn vergadering van 27 november 2014, nog voorafgaand aan de voornoemde collegevergadering van 16 december 2014 waarin het college nog slechts een bereidheid tot nader onderzoek heeft uitgesproken, al te kennen zou hebben gegeven positief tegenover de woningbouwontwikkeling in de Everdinapolder te staan, volgt naar het oordeel van de Afdeling niet uit de besluitenlijst van de raadsvergadering van 27 november 2014. Ook het in de zienswijze van [appellant sub 1] en anderen weergegeven citaat uit de raadsvergadering van 7 juli 2016, welke raadsvergadering bovendien dateert van na de tussenuitspraak, betreft geen standpunt van de raad maar uitsluitend een toelichting van het college over het woningbouwproject in de Everdinapolder. Van enige besluitvorming van de raad voorafgaand aan de tussenuitspraak over het woningbouwproject in de Everdinapolder is de Afdeling dan ook niet gebleken. De Afdeling wijst er dit verband op dat de raad tijdens de tweede zitting voorts heeft toegelicht dat het woningbouwproject in de Everdinapolder zich nog steeds in de voorbereidende fase bevindt. Voor dit project is met ingang van 16 november 2016 een voorontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding om terug te komen van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel dat gelet op de omstandigheid dat de benodigde besluitvorming van de raad en de benodigde onderzoeken voor het woningbouwproject in de Everdinapolder ontbreken, dit woningbouwproject niet één woningbouwlocatie vormt samen met de zeven woningen aan de Prutweg die het onderhavige bestemmingsplan zijn voorzien. De enkele omstandigheden dat de woningen aan de Prutweg en de 53 woningen in de Everdinapolder zijn voorzien op aangrenzende gronden, het initiatief zijn van dezelfde ontwikkelaar en zijn opgenomen in het woningbouwprogramma, zijn onvoldoende om te kunnen spreken van één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat de raad tijdens de tweede zitting bovendien heeft toegelicht dat de zeven woningen aan de Prutweg geen verband houden met de sanering van de geurbelastende varkenshouderij in Oude Tonge.

Het betoog van [appellant sub 1] en anderen faalt.

Herstelbesluit

7. De raad heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak op 16 juni 2016 het bestemmingsplan "Ruimte voor ruimte" gewijzigd vastgesteld. Dit herstelbesluit is ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) mede onderwerp van het geding.

Verordening ruimte 2014

Tussenuitspraak

8. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling onder 9.4 overwogen dat de bouw van zeven nieuwe woningen aan de Prutweg een ontwikkeling betreft die qua aard of schaal niet past binnen het gebied en dat deze ontwikkeling gelet op het bepaalde in artikel 2.2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening ruimte 2014 daarom uitsluitend is toegestaan indien de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. Daarbij moet ingevolge het bepaalde onder sub i sprake zijn van een zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart behorende bij de door provinciale staten vastgestelde Visie ruimte en mobiliteit. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak geconstateerd dat uit de plantoelichting noch uit andere stukken volgt dat de raad voor een zorgvuldige inbedding van de zeven woningen aan de Prutweg rekening heeft gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, hetgeen in strijd is met artikel 2.2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening ruimte 2014. De Afdeling heeft de raad in de tussenuitspraak daarom opgedragen alsnog rekening te houden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, dan wel een andere planregeling vast te stellen voor het plandeel met de bestemming "Wonen - 1" aan de Prutweg.

Herstelbesluit

9. In paragraaf 2.2 van de plantoelichting behorende bij het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan wordt naar aanleiding van de tussenuitspraak ingegaan op de vraag hoe de bouw van zeven nieuwe woningen aan de Prutweg zich verhoudt tot de relevante richtpunten van de verschillende lagen van de kwaliteitskaart. In deze motivering is betekenis toegekend aan de in het plan voorziene doortrekking van een bestaande waterpartij vanuit de nabijgelegen woonwijk in Sommelsdijk in de richting van het polderlandschap, waardoor volgens de plantoelichting in overeenstemming met de richtpunten behorende bij de laag van de ondergrond en de laag van de cultuur- en natuurlandschappen de zichtbaarheid van het oppervlaktewater wordt verbeterd, binnen het plangebied voldoende waterberging ontstaat en de krekenstructuur wordt versterkt. Daarnaast staat in de plantoelichting dat het doortrekken van de waterpartij bijdraagt aan een passende overgangskwaliteit van de dorpsrand van Sommelsdijk naar de polder, zoals in de richtpunten behorende bij de laag van de stedelijke occupatie is vereist. Deze passende overgangskwaliteit wordt voorts versterkt door de groenbestemming die in het bestemmingsplan is toegekend aan de gronden die grenzen aan het landelijk gebied en de eisen ten aanzien van de landschappelijke inpassing van de nieuwe woningen die zijn gesteld in het bij het bestemmingsplan behorende beeldkwaliteitsplan, aldus de plantoelichting. Verder wordt in de plantoelichting benadrukt dat de woningen niet worden gerealiseerd in het open middengebied van de polders, maar aan de Prutweg, nabij het bebouwde gebied van Sommelsdijk.

