Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3414

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-12-2016
Datum publicatie
21-12-2016
Zaaknummer
201600596/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 april 2015 heeft het college ingestemd met het evaluatieverslag ‘Evaluatieverslag van het slopen en saneren van het buitenzwembad "De Tobbe" en de aanleg van een nutstracé in het Groenhovenpark te Gouda’ van 27 juni 2014, exclusief de hierin opgenomen nazorgbepalingen, en met het nazorgplan zoals dat is neergelegd in hoofdstuk 5 van het rapport ‘Notitie nazorg Groenhovenpark te Gouda’, van 10 februari 2015.

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2017/42 met annotatie van F.C.S. Warendorf
Omgevingsvergunning in de praktijk 2017/7507
JBO 2017/15 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
JOM 2017/22
JM 2017/31 met annotatie van Y. Flietstra
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201600596/1/A1.

Datum uitspraak: 21 december 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], wonend te Gouda, (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 april 2015 heeft het college ingestemd met het evaluatieverslag ‘Evaluatieverslag van het slopen en saneren van het buitenzwembad "De Tobbe" en de aanleg van een nutstracé in het Groenhovenpark te Gouda’ van 27 juni 2014, exclusief de hierin opgenomen nazorgbepalingen, en met het nazorgplan zoals dat is neergelegd in hoofdstuk 5 van het rapport ‘Notitie nazorg Groenhovenpark te Gouda’, van 10 februari 2015.

Bij besluiten van 11 december 2015 heeft het college de hiertegen gemaakte bezwaren gegrond verklaard en het besluit van 30 april 2015 gewijzigd door niet langer in te stemmen met de in paragraaf 5.6 van hoofdstuk 5 van het hiervoor genoemde rapport van 10 februari 2015 genoemde beperkingen in het gebruik van de bodem en/of de maatregelen in het belang van de bescherming van de bodem voor deellocatie A. In plaats hiervan heeft het college ingestemd met de beperkingen in het gebruik van de bodem en/of maatregelen in het belang van de bescherming van de bodem voor deellocatie A welke zijn opgenomen in de notitie ‘Gewijzigde gebruiksbeperkingen deelgebied A, Groenhovenpark te Gouda’, van 1 oktober 2015.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 november 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. I.F.M. Kwint, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.P. Vogelzang en ing. N.E.M. Paardekoper, zijn verschenen. Voorts is het college van burgemeester en wethouders van Gouda, vertegenwoordigd door ing. H.S. Olsman, als belanghebbende gehoord.

Overwegingen

1. De locatie Groenhovenpark te Gouda betreft een voormalige stortplaats. De locatie is onderverdeeld in deellocatie A en deellocatie B. Deellocatie A betreft de voormalige toegangsweg naar de stortplaats en deellocatie B is de voormalige stortplaats. [appellant] is woonachtig ter plaatse van deellocatie A. Ten gevolge van de aanwezigheid van de stortplaats is de bodem van de locatie Groenhovenpark verontreinigd. In verband met deze verontreiniging is de bodem gesaneerd. In het kader van de nazorg van de achtergebleven verontreiniging na sanering hebben diverse activiteiten plaatsgevonden waaronder periodieke grondwatermonitoring ter plaatse van deellocatie A. Het college heeft besloten de nazorg te herijken. Geconcludeerd is dat de grondwatermonitoring ter plaatse van deellocatie A niet langer noodzakelijk is. Volstaan kan worden met het op dikte houden van de afdeklaag. Dit is verwerkt in een nieuw nazorgplan. [appellant] stelt zich op het standpunt dat voorafgaand aan het wijzigen van de gebruiksbeperkingen er meer onderzoek had moeten worden gedaan naar de omvang van de verontreiniging.

2. Ingevolge artikel 39d, eerste lid, van de Wet bodembescherming wordt indien na de sanering verontreiniging in de bodem aanwezig is gebleven en in het verslag, bedoeld in artikel 39c, is aangegeven dat maatregelen als bedoeld in artikel 39c, eerste lid, onder f, noodzakelijk zijn, tegelijk met of zo spoedig mogelijk na de toezending van dat verslag door degene die de bodem heeft gesaneerd een nazorgplan ingediend waarin die maatregelen worden beschreven. Het nazorgplan bevat tevens een begroting van de kosten van de maatregelen en, voor zover naast maatregelen ook beperkingen in het gebruik van de bodem noodzakelijk zijn, een beschrijving van deze beperkingen.

