Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3421

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-12-2016
Datum publicatie
21-12-2016
Zaaknummer
201600613/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 22 en 23 december 2014 heeft het college het verzoek om handhaving van [appellant] en anderen ten aanzien van het bouwen van een paardrijbak op het perceel [locatie] te IJsselmuiden, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/1142
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201600613/1/A1.

Datum uitspraak: 21 december 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

[appellant] en anderen, wonend te IJsselmuiden, gemeente Kampen,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 14 januari 2016 in zaak nr. 15/1842 in het geding tussen:

[appellant] en anderen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Kampen.

Procesverloop

Bij besluiten van 22 en 23 december 2014 heeft het college het verzoek om handhaving van [appellant] en anderen ten aanzien van het bouwen van een paardrijbak op het perceel [locatie] te IJsselmuiden, afgewezen.

Bij besluit van 30 juli 2015 heeft het college het door [appellant] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 januari 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

[appellant] en anderen en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 november 2016, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door J.K. de Vries, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij] als belanghebbende gehoord.

Overwegingen

1. Op het perceel [locatie] te IJsselmuiden is in verband met het houden van paarden een paardrijbak aangelegd. [appellant] en anderen vreesden als omwonenden hinder te zullen ondervinden van de paardrijbak en hebben daarom ten tijde van de aanleg hiervan om handhaving verzocht. Het college heeft dit verzoek afgewezen, omdat het ervan uitgaat dat de paardrijbak niet in strijd is met de wet. [appellant] en anderen kunnen zich hier niet in vinden.

2. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte het verzoek om handhaving heeft afgewezen. Zij voeren hiertoe aan dat de paardrijbak in strijd is met het bestemmingsplan. In dit verband wijzen zij erop dat op basis van de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure) een afstand van 30 m moet worden aangehouden tussen de paardrijbak en de dichtstbijzijnde woning om een goed woon- en leefklimaat te behouden. In de onderhavige situatie wordt hier volgens [appellant] en anderen niet aan voldaan, omdat de afstand tussen de paardrijbak en de dichtstbijzijnde woning 3,5 m bedraagt. [appellant] en anderen stellen dat de rechtbank er ten onrechte vanuit gaat dat de richtafstand van 30 m niet van toepassing is. Volgens hen betreft, anders dan waarvan de rechtbank uitgaat, het vigerende bestemmingsplan "IJsselmuiden Dorpsrand" geen conservering van de situatie zoals deze zich voordeed in het hiervoor van kracht zijnde bestemmingsplan "De Koekoek".

2.1. De rechtbank is ervan uitgegaan dat de paardijbak ten tijde van het nemen van het besluit van 30 juli 2015 in overeenstemming was met het geldende bestemmingsplan "IJsselmuiden Dorpsrand" dat bij besluit van de Raad van 6 maart 2014 is vastgesteld. Volgens de rechtbank is de richtafstand voor de paardrijbak van 30 m die wordt genoemd in de VNG-brochure niet van toepassing. Daarbij acht de rechtbank van belang dat het bestemmingsplan "IJsselmuiden Dorpsrand" een conservering betreft van de situatie zoals deze zich voordeed in het hiervoor geldende bestemmingsplan "De Koekoek". Voorts is de rechtbank ervan uitgegaan dat de paardrijbak ten tijde van het nemen van dit besluit ook niet in strijd was met enige andere wettelijke bepaling, zodat het college terecht heeft afgezien van handhavend optreden.

2.2. Hetgeen [appellant] en anderen aanvoeren geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank er ten onrechte van is uitgegaan dat de paardrijbak ten tijde van het nemen van het besluit van 30 juli 2015 niet in strijd was met het bestemmingsplan en er derhalve geen strijd bestond met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Dat niet wordt voldaan aan de in de VNG-brochure aanbevolen afstand van 30 m betekent niet dat de paardrijbak ten tijde van het nemen van het besluit van 30 juli 2015 in strijd was met het geldende bestemmingsplan. De in de VNG-brochure aanbevolen afstanden kunnen onder meer worden toegepast bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Bij de vaststelling of de paardijbak in overeenstemming is met een geldend bestemmingsplan is echter niet bepalend of wordt voldaan aan deze aanbevolen afstand, maar zijn de verbeelding (dit betreft de plankaart) en de planregels bepalend. De rechtbank heeft daarom terecht, zij het op onjuiste gronden, bij de bepaling of de paardrijbak in overeenstemming met het bestemmingsplan is, niet het bepaalde in de VNG-brochure over de aanbevolen afstand tussen een paardijbak en de dichtstbijzijnde woning betrokken. Dat niet wordt voldaan aan de aanbevolen afstand 30 m leidt ook niet tot het oordeel dat er strijd bestond met een andere wettelijke bepaling. Hetgeen [appellant] en anderen aanvoeren geeft daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat het college er terecht van is uitgegaan dat ten tijde van het nemen van het besluit van 30 juli 2015 er geen sprake was van een overtreding, zodat het niet bevoegd was om ter zake handhavend op te treden.

Het betoog faalt.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. Schoppers, griffier.

w.g. Uylenburg w.g. Schoppers

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2016

578.