9.1. [appellant sub 1] en anderen trekken in hun zienswijze in twijfel of aan de relevante richtpunten van de verschillende lagen van de kwaliteitskaart wordt voldaan. Zij gaan daartoe in hun zienswijze in op verschillende volgens hen relevante richtpunten van de kwaliteitskaart waar naar hun mening bij de bouw van de zeven woningen aan de Prutweg niet aan wordt voldaan.

9.2. De Afdeling stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat mogelijk niet wordt voldaan aan alle relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, niet betekent dat zich reeds om die reden strijd voordoet met artikel 2.2.1, eerste lid, onder b, van de Verordening ruimte 2014. De Afdeling verwijst hiertoe naar de toelichting bij artikel 2.2.1 van de Verordening ruimte 2014 waar reeds is onderkend dat bij een ontwikkeling die niet past binnen de aard en schaal van het gebied, waaronder een beperkt aantal woningen in het buitengebied, niet aan alle richtpunten van de kwaliteitskaart kan worden voldaan. Ter beoordeling staat of de ruimtelijke kwaliteit uiteindelijk per saldo ten minste gelijk blijft. Hiervoor kunnen blijkens de toelichting bij artikel 2.2.1 van de Verordening ruimte 2014 ontwerpoptimalisatie, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen worden getroffen. De vraag of de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft, kan blijkens de toelichting voorts op gebiedsniveau in plaats van op perceelsniveau worden bezien.

Ten aanzien van de zeven woningen aan de Prutweg zijn er in het plan zowel aanvullende ruimtelijke maatregelen als inpassingsmaatregelen getroffen. De aanvullende ruimtelijke maatregelen bestaan, zoals de Afdeling reeds onder 9.4.1. van de tussenuitspraak heeft overwogen, onder meer uit het wegbestemmen en saneren van detonerende bebouwing in het buitengebied en het wegbestemmen van woningen en bouwrechten op locaties waar deze ruimtelijk niet gewenst zijn. Als inpassingsmaatregel heeft de raad het bij het bestemmingsplan behorende beeldkwaliteitsplan "Bestemmingsplan ‘Ruimte voor ruimte’: beeldkwaliteitsplan ten behoeve van de locatie Prutweg, Sommelsdijk" (hierna: het beeldkwaliteitsplan) vastgesteld. In artikel 11, lid 11.4.2, van de planregels is, kort gezegd, bepaald dat het realiseren van gebouwen ter plaatse van het bestemmingsvlak aan de Prutweg alleen is toegestaan indien de gebouwen landschappelijk worden ingepast conform het beeldkwaliteitsplan. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling onder 12.4 en 12.5 geoordeeld dat het beeldkwaliteitsplan evenals de planregels voorzien in een landschappelijke inpassing van de woningen aan de Prutweg. Daartoe heeft de Afdeling onder meer gewezen op de lage bebouwingsdichtheid en ruime opzet van de woningen, de gedeeltelijke groene omzoming van de locatie door middel van de toekenning van de bestemming "Tuin" aan de zijden van de locatie die grenzen aan het landelijk gebied en de vereisten in het beeldkwaliteitsplan over het materiaalgebruik bij de voorziene woningen en het groene karakter van de erfafscheidingen bij de woningen.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich gelet op de voornoemde aanvullende ruimtelijke maatregelen, in de vorm van sanering van onder meer landschap ontsierende agrarische bebouwing, in combinatie met de inpassingsmaatregelen die voor de woningen aan de Prutweg zullen worden getroffen, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de woningen aan de Prutweg zorgvuldig zijn ingebed in de omgeving en dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo op gebiedsniveau ten minste gelijk blijft. Met de aanvulling in de plantoelichting, waarin blijkens hetgeen hiervoor onder 9 is vermeld alsnog rekening is gehouden met verschillende richtpunten van de kwaliteitskaart en alsnog expliciet is getoetst aan het bepaalde in artikel 2.2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening ruimte 2014, is naar het oordeel van de Afdeling dan ook het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek hersteld.

Het betoog van [appellant sub 1] en anderen faalt.