Ingevolge het derde lid, behoeft het nazorgplan de instemming van gedeputeerde staten, die slechts met het nazorgplan instemmen indien de daarin opgenomen beperkingen in het gebruik van de bodem of maatregelen naar hun oordeel voldoende zijn om er voor te zorgen dat de verontreiniging die na de sanering is achtergebleven niet zal leiden tot een vermindering van de kwaliteit van de bodem zoals beschreven in het verslag op grond van artikel 39c, eerste lid, onder b.

3. Het beroep van [appellant] ziet alleen op de instemming met het nazorgplan voor zover dat betrekking heeft op deellocatie A.

4. [appellant] betoogt dat het college ten onrechte heeft ingestemd met het beëindigen van de grondwatermonitoring ter plaatse van deellocatie A, nu de omvang van de verontreiniging van het grondwater niet vaststaat. Volgens [appellant] had een verificatieonderzoek moeten worden gedaan naar de verontreiniging van het grondwater, omdat nog steeds niet duidelijk is of het grondwater ter plaatse van de verontreinigingslocatie wel of niet verontreinigd is. Daarnaast is volgens hem onduidelijk hoe een mogelijke verontreiniging van het grondwater zich zal ontwikkelen.

4.1. Het college stelt zich op het standpunt dat aan de hand van de grondwatermonitoring die ter plaatse van deellocatie A heeft plaatsgevonden er voldoende informatie is over de kwaliteit van het grondwater. In dit verband wijst het college erop dat al in 1996 een meetnet van pijlbuizen is aangelegd en begonnen is met een periodieke monitoring van het grondwater en dat in het van het besluit van 30 april 2015 deel uitmakende rapport ‘Herijking nazorg Groenhovenpark te Gouda’ van 24 oktober 2014 aan de hand van de resultaten van de grondwatermonitoring een analyse is uitgevoerd van de verontreinigingen in het grondwater. Volgens het college blijkt uit de grondwatermonitoring dat in de periode vanaf 2004 geen onacceptabele concentraties met verontreinigende stoffen zijn geconstateerd. De situatie is volgens het college stabiel. Af en toe treden weliswaar fluctuaties op van de gemeten concentraties, maar dit is een normaal verschijnsel bij grondwatermonitoring. Gebleken is dat de gemeten waarden over een langere periode hetzelfde zijn gebleven, aldus het college. Nu de situatie stabiel is gaat het college er voorts vanuit dat zich geen verspreiding van de verontreinigende stoffen zal voordoen.

4.2. Gelet op de grondwatermonitoring die reeds vanaf 1996 heeft plaatsgevonden en het rapport van 24 oktober 2014 waarin een analyse van deze resultaten is uitgevoerd, is er geen aanleiding voor het oordeel dat het college geen volledig beeld heeft van de kwaliteit van het grondwater en dat het college er ten onrechte van is uitgegaan dat de situatie stabiel is en in de toekomst geen sprake zal zijn van een verspreiding van de verontreinigende stoffen. Hetgeen [appellant] aanvoert geeft daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten in te stemmen met de beëindiging van de grondwatermonitoring.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten in te stemmen met een wijziging van de gebruiksbeperkingen nu niet duidelijk is waar de verontreinigingscontour van de bodemverontreiniging precies is gelegen. In dit verband wijst [appellant] erop dat onduidelijk is op welke verontreinigingscontour de meest recente verificatie van 25 augustus 2015 is gebaseerd.

5.1. Naar aanleiding van de bezwaren van omwonenden tegen het besluit van 30 april 2015 heeft het bureau Lievense CSO het rapport ‘Verificatie bodemonderzoek Groenhovenpark te Gouda’ van 25 augustus 2015 opgesteld. Hierin is geconcludeerd dat op basis van de resultaten van onderhavig verificatieonderzoek er uitgezonderd ter plaatse van Bloemendaalseweg [..] geen reden is om te twijfelen aan de contour van de voormalige stort.

Het college heeft in het verweerschrift opgemerkt dat in het rapport van 25 augustus 2015 een verificatie van de verontreinigingscontour die in 1985 is vastgelegd door middel van metingen en peilingen, heeft plaatsgevonden.

