Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3403

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-12-2016
Datum publicatie
21-12-2016
Zaaknummer
201601974/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 april 2015 heeft de raad een aanvraag van [appellant] om een toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201601974/1/A2.

Datum uitspraak: 21 december 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 februari 2016 in zaak nr. 15/5678 in het geding tussen:

[appellant]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2015 heeft de raad een aanvraag van [appellant] om een toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen.

Bij besluit van 6 juli 2015 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 februari 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 december 2016, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. R.D. Autar, advocaat te Delft, en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra, zijn verschenen.

Overwegingen

Aanleiding

1. appellant] heeft met tussenkomst van zijn gemachtigde een aanvraag om een toevoeging voor rechtsbijstand ingediend voor het voeren van een klachtprocedure tegen de politie Oost-Brabant. De raad heeft de aanvraag afgewezen omdat deze volgens haar een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten. [appellant] bestrijdt dit en betoogt dat sprake is van feitelijke en juridische complexiteit van de zaak en dat sprake is van zwaarwegende belangen, zodat bijstand van een advocaat noodzakelijk is.

Uitspraak van de rechtbank

2. Onder verwijzing naar artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, artikel 28, eerste lid, aanhef en onder c en d, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: Wrb) en onder verwijzing naar het beleid van de raad, heeft de rechtbank geoordeeld dat de raad de aanvraag om een toevoeging in redelijkheid heeft kunnen afwijzen. Het indienen van een klacht tegen de politie is een laagdrempelige procedure waar in de regel geen bijstand door een advocaat nodig is. Uit de overgelegde stukken blijkt volgens de rechtbank niet dat sprake is van een rechtsvraag van uitzonderlijke aard en van juridische complexiteit. De omstandigheid dat de formulering van de klacht van invloed kan zijn op de strafprocedure maakt dit volgens de rechtbank niet anders. [appellant] heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een geschil waarvoor juridische bijstand door een advocaat nodig is. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] ongegrond verklaard.

Hoger beroep van [appellant]

3. [ appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van feitelijke of juridische complexiteit van de klachtprocedure. Daartoe voert hij achtereenvolgens aan dat sprake is van onrechtmatig handelen door de politie, de politie heeft geweigerd een aangifte op te nemen, hij als leek kansloos is tegenover de politie als professionele organisatie met kennis van het juridische kader, de klacht en de formulering daarvan een belangrijke rol speelt in de strafprocedure die tegen hem loopt, waarbij kennis van het strafdossier onontbeerlijk is, terwijl uitsluitend de advocaat kennis van het dossier mag nemen.

Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn beroepsgrond dat sprake is van zwaarwegende belangen op grond waarvan in uitzondering op het beleid een toevoeging kan worden verleend. Het zwaarwegende belang is er volgens [appellant] in gelegen om te voorkomen dat de politie in de toekomst wederom inbreuken op zijn privacy maakt en zijn huisvrede schendt, het belang van de uitkomst van de klachtprocedure voor de strafprocedure die tegen hem loopt, het belang dat de politie alsnog zijn aangifte opneemt en het belang dat de klacht kan worden meegenomen in een procedure op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering.

4. De raad heeft aan de afwijzing van de aanvraag artikel 12, tweede lid, onder g, van de Wrb ten grondslag gelegd, waarin is bepaald dat geen rechtsbijstand wordt verleend indien het een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling van wie onderscheidenlijk waarvan de werkzaamheden niet vallen binnen de werkingssfeer van deze wet.

De raad heeft ter invulling van de vraag of sprake is van een belang waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, beoordelingsvrijheid, voor de aanwending waarvan de raad criteria heeft ontwikkeld. Voor klachten tegen overheidshandelen is in de zogenoemde ‘Werkinstructie B060’ (gepubliceerd op www.kenniswijzer.rvr.org) vermeld dat hiervoor geen toevoeging wordt verleend, tenzij er sprake is van feitelijke of juridische ingewikkeldheid of als er sprake is van zwaarwegende belangen van de rechtzoekende. In de werkinstructie is voorts vermeld dat bij klachten over politieoptreden, waarbij kan worden gedacht aan gedragshandelingen van politiebeambten, onheuse bejegening en het niet opnemen van een aangifte, ook geldt dat rechtszoekende in eerste instantie zelf een klacht kan indienen.

5. Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb, wordt rechtsbijstand niet verleend indien het een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling van wie onderscheidenlijk waarvan de werkzaamheden niet vallen binnen de werkingssfeer van deze wet.

6. Naar het oordeel van de Afdeling is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van feitelijke of juridische ingewikkeldheid waarvoor de bijstand van een advocaat noodzakelijk is. Dat naar het oordeel van [appellant] sprake is van onrechtmatig handelen van de politie in het kader van huisvredebreuk, van inbreuk op de privacy en het onrechtmatig in bewaring nemen van ontvreemde spullen is op zichzelf onvoldoende om tot dit oordeel te komen. Hieruit volgt immers niet dat het opstellen van zijn klacht feitelijk of juridisch gecompliceerd is. Van [appellant] mag in dit verband worden verwacht dat hij zijn klacht, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling van wie onderscheidenlijk waarvan de werkzaamheden niet vallen binnen de werkingssfeer van de Wrb, zelf formuleert. De stelling dat de politie een professionele organisatie is met kennis van het rechtssysteem en hij hier tegenover als leek kansloos is, kan evenmin leiden tot het oordeel dat de raad de toevoeging had moeten verlenen. Daargelaten de juistheid van dit betoog, kan de raad voor juridisch complexe zaken immers een uitzondering maken op haar beleid en een toevoeging verstrekken. [appellant] heeft evenwel niet aannemelijk gemaakt dat hiervan sprake is.

Voorts is in het beleid van de raad meegenomen dat ingeval van het niet opnemen van een aangifte van de rechtzoekende kan worden verwacht dat hij zelf een klacht indient. Ook in dit verband heeft [appellant] niet onderbouwd waarom dat in zijn geval niet zonder bijstand van een advocaat mogelijk is.

De stelling dat de formulering van de klacht nauw luistert omdat deze in het kader van een tegen hem aanhangige strafprocedure een rol speelt, leidt evenmin tot het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van het verlenen van een toevoeging. Deze omstandigheid maakt zonder nadere onderbouwing niet dat sprake is van feitelijke of juridische complexiteit van de in te dienen klacht. Bovendien heeft [appellant] het recht om kennis te nemen van hetgeen hem ten laste wordt gelegd en is hij tevens bekend met de toedracht van de zaak. Ook in zoverre wordt [appellant] niet beperkt bij het formuleren van zijn klacht.

7. De klacht van [appellant] dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op de beroepsgrond dat sprake is van zwaarwegende belangen die het verstrekken van toevoeging rechtvaardigen, is terecht voorgedragen maar kan niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

Ter zitting heeft de raad aan de hand van een aantal voorbeelden toegelicht wat onder zwaarwegende belangen dient te worden verstaan. Dat kunnen bijvoorbeeld zaken zijn waarbij het gaat om procedures die van wezenlijke invloed zijn op het (verdere verloop van het) leven van de belanghebbende of waarbij sprake is van een zogenoemde OM-afdoening. De subjectieve ervaring van een belanghebbende is daarbij volgens de raad niet van belang. Gelet op deze toelichting, heeft de raad heeft zich in het geval van [appellant] in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat van zwaarwegende belangen als bedoeld in het beleid van de raad geen sprake is. Dat sprake is van een zaaksoverstijgend belang, zoals [appellant] ter zitting heeft gesteld, kan niet leiden tot een ander oordeel. Zoals de raad ter zitting heeft gesteld, kan een toevoeging uitsluitend worden verstrekt op gronden die specifiek betrekking hebben op het geval.

Conclusie

8. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, dient te worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.C.V. Fenwick, griffier.

w.g. Steendijk w.g. Fenwick

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2016

608.