Regionale Structuurvisie

Tussenuitspraak

10. In de tussenuitspraak is de Afdeling onder 11 ingegaan op het betoog van [appellant sub 1] en anderen dat de bouw van zeven woningen aan de Prutweg in strijd is met de "Regionale Structuurvisie Goeree-Overflakkee" (hierna: de Regionale Structuurvisie). Deze Regionale Structuurvisie is in 2010 vastgesteld door de rechtsvoorgangers van de raad, zijnde de raden van de gemeente Dirksland, Goedereede, Middelharnis en Oostflakkee. Daartoe hebben [appellant sub 1] en anderen erop gewezen dat de gronden aan de Prutweg waar de zeven woningen zijn voorzien in de Regionale Structuurvisie niet zijn aangeduid als uitbreidingslocatie en voorts buiten de in de Regionale Structuurvisie opgenomen dorpscontouren zijn gelegen. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak onder 11.2 geconstateerd dat deze stelling van [appellant sub 1] en anderen feitelijk juist is. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling in hetgeen de raad heeft gesteld vervolgens onvoldoende aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat de bouw van de voorziene zeven woningen aan de Prutweg desondanks niet in strijd is met de Regionale Structuurvisie. De Afdeling heeft de raad daarom in de tussenuitspraak in de gelegenheid gesteld hetzij alsnog draagkrachtig te motiveren dat de voorziene woningen aan de Prutweg niet in strijd zijn met de Regionale Structuurvisie, dan wel draagkrachtig te motiveren waarom de raad in zoverre afwijkt van de Regionale Structuurvisie, dan wel een andere planregeling vast te stellen voor het plandeel met de bestemming "Wonen - 1" aan de Prutweg.

Herstelbesluit

11. In paragraaf 3.1.3 van de toelichting behorende bij het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan is toegelicht waarom de bouw van zeven woningen aan de Prutweg, ondanks dat deze woningen worden gerealiseerd buiten de in de Regionale Structuurvisie aangeduide uitbreidingslocaties en dorpscontouren, niet in strijd is met de Regionale Structuurvisie. Daartoe wordt in de plantoelichting erop gewezen dat de zeven woningen aan de Prutweg worden gebouwd ter compensatie van het wegbestemmen en saneren van detonerende en vanuit ruimtelijk oogpunt niet langer wenselijke bebouwing in de gemeente, ook wel genoemd de ruimte-voor-ruimteregeling. In de plantoelichting wordt in dit verband verwezen naar pagina 20 en 24 van de Regionale Structuurvisie waar is vermeld dat sanering van agrarische complexen met toepassing van de ruimte-voor-ruimteregeling onderdeel is van de concrete gemeentelijke beleidsopgaven en een van de kansen vormt om de kwaliteit van het landschap te verbeteren en te versterken. Hieruit kan volgens de raad worden afgeleid dat de Regionale Structuurvisie uitdrukkelijk de mogelijkheid heeft willen bieden om met toepassing van de ruimte-voor-ruimteregeling ruimtelijke kwaliteitsverbeteringen tot stand te brengen. De afgelopen jaren zijn dan ook op verschillende locaties buiten de dorpscontouren en uitbreidingslocaties in het kader van de ruimte-voor-ruimteregeling nieuwe woningen gebouwd, aldus de raad.

11.1. Uit het verhandelde tijdens de tweede zitting is gebleken dat het geschil zich toespitst op de vraag of, gelet op de in de Regionale Structuurvisie vermelde ontwikkelingssystematiek voor woningbouw, de compensatiewoningen die met toepassing van de ruimte-voor-ruimteregeling worden gebouwd eveneens uitsluitend binnen de aangeduide dorpscontouren en uitbreidingslocaties zijn toegestaan. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat dit niet het geval is. In de ontwikkelingssystematiek voor woningbouw wordt uitgegaan van de bouw van nieuwe woningen binnen de in de Regionale Structuurvisie aangeduide dorpscontouren en uitbreidingslocaties. Volgens de raad is het echter inherent aan de ruimte-voor-ruimteregeling dat de compensatiewoningen worden gebouwd in het buitengebied ter plaatse van de gesaneerde bebouwing of op andere locaties buiten bestaand stedelijk gebied waar de bouw van nieuwe woningen op basis van het geldende woningbouwbeleid niet reeds is toegestaan. Het toestaan van compensatiewoningen op locaties waar nieuwe woningen zonder toepassing van de ruimte-voor-ruimteregeling niet zijn toegestaan, is volgens de raad noodzakelijk om het saneren van onder meer voormalige agrarische bebouwing aantrekkelijk te maken.