5.2. In hetgeen is aangevoerd is geen reden gelegen om te twijfelen aan de stelling van het college dat in het rapport van 25 augustus 2015 de verontreinigingscontour zoals die in 1985 is vastgelegd is geverifieerd dan wel om ervan uit te gaan dat de verontreinigingscontour in 1985 op onzorgvuldige wijze is vastgesteld. Hetgeen [appellant] aanvoert geeft daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de verontreinigingscontour die ten grondslag is gelegd aan het nazorgplan onjuist is. Er is gelet hierop geen aanleiding voor het oordeel dat het college in zoverre niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten in te stemmen met het nazorgplan.

Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt dat onvoldoende vaststaat dat de gebruiksbeperkingen waarmee het college heeft ingestemd noodzakelijk zijn voor zijn perceel. Volgens [appellant] staat niet vast op welke diepte de verontreiniging in de bodem ter plaatse van zijn perceel zich bevindt. Wanneer de verontreiniging zich op grote diepte bevindt kan volgens [appellant] voor zijn perceel wellicht met minder beperkende gebruiksbepalingen worden volstaan. Daarnaast voert [appellant] aan dat niet vaststaat dat de deklaag ter plaatse van de openbare groenstrook voldoende bescherming biedt tegen de aanwezige verontreiniging. In dit verband wijst [appellant] erop dat de deklaag ter plaatse van de bebouwde gebieden omvangrijker is dan de deklaag ter plaatse van de openbare groenstrook. In dit verband wijst [appellant] er ook op dat in de nabij zijn woning gelegen vijver kinderen en honden spelen die mogelijkerwijs wanneer het grondwater verontreinigd is, een negatieve invloed hiervan zullen ondervinden op hun gezondheid. Volgens hem staat niet vast dat in de vijver ook een leeflaag is aangebracht.

6.1. Het nazorgplan waarmee bij het bestreden besluit is ingestemd ziet erop dat de gebruiksbeperkingen ter plaatse van de opgehoogde gebieden (woningen met tuin) gelden vanaf 1,5 m -mv. Ter plaatse van de openbare groenstrook gelden gebruiksbeperkingen vanaf 0,5 m -mv .

Uit het rapport ‘Verificatie bodemonderzoek Groenhovenpark te Gouda’ van 25 augustus 2015 blijkt dat binnen deellocatie A de dikte van de deklaag ter plaatse van de bebouwde gebieden minimaal 2,4 m bedraagt. Ter plaatse van de openbare groenstrook langs de Kamperfoelielaan is de deklaag minder dik, plaatselijk mogelijk 0,5 m.

6.2. Ter zitting heeft het college wat betreft de gebruiksbeperkingen voor de bebouwde gebieden op deellocatie A opgemerkt dat naar aanleiding van naar de voren gebrachte zienswijzen en het rapport van 25 augustus 2015 de gebruiksbeperkingen zijn bijgesteld. Deze zijn volgens het college nu zo beperkt mogelijk en zorgen tegelijkertijd nog steeds voor veiligheid. Volgens het college is het onder meer vanwege de omvangrijkheid van het hiervoor vereiste onderzoek niet mogelijk voor de gebruiksbeperkingen onderscheid te maken op perceelsniveau. Wat betreft de deklaag ter plaatse van het openbaar groen heeft het college ter zitting opgemerkt dat uit onderzoek is gebleken dat deze overal, ook ter plaatse van de vijver, is aangebracht en dat vanwege het minder intensieve gebruik van openbaar groen de voorschreven beperkingen voldoende zijn om gezondheidsrisico’s te beperken.

6.3. Gelet op hetgeen het college ter zitting heeft opgemerkt geeft hetgeen [appellant] aanvoert geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten in te stemmen met het nazorgplan voor zover het de gebruiksbeperkingen betreft die gelden ter plaatse van de woningen met tuin. Hetgeen [appellant] aanvoert geeft voorts geen aanleiding voor het oordeel dat het college in verband met de geringere dikte van de deklaag ter plaatse van het openbaar groen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten in te stemmen met het nazorgplan. In het nazorgplan wordt wat betreft de gebruiksbeperkingen rekening gehouden met de geringe dikte van de leeflaag. Voorts is aannemelijk dat zoals het college ter zitting heeft toegelicht het openbaar groen minder intensief wordt gebruikt en staat vast dat de leeflaag overal is aangebracht.

Het betoog faalt.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. Schoppers, griffier.

w.g. Uylenburg w.g. Schoppers

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2016

578.