De Afdeling stelt vast dat het standpunt van de raad wordt ondersteund door het beleidsdocument "Beleid zandwallengebied en bebouwingslinten", welk beleid de raad op 3 december 2015 heeft vastgesteld. Dit beleid bevat het kader voor woningbouwontwikkelingen die het verleden vielen onder de ruimte-voor-ruimteregeling. In dit beleid is vermeld dat om het saneren van voormalige agrarische bebouwing aantrekkelijker te maken de ruimte-voor-ruimteregeling is bedacht en dat op basis daarvan wordt meegewerkt aan de bouw van woningen in het buitengebied op locaties waar dit normaal gesproken niet is toegestaan. In de Regionale Structuurvisie is bovendien bij de gemeentelijke beleidsopgaven nadrukkelijk melding gemaakt van de ruimte-voor-ruimteregeling. De raad heeft voorts toegelicht dat zijn standpunt wordt ondersteund door de op 2 juli 2010 door provinciale staten van Zuid-Holland vastgestelde Verordening ruimte 2010. Deze verordening bevatte ten tijde van de vaststelling van de Regionale Structuurvisie de juridisch bindende provinciale regels. In artikel 2, tweede lid, van deze verordening werd eveneens de mogelijkheid geboden om onder voorwaarden buiten de op de kaart bij de verordening aangeduide bebouwingscontouren een of meer compensatiewoningen te realiseren.

Met de raad is de Afdeling gelet op het vorenstaande van oordeel dat ervan moet worden uitgegaan dat de Regionale Structuurvisie er niet aan in de weg staat dat op basis van deze regeling compensatiewoningen worden gerealiseerd buiten de dorpscontouren en uitbreidingslocaties aangeduid in de Regionale Structuurvisie. De drijfveer van de ruimte-voor-ruimteregeling is immers dat in ruil voor ruimtelijke kwaliteitsverbeteringen woningen mogen worden gebouwd buiten deze contouren en locaties. Aan het vorenstaande doet naar het oordeel van de Afdeling in de gegeven omstandigheden dan ook niet af dat bij de in de Regionale Structuurvisie genoemde ontwikkelingssystematiek voor woningbouw geen expliciete uitzondering is gemaakt voor compensatiewoningen die op basis van de ruimte-voor-ruimteregeling mogen worden gebouwd.

11.2. De raad heeft gelet op het vorenstaande naar het oordeel van de Afdeling alsnog draagkrachtig gemotiveerd waarom de bouw van de in het plan voorziene zeven compensatiewoningen aan de Prutweg niet in strijd is met de Regionale Structuurvisie. Het in de tussenuitspraak op dit punt geconstateerde gebrek is hersteld.

Het betoog van [appellant sub 1] en anderen faalt.

Omvang van de voorziene bebouwing

Tussenuitspraak

12. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak onder 13.2 geconstateerd dat de planregels een afwijkingsbevoegdheid bevatten op grond waarvan het college een omgevingsvergunning kan verlenen om de inhoud van een woning te vergroten, maar dat in de planregels geen maximale inhoud en maximale bouwhoogte van de woningen is opgenomen na toepassing van deze afwijkingsbevoegdheid. Met de toelichting dat dit niet gebruikelijk is in de gemeente, heeft de raad ontoereikend gemotiveerd waarom het ontbreken van een maximale bouwhoogte en maximale inhoud na toepassing van de afwijkingsbevoegdheid op de locatie aan de Prutweg - aan de rand van de kern van Sommelsdijk - ruimtelijk aanvaardbaar is, aldus de Afdeling in de tussenuitspraak. Daarbij heeft de Afdeling voorts vermeld dat de raad ter zitting heeft toegelicht dat hij bij nader inzien er geen bezwaren tegen heeft om voor de woningen aan de Prutweg een maximale bouwhoogte en maximale inhoud na toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in het plan op te nemen. De Afdeling heeft de raad in de tussenuitspraak daarom opgedragen met inachtneming van overweging 13.2 een maximumbouwhoogte voor de woningen aan de Prutweg in het plan op te nemen en in artikel 11, lid 11.3, onder 11.3.1, van de planregels een maximale inhoud voor de woningen op te nemen.

Herstelbesluit

Maximale bouw- en goothoogte

13. In het bij besluit van 16 juni 2016 gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan "Ruimte voor ruimte" is aan artikel 11, lid 11.2.1, van de planregels voor de als "Wonen - 1" bestemde gronden de planregel toegevoegd dat ter plaatse van de aanduiding "maximum bouwhoogte (m)" de bouwhoogte van een woning niet meer mag bedragen dan aangegeven.

13.1. Tijdens de tweede zitting is komen vast te staan dat binnen het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen - 1" ter plaatse van de locatie aan de Prutweg op de digitale verbeelding behorende bij het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan geen aanduiding voor de maximale bouwhoogte is opgenomen. De raad heeft gesteld dat dit een fout betreft, omdat op de papieren verbeelding behorende bij het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan wel een aanduiding voor de maximale bouwhoogte is opgenomen van 11,5 meter.

Nu de digitale verbeelding juridisch bindend is en daarin de door de raad gewenste aanduiding voor de maximale bouwhoogte ontbreekt, moet worden geoordeeld dat het herstelbesluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

13.2. De raad heeft de Afdeling verzocht ten aanzien van het ontbreken van de aanduiding voor de maximale bouwhoogte in de digitale verbeelding zelf in de zaak te voorzien.

De Afdeling zal in het onderstaande allereerst beoordelen of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een maximale bouwhoogte van 11,5 meter voor de woningen aan de Prutweg vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is. Indien dat het geval is, zal de Afdeling vervolgens beoordelen of aanleiding bestaat op dit punt zelf in de zaak te voorzien.

13.3. [appellant sub 1] en anderen stellen in hun zienswijze dat een maximale bouwhoogte van 11,5 meter afwijkt van de toezegging in de nota van inspraak en overleg dat bij de woningen aan de Prutweg sprake zal zijn van woningen met één of twee bouwlagen met een kap. Een maximale bouwhoogte van 11,5 meter biedt de mogelijkheid woningen te realiseren met drie of vier bouwlagen, aldus [appellant sub 1] en anderen. Dit is volgens hen voorts in strijd met het bij het bestemmingsplan behorende beeldkwaliteitsplan. Verder stellen [appellant sub 1] en anderen zich op het standpunt dat een maximale bouwhoogte van 11,5 meter niet aansluit bij de bouwhoogte van de twee bestaande woningen aan de Prutweg en de Kraaijensteinsedijk aan de noordzijde van het plangebied, waarvan de bouwhoogte volgens hen ongeveer 8,67 meter bedraagt.

Ook [appellant sub 2] stelt zich in zijn zienswijze op het standpunt dat een maximale bouwhoogte van 11,5 meter niet passend is bij de bouwhoogte van de bestaande woningen aan de noordzijde van het plangebied. Dit geldt volgens hem voorts voor de toegestane maximale goothoogte van 6 meter.

13.4. Wat betreft de goothoogte overweegt de Afdeling dat in het op 18 juni 2015 vastgestelde bestemmingsplan "Ruimte voor ruimte" ter plaatse van de voorziene woningen aan de Prutweg reeds een aanduiding voor de maximale goothoogte van 6 meter was toegekend. [appellant sub 2] heeft zich in zijn beroep niet gericht tegen deze aanduiding. Door zich in zijn zienswijze alsnog tegen de aanduiding voor de maximale goothoogte te richten, heeft [appellant sub 2] zijn beroepsgronden uitgebreid met nieuwe, niet eerder aangedragen beroepsgronden. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting alsmede de rechtszekerheid van de andere partijen, kan niet worden aanvaard dat na de tussenuitspraak nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die reeds tegen het oorspronkelijke besluit naar voren hadden kunnen worden gebracht. Dit betekent dat hetgeen [appellant sub 2] in zijn zienswijze over de goothoogte heeft aangevoerd, buiten inhoudelijke bespreking blijft.

13.5. Ten aanzien van de maximale bouwhoogte overweegt de Afdeling verder als volgt.

In de nota van inspraak en overleg van 10 december 2014, die het college heeft opgesteld naar aanleiding van de terinzagelegging van het voorontwerp voor het bestemmingsplan "Ruimte voor ruimte", is vermeld dat de woningen aan de Prutweg zullen bestaan uit een of twee bouwlagen met een kap. In het besluit van de raad tot vaststelling van het bestemmingsplan "Ruimte voor ruimte" is niet vermeld dat de raad instemt met het vermelde in de nota van inspraak en overleg. Nu uitsluitend het college de nota van inspraak en overleg heeft vastgesteld en de bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan niet berust bij het college maar bij de raad, ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad met het toestaan van een maximale bouwhoogte van 11,5 meter voor de woningen aan de Prutweg in strijd handelt met een door of namens hem gedane toezegging.

De Afdeling stelt verder vast dat in het bij het bestemmingsplan behorende beeldkwaliteitsplan ten aanzien van de hoogte van de voorziene woningen aan de Prutweg uitsluitend is vermeld dat de gevelhoogte (goothoogte) van de woningen maximaal 6 meter zal bedragen. Over de maximale bouwhoogte is in het beeldkwaliteitsplan niets vermeld. Gelet hierop ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad met het toestaan van een maximale bouwhoogte van 11,5 meter in strijd handelt met het vermelde in het beeldkwaliteitsplan.

Tot slot ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een maximale bouwhoogte van 11,5 meter passend kan worden geacht bij de reeds bestaande woningen nabij de Prutweg. Daartoe overweegt de Afdeling dat de twee woningen aan de noordzijde van het plangebied, waarvan de bouwhoogte volgens [appellant sub 1] en anderen ongeveer 8,67 meter bedraagt, op enkele tientallen meters van het plangebied zijn gesitueerd. Het standpunt van de raad dat een verhoging van de bouwhoogte van 8,67 meter naar 11,5 meter op een dergelijke afstand ruimtelijk aanvaardbaar is, mede gelet op de ruime opzet van de in het plangebied aan de Prutweg voorziene woningen, acht de Afdeling niet onredelijk. De Afdeling betrekt hierbij dat de raad op de tweede zitting voorts onweersproken heeft gesteld dat de bouwhoogte van de woningen in de ten zuiden van het plangebied gelegen woonwijk, waar de woningen van [appellant sub 1] en anderen zijn gesitueerd, reeds tussen de 10 en 10,5 meter bedraagt.

De betogen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] falen.

13.6. Nu de Afdeling gelet op het vorenstaande in het aangevoerde geen aanleiding ziet voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten voor de woningen aan de Prutweg een maximale bouwhoogte van 11,5 meter toe te staan, zal de Afdeling beoordelen of aanleiding bestaat om op dit punt zelf in de zaak te voorzien.

Hiervoor dient te worden beoordeeld of derdebelanghebbenden in hun belangen zouden kunnen worden geschaad indien ter plaatse van de voorziene woningen aan de Prutweg op de digitale verbeelding alsnog een aanduiding voor de maximale bouwhoogte van 11,5 meter wordt opgenomen. Estate Invest, die als ontwikkelaar de belangen behartigt van de toekomstige bewoners van de voorziene woningen, heeft tijdens de tweede zitting ingestemd met het toekennen van deze bouwaanduiding. De Afdeling ziet verder geen aanleiding voor het oordeel dat eventuele in deze procedure niet kenbare omwonenden nabij de Prutweg in hun belangen zouden kunnen worden geschaad, indien de Afdeling zelf in de zaak voorziet. Zonder het toekennen van een aanduiding voor de maximale bouwhoogte is de bouwhoogte planologisch niet begrensd met als gevolg dat aan de Prutweg ook woningen kunnen worden gerealiseerd met een bouwhoogte van meer dan 11,5 meter.

Nu niet aannemelijk is dat derdebelanghebbenden in hun belangen zouden kunnen worden geschaad, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb op de hierna te melden wijze zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat deze uitspraak ten aanzien van dit planonderdeel in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dit is vernietigd.

Maximale inhoud

14. In het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan "Ruimte voor ruimte" is aan artikel 11, lid 11.3.1, van de planregels, waarin voor het college de bevoegdheid is opgenomen om bij een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan een grotere inhoud van de woning toe te staan dan de in lid 11.2.1 genoemde 750 m3, de afwijkingsvoorwaarde toegevoegd dat de inhoud van de woning niet meer mag bedragen dan 850 m3. In artikel 11, lid 11.3.1, van de planregels is vermeld dat dit de inhoud is inclusief aan- en uitbouwen, maar exclusief vrijstaande bijgebouwen en overkappingen.

14.1. [appellant sub 1] en anderen stellen in hun zienswijze dat met een maximale inhoud van 850 m3 niet langer sprake is van een landschappelijke inpassing van de woningen. Dit is volgens hen in strijd met de doelstellingen van het beeldkwaliteitsplan en artikel 2.2.1 van de Verordening ruimte 2014. Zij wijzen er daarbij op dat de maximale inhoud van 850 m3 exclusief vrijstaande bijgebouwen en overkappingen is, waarvan de oppervlakte blijkens de planregels na verlening van een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan 100 m2 dan wel, afhankelijk van de grootte van het perceel, 125 m2 mag bedragen.

14.2. In artikel 11, lid 11.3.1, van de planregels is neergelegd dat een vergroting van de woning naar 850 m3 uitsluitend is toegestaan indien de grotere inhoud van de woning vanuit stedenbouwkundig en landschappelijk oogpunt aanvaardbaar is. Dit geldt eveneens voor een vergroting van de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen bij een woning naar 100 m2 dan wel, afhankelijk van de grootte van het perceel, 125 m2. Een dergelijke oppervlakte is ingevolge lid 11.3.2 van de planregels uitsluitend toegestaan bij omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan onder de voorwaarde dat de bijgebouwen vanuit landschappelijk oogpunt aanvaardbaar zijn dan wel op andere wijze in het landschap zijn ingepast. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich gelet op de in de planregels opgenomen voorwaarden omtrent de landschappelijke inpassing van de gebouwen in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een maximale inhoud van 850 m3 niet in strijd is met de uitgangspunten van het beeldkwaliteitsplan en het in artikel 2.2.1 van de Verordening ruimte 2014 opgenomen vereiste dat de nieuwe ruimtelijke ontwikkeling zorgvuldig dient te zijn ingebed in de omgeving.

Het betoog faalt.

Beeldkwaliteitsplan

Tussenuitspraak

15. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak onder 12.1 overwogen dat de raad ter zitting heeft erkend dat in artikel 11, lid 11.4.2, van de planregels abusievelijk is verwezen naar de beeldkwaliteitsparagraaf in plaats van naar het bij het bestemmingsplan behorende beeldkwaliteitsplan. Nu de raad zich aldus op een ander standpunt heeft gesteld dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding hebben gegeven, heeft de Afdeling geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. De Afdeling heeft de raad in de tussenuitspraak opgedragen met inachtneming van de overwegingen in de tussenuitspraak artikel 11, lid 11.4.2, van de planregels te wijzigen.

Herstelbesluit

16. In het gewijzigde bestemmingsplan heeft de raad in artikel 11, lid 11.4.2, van de planregels het woord beeldkwaliteitsparagraaf vervangen door het woord beeldkwaliteitsplan.

16.1. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hebben over voornoemde wijziging van de planregels geen zienswijze naar voren gebracht. De Afdeling leidt hieruit af dat zij geen bezwaren hebben tegen deze wijziging.

Conclusie

Besluit van 18 juni 2015

17. In de tussenuitspraak is onder 5 overwogen dat [appellant sub 1] en anderen geen belanghebbenden als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb zijn, voor zover het beroep is gericht tegen andere plandelen dan het plandeel met de bestemming "Wonen - 1" ter plaatse van de locatie aan de Prutweg te Sommelsdijk. De Afdeling heeft overwogen dat [appellant sub 1] en anderen daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep kunnen instellen. Gelet hierop verklaart de Afdeling het beroep van [appellant sub 1] en anderen in zoverre niet-ontvankelijk.

18. Gelet op hetgeen voor het overige in de tussenuitspraak is overwogen, zijn de beroepen van [appellant sub 1] en anderen, voor zover ontvankelijk, en [appellant sub 2] tegen het besluit van 18 juni 2015 gegrond. Dat besluit dient wegens strijd met artikel 2.2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening ruimte 2014 en wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen - 1" ter plaatse van de locatie aan de Prutweg te Sommelsdijk.

Herstelbesluit van 16 juni 2016

19. De beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] tegen het herstelbesluit van 16 juni 2016 zijn gegrond. Dat besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd, voor zover in de digitale verbeelding binnen het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen - 1" ter plaatse van de locatie aan de Prutweg te Sommelsdijk een aanduiding voor de maximale bouwhoogte ontbreekt. Zoals hiervoor onder 13.6 is overwogen, ziet de Afdeling aanleiding om op dit punt op hierna te melden wijze zelf in de zaak te voorzien.

Verwerking in het elektronisch vastgestelde plan

20. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Proceskosten

21. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en anderen tegen het besluit van de raad van de gemeente Goeree-Overflakkee van 18 juni 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Ruimte voor ruimte", voor zover gericht tegen andere plandelen dan het plandeel met de bestemming "Wonen - 1" ter plaatse van de locatie aan de Prutweg te Sommelsdijk, niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en anderen, voor zover ontvankelijk, en [appellant sub 2] tegen het besluit van de raad van de gemeente Goeree-Overflakkee van 18 juni 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Ruimte voor ruimte", gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Goeree-Overflakkee van 18 juni 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Ruimte voor ruimte", voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen - 1" ter plaatse van de locatie aan de Prutweg te Sommelsdijk;

IV. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] tegen het besluit van de raad van de gemeente Goeree-Overflakkee van 16 juni 2016 tot vaststelling van het gewijzigde bestemmingsplan "Ruimte voor ruimte" gegrond;

V. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Goeree-Overflakkee van 16 juni 2016 tot vaststelling van het gewijzigde bestemmingsplan "Ruimte voor ruimte", voor zover in de digitale verbeelding binnen het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen - 1" ter plaatse van de locatie aan de Prutweg te Sommelsdijk een aanduiding voor de maximale bouwhoogte ontbreekt;

VI. bepaalt dat in de digitale verbeelding behorende bij het op 16 juni 2016 gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan "Ruimte voor ruimte" binnen het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen - 1" ter plaatse van de locatie aan de Prutweg de aanduiding "maximum bouwhoogte (m): 11,5" wordt opgenomen;

VII. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het onder V. vernietigde besluit;

VIII. draagt de raad van de gemeente Goeree-Overflakkee op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorgt te dragen dat het hier hiervoor vermelde onderdeel VI. wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat is te raadplegen op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl;

IX. veroordeelt de raad van de gemeente Goeree-Overflakkee tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van:

a. € 1.736,00 (zegge: zeventienhonderdzesendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, aan [appellant sub 1] en anderen, met dien verstande dat de betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

b. € 1.240,00 (zegge: twaalfhonderdveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, aan [appellant sub 2];

X. gelast dat de raad van de gemeente Goeree-Overflakkee aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:

a. € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) voor [appellant sub 1] en anderen, met dien verstande dat de betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

b. € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) voor [appellant sub 2].

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. J.W. van de Gronden en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.C. van Zuijlen, griffier.

w.g. Van Sloten w.g. Van Zuijlen

voorzitter griffier

810.

BIJLAGE

Verordening ruimte 2014

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

[…]

aa. kwaliteitskaart: kaart van de Visie ruimte en mobiliteit en die is opgebouwd uit vier lagen: de laag van de ondergrond, de laag van de cultuur- en natuurlandschappen, de laag van de stedelijke occupatie en de laag van de beleving;

[…].

Artikel 2.2.1 Ruimtelijke kwaliteit

Lid 1 Ruimtelijke kwaliteit bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen

Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit:

a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen);

b. als de ruimtelijke ontwikkeling qua aard of schaal niet past binnen het gebied (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door:

i. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en

ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid;

[…].

Lid 3 Aanvullende ruimtelijke maatregelen

a. De aanvullende ruimtelijke maatregelen kunnen bestaan uit (een combinatie van):

i. duurzame sanering van leegstaande bebouwing, kassen en/of boom- en sierteelt;

ii. wegnemen van verharding;

iii. toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen;

iv. andere maatregelen waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbetert;

[…].

Verordening ruimte 2010

Artikel 2 Regels voor het gebied buiten de bebouwingscontouren

Lid 1 Bestemmingsplannen voor gronden buiten de bebouwingscontouren (zoals aangegeven op kaart 1) sluiten bestemmingen uit die nieuwvestiging of uitbreiding van stedelijke functies, intensieve recreatieve functies of bebouwing voor extensieve recreatieve functies mogelijk maken.

Lid 2 In afwijking van het bepaalde in lid 1 kunnen bestemmingsplannen voor gronden buiten de bebouwingscontouren de volgende ontwikkelingen mogelijk maken:

a) ruimte voor ruimte, toepassing ter plekke ‘Ruimte voor ruimte’; de sloop van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen, kassen of andere gebouwen danwel de sanering van sierteelt en de bouw van één of meer compensatiewoningen ter plekke of in de directe omgeving van de gesloopte bebouwing of in aansluiting op bestaande bebouwingsclusters. […].

Bestemmingsplan "Ruimte voor ruimte" vastgesteld op 16 juni 2016

Artikel 11 Wonen - 1

11.2 Bouwregels

Op de in lid 11.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat:

11.2.1 Gebouwen

[…]

e. de inhoud van een woning inclusief aan- en uitbouwen (maar exclusief vrijstaande bijgebouwen en overkappingen) maximaal 750 m3 mag bedragen, tenzij de inhoud van de bestaande woning reeds groter is in welk geval de bestaande inhoud als maximum geldt;

f. ter plaatse van de aanduiding ‘maximum goothoogte (m)’ de goothoogte van een woning niet meer mag bedragen dan aangegeven;

g. ter plaatse van de aanduiding ‘maximum bouwhoogte (m)’ de bouwhoogte van een woning niet meer mag bedragen dan aangegeven;

h. bij iedere woning vrijstaande bijgebouwen en overkappingen mogen worden gebouwd, mits:

[…];

2. de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen en overkappingen niet meer bedraagt dan 75 m2;

[…].

11.3 Afwijken van de bouwregels

11.3.1 Grotere inhoud woning

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 11.2.1 onder d (lees: onder e) ten behoeve van een grotere inhoud van de woning inclusief aan- en uitbouwen (maar exclusief vrijstaande bijgebouwen en overkappingen) onder de voorwaarden dat:

a. de grotere inhoud van de woning vanuit stedenbouwkundig en landschappelijk oogpunt aanvaardbaar is;

b. de grotere inhoud van de woning vanuit milieuhygiënisch oogpunt aanvaardbaar is;

c. de grotere inhoud van de woning niet meer bedraagt dan 850 m3.

11.3.2 Grotere oppervlakte bijgebouwen

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 11.2.1 onder f (lees: onder h) onder 2 ten behoeve van een grotere oppervlakte aan bijgebouwen onder de voorwaarden dat:

a. de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen bij een woning niet meer bedraagt dan:

1. 100 m2 voor percelen met een oppervlakte van 5.000 m2 tot 10.000 m2;

2. 125 m2 voor percelen met een oppervlakte van minimaal 10.000 m2;

b. de bijgebouwen vanuit landschappelijk oogpunt aanvaardbaar zijn dan wel op andere wijze in het landschap zijn ingepast.